Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:3407

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:3407, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 985 + AWB - 18 _ 1068


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburguitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2019 in de zaken tussen [eiseres] , te Geleen, eiseres
(gemachtigde: mr. F. Boukich),

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/985 en AWB/ROE 18/1068

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen

(gemachtigde: mr. F. Jans).

ECLI:NL:RBLIM:2019:3407:DOC
nl

RECHTBANK limburguitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2019 in de zaken tussen [eiseres] , te Geleen, eiseres
(gemachtigde: mr. F. Boukich),
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/985 en AWB/ROE 18/1068

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen

(gemachtigde: mr. F. Jans).
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres en haar echtgenoot, [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot] ), van 12 september 2017 om een bijstandsuitkering en de aanvraag van 5 oktober 2017 om bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen in advocaatkosten op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres en [echtgenoot] van 4 september 2017 om individuele inkomenstoeslag op grond van de Pw eveneens afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres en [echtgenoot] tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijk besluit van 24 april 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres en [echtgenoot] tegen het primaire besluit II eveneens ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [echtgenoot] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn toenmalige gemachtigden mr. R.B.H. Brouwers en mr. R.A.H. Vlecken.
Vervolgens is het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen, hetgeen is geschied.

Partijen hebben over en weer hun standpunt ter zake kenbaar gemaakt.

Bij brief van 26 februari 2019 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de enkelvoudige kamer van de rechtbank de behandeling van voornoemde beroepen heeft verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is op 18 maart 2019 voortgezet. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [echtgenoot] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. F. Jans en H.E.A. Bogers.

