Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:4407

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 10-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:4407, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is ROE 19/1079, 19/1080, 19/1139 en 19/1187


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburg [naam 1] , te [woonplaats] , verzoeker in de zaken 19/1079 en 19/1080het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek, verweerder.

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 19/1079, 19/1080, 19/1139 en 19/1187

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 mei 2019 op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen

Vereniging Milieudefensie

en

Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen: , te Maastricht Airport(gemachtigde: mr. H.H.B. Lamers).

ECLI:NL:RBLIM:2019:4407:DOC
nl

RECHTBANK limburg [naam 1] , te [woonplaats] , verzoeker in de zaken 19/1079 en 19/1080het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek, verweerder.
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 19/1079, 19/1080, 19/1139 en 19/1187

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 mei 2019 op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen

Vereniging Milieudefensie

en

Als derde-partij heeft aan de gedingen deelgenomen: , te Maastricht Airport(gemachtigde: mr. H.H.B. Lamers).
procesverloop

Procesverloop

Bij primaire besluiten van 6 maart 2019 en 26 maart 2019 heeft verweerder aan Maastricht Aachen Airport (verder MAA) een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk (tot uiterlijk 15 november 2020) in gebruik nemen van gronden van het bedrijventerrein, gelegen bij het vliegveld, voor het realiseren van een parkeerplaats voor 2.500 auto’s en een omgevingsvergunning voor het realiseren van bijbehorende infrastructurele voorzieningen als hekken, lichtmasten, slagbomen en een bushalte/overkapping tijdelijk voor de duur van één jaar en acht maanden.