Overwegingen

1. Eiseres en [echtgenoot] ontvingen vanaf 1 juli 2012 bijstand naar de norm voor gehuwden. Verweerder heeft bij besluit van 15 augustus 2017 het recht op bijstand van [echtgenoot] ingetrokken met ingang van 25 juli 2017 vanwege te lang verblijf in het buitenland. Het recht op bijstand van eiseres heeft verweerder bij besluit van 16 augustus 2017 met ingang van 14 augustus 2017 ingetrokken, eveneens wegens te lang verblijf in het buitenland. Beide besluiten zijn onherroepelijk.
2. Op 25 augustus 2017 hebben eiseres en [echtgenoot] zich bij verweerder gemeld voor een bijstandsuitkering. Op 12 september 2017 is door beiden een daartoe strekkende aanvraag ingediend, vergezeld van een aantal stukken. Op 11 september 2017 hebben eiseres en [echtgenoot] een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag ingediend. Op 5 oktober 2017 hebben beiden ook een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen in advocaatkosten.
3. Verweerder heeft bij brief van 21 september 2017 aan eiseres en [echtgenoot] gevraagd een groot aantal stukken uiterlijk op 29 september 2017 te overleggen. Naar aanleiding hiervan is door hen bij brief van 28 september 2017 gereageerd, waarbij zij een aantal stukken hebben overgelegd. Op 2 oktober 2017 heeft [echtgenoot] de boekhouding over 2016 en een deel van 2017 van de Stichting [naam Stichting 1] ingezonden. Op 7 november 2017 heeft eiseres telefonisch bij verweerder gemeld dat [echtgenoot] in voorlopige hechtenis is genomen. Bij brief van 11 november 2017 heeft verweerder wederom aan eiseres en [echtgenoot] gevraagd een groot aantal gegevens te overleggen, en wel uiterlijk op 17 november 2017. Op 17 november 2017 heeft eiseres ten kantore van verweerder ingelogd ten einde afschriften van haar bankrekening en die van [echtgenoot] te kunnen overleggen. Daarbij heeft zij tevens aangegeven dat op 7 november 2017 door de politie de computer in beslag is genomen.
4. Bij het primaire besluit I heeft verweerder vervolgens de aanvraag voor een bijstandsuitkering en voor bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen in advocaatkosten afgewezen. De door verweerder gevraagde gegevens zijn niet allemaal overgelegd. Deze gegevens zijn echter nodig om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Dit geldt ook voor de periode van voorlopige hechtenis van [echtgenoot] , die weliswaar gedurende deze periode geen recht op bijstand heeft, maar wiens inkomsten wel van belang zijn voor het kunnen bepalen van het recht op bijstand van eiseres in deze periode. Verder is uit de boekhouding van de Stichting [naam Stichting 1] gebleken dat [echtgenoot] op geld waardeerbare werkzaamheden voor deze stichting verricht. De aanvraag voor bijzondere bijstand heeft verweerder afgewezen omdat niet duidelijk is of er sprake is van onvoldoende middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.Tot slot heeft verweerder het ten onrechte uitbetaalde voorschot van €1.200,- teruggevorderd.
5. Bij het primaire besluit II heeft verweerder ook de aanvraag voor individuele inkomenstoeslag afgewezen. Verweerder heeft niet kunnen vaststellen of het inkomen van eiseres en [echtgenoot] de laatste vijf jaar niet hoger is geweest dan 100% van het voor hen geldende bijstandsuitkeringsbedrag. Verweerder heeft voorts vastgesteld dat beiden niet al het mogelijke hebben geprobeerd om met betaald werk een hoger inkomen te krijgen. Verder hebben eiseres en [echtgenoot] volgens verweerder niet voldoende aangetoond dat zij hun best hebben gedaan om met betaald werk een beter inkomen te krijgen en tot slot is verweerder er naar aanleiding van de ingeleverde gegevens niet van overtuigd dat er geen uitzicht is op een hoger inkomen.
6. Bij uitspraak van 3 januari 2018, zaaknummer AWB/ROE 17/4020, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eiseres en [echtgenoot] om een voorlopige voorziening toegekend, en wel in die zin dat aan eiseres met ingang van 19 december 2017 tot zes weken na de beslissing op het bezwaar tegen het primaire besluit I voorschotten ter hoogte van de voor haar toepasselijke bijstandsnorm dienen te worden verstrekt.
7. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de door eiseres en [echtgenoot] tegen het primaire besluit I gemaakte bezwaar, op grond van het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 20 april 2018, ongegrond verklaard. Volgens verweerder zijn de gegevens die zijn opgevraagd en niet zijn overgelegd van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Dit geldt niet alleen voor de aanvraag van eiseres en [echtgenoot] gezamenlijk, maar ook voor de situatie vanaf 7 november 2017, omdat [echtgenoot] vanaf dan als een niet-rechthebbende partner heeft te gelden. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het niet overleggen van de gevraagde gegevens eiseres en [echtgenoot] verweten kan worden.
8. Bij bestreden besluit II heeft verweerder de door eiseres en [echtgenoot] tegen het primaire besluit II gemaakte bezwaar, op grond van het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 20 april 2018, ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de aanvraag voor individuele inkomenstoeslag als peildatum
9. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De door haar daarbij aangevoerde beroepsgronden zullen in het navolgende – voor zover relevant – aan de orde komen.
10. Alvorens inhoudelijk op de bestreden besluiten in te gaan, overweegt de rechtbank allereerst ten aanzien van het standpunt van verweerder dat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk is, het volgende.Verweerder heeft voornoemd standpunt gebaseerd op de stelling dat eiseres de beroepsgronden tegen het bestreden besluit II niet (tijdig) heeft ingediend. In dit kader is relevant dat eiseres bij brief van 29 april 2018 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit I. Behalve dit besluit was bij het beroepschrift ook een afschrift van het bestreden besluit II gevoegd. Dit was voor de rechtbank reden om de gemachtigde van eiseres bij brief van 7 mei 2018 te vragen of het beroep zich ook richtte tegen het bestreden besluit II. Hierop heeft de gemachtigde van eiseres bevestigend geantwoord. Afgezien van de vraag of de gronden zoals vervat in het beroepschrift van 29 april 2018 niet ook betrekking hebben op het bestreden besluit II, is naar het oordeel van de rechtbank voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit II alleen al geen plaats, nu eiseres niet, zoals artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht vereist, een hersteltermijn is gegeven.
11. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van melding om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 25 augustus 2017 tot en met 23 november 2017. Daarbij geldt dat vanaf 7 november 2017 [echtgenoot] aangemerkt moet worden als niet-rechthebbende partner van eiseres.
12. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand, indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3083).
13. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de afwijzing van de bijstandsaanvraag gehandhaafd, omdat door eiseres en [echtgenoot] een groot aantal stukken, die volgens verweerder noodzakelijk waren om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, niet zijn overgelegd. Tijdens de zitting van 11 september 2018 is gebleken dat door eiseres en [echtgenoot] , wiens voorlopige hechtenis op 22 mei 2018 was opgeheven, inmiddels een deel van deze ontbrekende stukken bij verweerder is ingediend. Dit is gebeurd in het kader van opvolgende aanvragen om bijstand, afkomstig van eiseres alleen of samen met [echtgenoot] . Dit was voor de rechtbank aanleiding verweerder te verzoeken deze stukken alsnog te overleggen, hetgeen is geschied. Vervolgens is verweerder door de rechtbank bij brief van
14. Ter zitting van de rechtbank op 18 maart 2019 is de vertegenwoordiger van verweerder gedeeltelijk teruggekomen op dit standpunt. Zij heeft aangegeven dat met betrekking tot de Stichting [naam stichting 2] en de Stichting [naam stichting 3] geen financiële gegevens meer hoeven te worden overgelegd en ook geen beschrijving van de werkzaamheden voor deze stichtingen hoeft te worden gegeven, aangezien deze gegevens niet relevant zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand.
15. Met betrekking tot het ontbreken van een beschrijving van de werkzaamheden voor de Stichting [naam Stichting 1] overweegt de rechtbank - op basis van de gedingstukken - het volgende. De Stichting [naam Stichting 1] is in 2011 door [echtgenoot] opgericht en heeft ten doel om ouders van baby’s in Marokko te voorzien van al hetgeen ze nodig hebben voor de verzorging van hun baby’s en alle verdere handelingen te verrichten die daarmee verband houden. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door het inzamelen van goederen en het uitgeven van die goederen in Marokko. [echtgenoot] is voorzitter en 2e penningmeester van de stichting. Hoewel zijn broer bij de Kamer van Koophandel te boek staat als secretaris en penningmeester, hebben zowel [echtgenoot] als zijn broer verklaard dat deze laatste een slapende rol bij de Stichting [naam Stichting 1] vervult. Door eiseres is bij verklaring van 4 juni 2018 aangegeven dat zij geen rol vervult bij de Stichting [naam Stichting 1] . Bij diezelfde verklaring is door [echtgenoot] vermeld dat zijn rol bij de Stichting [naam Stichting 1] onveranderd is, zoals hij die bij de aanvraag om bijstand in 2012 heeft doorgegeven. In zijn verklaring van 17 december 2018 heeft [echtgenoot] ten aanzien van de Stichting [naam Stichting 1] vermeld dat het posten van berichten via sociale media door derden wordt gedaan. Ten aanzien van het uitvoeren van projecten heeft [echtgenoot] opgemerkt dat dit óf door derde partijen - bedoeld wordt stichtingen in het buitenland - óf door hem werd gedaan. In het laatste geval vonden de werkzaamheden in het buitenland plaats en hiervoor zijn vakantiedagen opgenomen. In de verklaring van 17 december 2018 heeft [echtgenoot] met betrekking tot de webshops [webshop 1] en [webshop 1] vermeld waaruit de werkzaamheden voor deze webshops bestaan. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat geen duidelijkheid is verschaft over de werkzaamheden van eiseres en [echtgenoot] voor de Stichting [naam Stichting 1] .
16. Met betrekking tot de werkzaamheden voor de Stichting [naam Stichting 1] heeft verweerder zich verder op het standpunt gesteld dat deze werkzaamheden in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. [echtgenoot] had hiervoor loon kunnen bedingen. Bovendien kunnen eiseres en [echtgenoot] met de inkomsten uit de webshops [webshop 1] en [webshop 1] in hun levensonderhoud voorzien. Deze inkomsten kunnen namelijk aan eiseres en [echtgenoot] worden toegerekend.
17. Zoals uit de statuten blijkt heeft de Stichting [naam Stichting 1] een ideëel doel. Wat de werkzaamheden van [echtgenoot] voor de Stichting [naam Stichting 1] volgens hem inhouden is weergegeven onder 15. Verweerder heeft niet onderbouwd dat hetgeen door [echtgenoot] daaromtrent is gesteld niet juist zou zijn. De enkele verwijzing door verweerder naar de verruiming van de doelstelling van de Stichting [naam Stichting 1] ten opzichte van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, is onvoldoende, omdat deze verruimde taakopvatting niet afdoet aan de beschrijving van de feitelijke werkzaamheden in de verklaring van 17 december 2018. Van belang in dit verband is dat eiseres heeft gesteld dat verweerder in 2012 bij de aanvang van hun bijstandsuitkering toestemming heeft verleend voor het verrichten van de vrijwilligerswerkzaamheden door [echtgenoot] voor de Stichting [naam Stichting 1] en hij deze activiteiten voor de Stichting [naam Stichting 1] gedurende de gehele bijstandsperiode heeft voortgezet. Verweerder heeft dit niet weersproken. Daarbovenop komt dat het in casu een aanvraag om een bijstandsuitkering betreft, waarbij het erom gaat of betrokkenen in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Daarvoor is niet van belang of in het verleden voor werkzaamheden loon had kunnen worden bedongen. Indien verweerder van mening is dat de vrijwilligerswerkzaamheden [echtgenoot] belemmeren bij zijn terugkeer op de arbeidsmarkt, dan kan daaraan paal en perk worden gesteld, maar kan dit geen reden zijn om een bijstandsuitkering te weigeren.
18. Met betrekking tot de twee webshops deelt de rechtbank het standpunt van verweerder niet. Het is juist dat in de inschrijving van de Stichting [naam Stichting 1] bij de Kamer van Koophandel de webshops niet zijn vermeld. In de statuten van de stichting worden zij weliswaar ook niet met name genoemd, maar daarin staat wel dat het vermogen van de stichting zal worden gevormd door o.a. “alle andere verkrijgingen en baten” (artikel 3). Hiertoe kunnen de inkomsten uit de webshops worden gerekend. De rechtbank acht echter met name van belang dat op de site van de webshop [webshop 1] – zoals verweerder zelf heeft aangegeven – staat vermeld dat [webshop 1] onderdeel is van de Stichting [naam Stichting 1] en is opgezet om de stichting te ondersteunen in haar administratieve en transportkosten. Ook de twee betaalrekeningen zijn gekoppeld aan de e-mailadressen van de Stichting [naam Stichting 1] en de inkomsten worden naar een rekening van de Stichting [naam Stichting 1] overgemaakt. In de boekhouding van de Stichting [naam Stichting 1] worden de inkomsten verantwoord. De rechtbank heeft geen aanleiding om ten aanzien van de webshop [webshop 1] , die sinds het najaar van 2017 inactief is, niet van hetzelfde uit gaan. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de inkomsten uit de twee webshops niet aan eiseres en [echtgenoot] kunnen worden toegerekend.