Verzoekers hebben ieder de voorzieningenrechter verzocht om ten aanzien van beide primaire besluiten voorlopige voorzieningen te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 2 mei 2019. [naam 1] is verschenen. Voor de Vereniging Milieudefensie zijn [naam 2] en [naam 3] verschenen.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] Voor MAA is [naam 7] verschenen, bijgestaan door gemachtigde Lamers.
Overwegingen
1. Op 12 februari 2019 heeft MAA bij verweerder een aanvraag ingediend en verzocht om een omgevingsvergunning voor het tijdelijk (tot uiterlijk 15 november 2020) in gebruik nemen van gronden in afwijking van het geldende bestemmingsplan als parkeerplaats voor 2.500 auto’s op de percelen kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nrs. 2563, 2562 2559, 2557, 2553, 2548, 2555, 2560, 2554, 2550, 2587 (gedeeltelijk), 2588, 1812, 1811, 1810, 1809, 1808, 1807, 1806 en 2586 (gedeeltelijk). Bij het primaire besluit van 6 maart 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.Op 15 maart 2019 heeft MAA bij verweerder een aanvraag ingediend en verzocht om een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van hekwerken, lichtmasten, slagbomen, een parkeerwachtershuisje en een bushalte/overkapping op gronden gelegen aan de Engelandlaan te Maastricht-Airport, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nrs. 2548, 2550, 2553, 2554, 2555, 2557, 2559,2560, 2562 en 2563 voor de duur van één jaar en acht maanden. Bij besluit van 26 maart 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. [naam 1] woont ten zuiden van het terrein waarop de vergunde parkeerplaats, in twee gescheiden gedeelten, is aangelegd. De afstand van de noordelijkste hoek van zijn perceel tot het dichtstbij gelegen deel van de parkeerplaats (die thans nog niet in gebruik is) bedraagt 316 meter en de afstand tot de verderop gelegen parkeerplaats, waarop ook de vergunde infrastructurele voorzieningen zijn aangebracht, bedraagt 627 meter. Tussen het perceel van [naam 1] en de parkeerplaatsen is, als deel van (de aanleg van) een groenvoorziening, een aarden wal aanwezig. [naam 1] heeft verklaard dat op zijn perceel fruitbomen staan. Als zijn belang heeft [naam 1] erop gewezen dat hij vanuit zijn woning en perceel zicht heeft op de locatie en dat hij verwacht ernstige hinder te ondervinden van geluid en licht in de randen van de nacht omdat de vluchten waarvoor van deze parkeerplaats gebruik wordt gemaakt aankomen en vertrekken om 6 uur ’s ochtends en 23 uur ’s avonds. Daarnaast heeft [naam 1] zijn zorgen geuit over de nadelige gevolgen voor lucht- en waterkwaliteit en de negatieve ruimtelijke uitstraling. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard geen (inhoudelijk) bezwaar te hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning die ziet op de infrastructurele voorzieningen op het parkeerterrein omdat hij prioriteit heeft gelegd bij het gebruik van het terrein als zodanig.
4. Voor de ontvankelijkheid van een verzoek om een voorlopige voorziening is het vereist dat een bezwaar- of beroepschriftprocedure aanhangig is. Nu [naam 1] geen bezwaarschrift tegen het besluit van 26 maart 2019 heeft ingediend, is zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen om die reden niet-ontvankelijk.
5. Om als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang bij een besluit te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het betreffende besluit. Bij besluiten in de ruimtelijke sfeer heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit belanghebbende-begrip nader ingevuld aan de hand van het nabijheidscriterium (afstand en zicht) en de ruimtelijke impact van het betreffende besluit. De vraag of [naam 1] kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb is niet afhankelijk van subjectieve belangen die worden aangevoerd en het gewicht dat daaraan dient te worden toegekend, maar van objectief bepaalbare factoren.
6. Gelet op de afstanden van het perceel en de woning van [naam 1] tot de vergunde parkeerplaatsen, het reliëf van het tussenliggende gebied en de beplanting, komt het de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor dat [naam 1] vanaf zijn woning dan wel (de hoek van zijn) perceel onderscheidend zicht heeft op de parkeerplaatsen, zodat niet is voldaan aan het nabijheidscriterium. De vraag of [naam 1] desondanks vanwege de ruimtelijke uitstraling van de parkeerplaats belanghebbende is, beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Daarbij gaat het om de vraag of (het gebruik van) de parkeerplaatsen en met name het (sluip)verkeer van en naar de luchthaven, een onderscheidende invloed heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatsen van de woning dan wel het perceel van [naam 1] . De voorzieningenrechter ziet de zorgen en de betrokkenheid van [naam 1] , maar de gestelde gevolgen van de aangevochten besluiten waarvoor hij opkomt zijn onvoldoende onderscheidend om op die grond tot een persoonlijk en direct geraakt belang van [naam 1] bij de omgevingsvergunningen voor de parkeerplaatsen te concluderen. Die gevolgen ondervindt immers een ieder die in de omgeving van de luchthaven leeft en woont. De extra verkeersbewegingen langs zijn woning waarvan [naam 1] stelt de gevolgen ervan te ondervinden, zijn, wat daar ook van zij, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet substantieel om op grond daarvan te kwalificeren als belanghebbende bij de omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen van de betreffende percelen als parkeerplaats.
7. Het voorgaande betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat [naam 1] in zijn bezwaren, indien en voor zover hij bezwaar heeft gemaakt, niet kan worden ontvangen, omdat hij niet als belanghebbende bij die besluiten in de zin van de Awb is aan te merken. Om die reden is er voor de voorzieningenrechter geen grond om een voorlopige voorziening op het door [naam 1] ingediende verzoek te treffen. Op die grond wordt dit verzoek dan ook afgewezen.
8. Ter zitting heeft MAA gesteld dat het verzoekschrift van de Vereniging Milieudefensie niet rechtsgeldig is ondertekend zodat op die grond de door de Vereniging ingediende verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Uit de overgelegde volmachtverklaring van 12 december 2018 blijkt dat de directeur van de Vereniging, [naam 8] , gerechtigd is om de Vereniging in alle opzichten te vertegenwoordigen, dus ook gemachtigd is om een volmacht af te geven op grond waarvan namens de Vereniging beroep kan worden ingesteld. Gedateerd 11 april 2019 hebben [naam 9] en [naam 3] een volmacht overgelegd waarin is vermeld dat zij ten aanzien van de in dit geding aan de orde zijnde omgevingsvergunningen namens de Vereniging alle mogelijke rechtsmiddelen mogen aanwenden. Die volmacht van 11 april 2019 is opgesteld in naam van [naam 8] , maar door een andere persoon, met vermelding “i.o.” ondertekend. Niet gesteld of gebleken is dat [naam 8] op grond van de aan hem verleende volmacht niet een ondertekeningsmandaat mag verlenen. Evenmin is er reden om te betwijfelen dat desgevraagd alsnog [naam 8] in persoon de machtiging zou hebben ondertekend als daar door de voorzieningenrechter om zou zijn gevraagd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de Vereniging niet-ontvankelijk te verklaren.
9. Nu de verzoeken om voorlopige voorziening van de Vereniging Milieudefensie, verder verzoeker, niet niet-ontvankelijk worden geacht en de voorzieningenrechter ook het spoedeisend karakter van de verzoeken aannemelijk acht, zullen de aangevoerde gronden voor het treffen van voorlopige voorzieningen worden besproken. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
10. Verweerder kan en mag met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) afwijken van het bepaalde in het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport, Businesspark AviationValley indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
11. Verweerder heeft te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend en alternatieven zijn eerst dan aan de orde indien daarmee een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt met aanzienlijk minder bezwaren. Van dergelijke alternatieven is de voorzieningenrechter vooralsnog niet gebleken. Dat betekent dat verweerder moest beslissen op de aanvragen van MAA zoals ze waren ingediend en het is dan aan het bevoegd gezag als verweerder om al dan niet gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheden die de regelgeving biedt en om te bezien of daarbij al dan niet de betreffende activiteiten in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
12. De omgevingsvergunning van 6 maart 2019 is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van Bijlage II bij het Bor. Niet gesteld of gebleken is dat aan deze wettelijke grondslag om af te wijken van het geldende bestemmingsplan niet is voldaan. Verweerder is er daarbij vanuit gegaan dat de functie parkeren niet strijdig is met het bepaalde in de bestemmingsplanregels en dat de strijdigheid zich beperkt tot het voorschrift dat op de percelen een minimum bebouwingspercentage geldt van 50. Dit heeft meegebracht dat verweerder zich bij de motivering van een goede ruimtelijke ordening heeft beperkt tot de inbreuk op het geldende bestemmingsplan voor zover het betreft de bebouwingsvoorschriften.
13. De omgevingsvergunning van 26 maart 2019 is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1°, van de Wabo in samenhang met artikel 15.3.6 onder b van de bestemmingsplanregels voor zover het de hoogte van de lichtmasten betreft. De in artikel 15.3.6 onder b vereiste instemming met de hoogte van de lichtmasten is door de Luchtverkeersleiding Nederland afgegeven. Niet gesteld of gebleken is dat aan deze wettelijke grondslag om af te wijken van het geldende bestemmingsplan niet is voldaan.
14. Verzoeker heeft aangevoerd het onacceptabel te vinden dat in strijd met de strekking van het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein, voor een dergelijke grote omvang omgevingsvergunning is verleend voor parkeren, terwijl het op grond van het bestemmingsplan toegestane gebruik als parkeergarage kennelijk strekte ten behoeve van de omliggende bedrijven, daarvoor een kleinere schaal zou hebben en een betere bescherming zou bieden tegen vervuiling door hemelwater en tegen geluid- en lichthinder. Nu de tekst van de bestemmingsplanvoorschriften, de verbeelding en de bij het bestemmingsplan behorende staat van bedrijfsactiviteiten, gebruik van gronden voor parkeren voor bezoekers van de luchthaven niet uitsluit, en een parkeergarage van vier lagen op 50 tot 80 % van het perceel toelaat, komt aan de strekking en bedoeling van het bestemmingsplan, zijnde de vestiging van een bedrijventerrein terwijl de parkeervoorzieningen voor de naastgelegen luchthaven op de bij de luchthaven behorende gronden zijn voorzien, geen zelfstandige betekenis meer toe. Voor zover verzoeker heeft bedoeld te stellen dat het gebruik van het terrein voor parkeren als zodanig in strijd is met het bestemmingsplan, ziet de voorzieningenrechter daarin geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor zover de grond van verzoeker zo moet worden opgevat dat daarmee is bedoeld te stellen dat verweerder bij de motivering van een goede ruimtelijke ordening een te beperkte inbreuk op het geldende bestemmingsplan voor ogen heeft gehad, volgt de voorzieningenrechter hem evenmin.
15. In het geldende bestemmingsplan, vastgesteld op 29 september 2016 door de gemeenteraad van de gemeente Beek, zijn in brede zin al afwegingen gemaakt voor het voorziene gebruik van de gronden als bedrijventerrein(en). Aan het bestemmingsplan liggen onderzoeken ten grondslag naar stedenbouwkundige inrichting, natuurcompensatie, geluidbeheersing, verkeer, luchtkwaliteit en stikstofdepositie, en andere milieueffecten alsmede naar de nadelige gevolgen van de bedrijventerreinen voor nabijgelegen Natura 2000 gebied, Nationaal Landschap Zuid-Limburg en voor kwetsbare, bedreigde en te beschermen soorten (flora en fauna). Deze rapporten hebben hun vertaling en beslag gevonden in het onherroepelijke bestemmingsplan. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat de vergunningverlening strijdig is met strekking en onderdelen van deze rapporten, leiden deze gronden niet tot de conclusie dat er een voorlopige voorziening getroffen moet worden nu deze rapporten vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan in 2016 geen zelfstandige betekenis meer hebben, terwijl niet is gebleken van andere strijdigheden met dat bestemmingsplan dan het bebouwingspercentage van de percelen (en de hoogte van de lichtmasten). Bovendien zij opgemerkt dat het (tijdelijk) gebruik van de percelen voor parkeren aan het (verder) uitvoeren van het masterplan, het natuurcompensatieplan en het geluidbeheersplan niet in de weg (hoeven) staan. De voorzieningenrechter ziet ook in de gronden die zijn aangevoerd over de verkeersbewegingen en -generatie door het gebruik van de percelen als parkeerplaats, ook op tijdstippen in de randen van de nacht, geen aanleiding om voorlopige voorzieningen te treffen, omdat bedrijfsmatig gebruik voor parkeren als zodanig naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet strijdig is met het bestemmingsplan.
16. De percelen die als parkeerplaats zijn vergund, zijn al eerder voorzien van een asfaltlaag. Voorlopig oordelend is niet gebleken dat dit asfalt vervuild en verontreinigd is. Het aanmerken van het asfalt als niet-functionele bouwstof duidt daar niet op. Verweerder heeft bovendien op 9 augustus 2018 een keuring laten uitvoeren ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit voor hergebruik van het betreffende asfaltgranulaat en met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat overleg gevoerd over de nuttige toepassing van dit granulaat als ondergrond voor de parkeerplaats.
17. Met verweerder is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat er van een MER-plicht of -beoordelingsplicht geen sprake is, omdat het gebruik als parkeerterrein geen MER-(beoordelings)plichtige activiteit is en er met de omgevingsvergunning als in geding ook geen sprake is van uitbreiding van de luchthaven nu die luchthaven geen deel uitmaakt van het op de relevante percelen geldende bestemmingsplan voor een bedrijventerrein. Bovendien is voor het geldende bestemmingsplan voor het bedrijventerrein in zijn geheel al een milieueffectrapport opgesteld, waarbij ook de milieugevolgen ten aanzien van verkeer en luchtkwaliteit zijn opgenomen.
18. Voor zover is aangevoerd dat de vergunde parkeerplaats een potentiële risicovolle situatie is en dat er geen aandacht is besteed aan een mogelijk (verhoogd) risico met betrekking tot externe veiligheid, is de voorzieningenrechter met verweerder voorlopig van oordeel dat een parkeerplaats geen risicovolle bedrijfsactiviteit is en dat er geen sprake is van de oprichting of wijziging van een risicobron of van een kwetsbaar gebied.
19. Voor zover verzoeker een beroep heeft gedaan op een ontheffing op grond van de destijds geldende Flora- en faunawet van 7 december 2015, heeft verweerder ter zitting onweersproken verklaard dat dit een ontheffing betreft die gold voor werkzaamheden aan de ringweg.
20. Verzoeker heeft aangevoerd dat het asfalt dat op de percelen ligt niet geschikt is om voor een goede afwatering te zorgen met als gevolg dat met rubber en olie vervuild regenwater het grondwater verontreinigt als de buffers vol zijn en zullen overstromen, terwijl het gaat om kwetsbare natuurwaarden in de directe omgeving. Ter zitting is naar voren gebracht dat uit een contact met het Waterschap Limburg is gebleken dat er zorgen zijn over de kwaliteit van het grondwater als de percelen in deze omvang met deze ondergrond als parkeerterrein dienst doen, ook als dat tijdelijk is.
21. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van MAA, en van verweerder, die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt. MAA en verweerder hebben een groot economisch en ook maatschappelijk belang bij het kunnen voortzetten van de betreffende percelen als parkeerterrein, omdat bij het (onmiddellijk) moeten staken van dat gebruik grote aantallen auto’s elders moeten worden geparkeerd met alle ongewenste gevolgen van dien. Ondanks de onmiskenbaar ook grote belangen van verzoeker die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter anderzijds de gevolgen van het gebruik van de percelen als parkeerplaats voor de kwaliteit van het grondwater op korte termijn niet zo evident en dringend dat het gebruik onmiddellijk dient te worden gestopt. Dat betekent dat verweerder de gelegenheid krijgt om het geconstateerde gebrek in de voorbereiding en motivering van de verleende omgevingsvergunning van 6 maart 2019 te herstellen zonder dat er nu een voorlopige voorziening wordt getroffen.
22. Wat betreft de omgevingsvergunning van 26 maart 2019 is evenmin gebleken dat de belangen van verzoeker die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorziening zodanig zwaar zijn dat de belangen van MAA en van verweerder daarvoor moeten wijken. Ook in zoverre is er voor de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
23. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, voor zover ontvankelijk, af. Voor proceskostenveroordelingen bestaat geen aanleiding.
Belanghebbende

Machtiging Vereniging Milieudefensie

Beoordeling

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.(…).
Waterhuishouding

Verweerder heeft in het verweerschrift verklaard dat de afvoer van hemelwater in het bedrijventerrein plaatsvindt via bodeminfiltratie en tijdelijke opslag in wadi’s die zich op het terrein bevinden waarbij als uitgangspunt geldt dat het water niet verontreinigd mag zijn. Hiervoor zijn bodempassages opgenomen waar eventuele verontreiniging wordt afgevangen. Verweerder is van mening dat noch van het asfaltgranulaat, noch van bandenrubber of van lekkende vloeistoffen uit auto’s zodanige verontreiniging te verwachten is dat er speciale maatregelen voor de afvoer van hemelwater dienen te worden getroffen.De voorzieningenrechter is met betrekking tot het gestelde over de waterhuishouding voorlopig van oordeel dat, juist met het oog op de strekking en bedoeling van het geldende bestemmingsplan dat in beginsel niet voorzag in een parkeerterrein met een dergelijke oppervlakte, verweerder onvoldoende de gevolgen van het bestreden (tijdelijk) gebruik van de betreffende percelen voor parkeren door 2.500 auto’s op een ondergrond van (doorlatend) asfaltgranulaat, heeft onderzocht voor de kwaliteit van het grondwater. Dat in het kader van het bestemmingsplan kennelijk mondeling afstemming met het Waterschap heeft plaatsgevonden, komt de voorzieningenrechter voorlopig oordelend niet voldoende voor om thans te concluderen dat er als gevolg van het vergunde gebruik geen gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater zullen zijn. Ook de stelling dat is uitgegaan van de milieuhygiënische kwaliteit van asfalt als functionele bouwstof biedt vooralsnog te weinig zekerheid voor de conclusie dat in de tijd dat de terreinen worden gebruikt voor parkeren er geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit zullen optreden. De voorzieningenrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat verweerder alsnog dient te laten onderzoeken of en welke gevolgen het vergunde gebruik van de percelen heeft voor de grondwaterkwaliteit en aan die onderzoeksresultaten die gevolgen dient te verbinden die voor bescherming van de grondwaterkwaliteit nodig zijn.
beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

-

verklaart het verzoek van [naam 1] om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van 26 maart 2019 niet-ontvankelijk;

wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen voor het overige af.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.