19. Met betrekking tot de Stichting [naam Stichting 1] heeft verweerder zich verder op het standpunt gesteld dat de overgelegde boekhouding ondeugdelijk is. Dit is voor het recht op bijstand van belang, nu [echtgenoot] gelet op zijn rol bij de stichting over grote sommen contant geld kon beschikken. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op de bevindingen van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) van 29 januari 2019. Volgens verweerder voldoet de boekhouding niet aan de wettelijke eisen. Een deugdelijke balans en staat van baten en lasten ontbreken, evenals een grootboekhistorie en een kasboek. Dit heeft volgens verweerder tot gevolg dat ook de besteding van de in januari 2017 contant opgenomen €52.000,- niet is verantwoord. Eiseres daarentegen bestrijdt dat de boekhouding niet aan de wettelijke eisen zou voldoen en is van mening dat nauwkeurig is aangegeven wat er precies met de €52.000,- is gebeurd.
20. De rechtbank stelt voorop dat verweerder - gelet op de rol van [echtgenoot] bij de stichting - terecht de boekhouding en de afschriften van de bankrekeningen over 2017 van de Stichting [naam Stichting 1] heeft opgevraagd ten einde te onderzoeken of er sprake is van verstrengeling tussen de gelden van [echtgenoot] en de stichting. Met betrekking tot het onderzoek van het IMK is de rechtbank met eiseres van oordeel dat een manco van dit onderzoek is dat in het kader van dit onderzoek wel overleg met (een) vertegenwoordiger(s) van verweerder heeft plaats gevonden, maar dat niet met [echtgenoot] , de opsteller van de boekhouding, is gecommuniceerd. Dat had tot opheldering kunnen leiden. Deze onzorgvuldigheid is verweerder aan te rekenen en betekent dat verweerder zich niet zonder meer op de bevindingen van het IMK kan baseren. Na kennisname van de boekhouding is de rechtbank van oordeel dat verweerder in staat moet worden geacht om aan de hand van die boekhouding en de bankafschriften een controle uit te oefenen op de geldstromen naar en van de Stichting [naam Stichting 1] . Dat dit tijdrovender zal zijn dan in geval er stukken, zoals door verweerder genoemd, voorhanden zijn, doet daaraan niet af, te minder nu verweerder geen pogingen heeft ondernomen met [echtgenoot] in gesprek te gaan en op deze wijze wellicht efficiënter te werk had kunnen gaan. Kern is dat, naar het oordeel van de rechtbank, de overgelegde stukken concreet en verifieerbaar zijn, nu [echtgenoot] ook heeft gesteld dat van alle aankopen facturen en van alle donaties kwitanties beschikbaar zijn. De rechtbank vindt voor dit oordeel in de eerste plaats steun in de stukken van het Openbaar Ministerie die door verweerder in het geding zijn gebracht. Hierbij bevindt zich een proces-verbaal nr. 1236, waarin de bevindingen zijn opgenomen inzake een onderzoek van de boekhouding van de Stichting [naam Stichting 1] van 2012 tot en met een klein gedeelte van 2017. Daaruit blijkt niet dat het niet mogelijk is deze boekhouding te controleren. Verder is door eiseres een afschrift van een brief van 5 januari 2017 van de Belastingdienst overgelegd over een onderzoek van de boekhouding van de Stichting [naam Stichting 1] over 2012 tot en met 2015. Ook hieruit blijkt niet dat de boekhouding van de Stichting [naam Stichting 1] niet valt te controleren.
21. Verweerder betwist meer specifiek met betrekking tot de boekhouding van de Stichting [naam Stichting 1] over 2017 dat [echtgenoot] de op 28 januari 2017 door zijn broer opgenomen €52.000,- voldoende heeft verantwoord. De rechtbank volgt verweerder hierin niet en overweegt dienaangaande als volgt. Niet meer in geschil is dat [echtgenoot] de beschikking heeft gekregen over de €52.000,- en door het overgelegde bewijs van aangifte bij de douane is tevens aannemelijk gemaakt dat [echtgenoot] dit bedrag de grens mee heeft overgenomen. Eiseres heeft gesteld dat met een deel van de €52.000,- in Turkije en Marokko hulpgoederen zijn gekocht. In dat kader zijn facturen overgelegd. Een van de facturen heeft een datum die ligt vóór de datum van het bewijs van het omwisselen van euro’s in Turkse lira, waarvoor [echtgenoot] een verklaring heeft gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding deze verklaring niet te volgen. Dat de boeking boekhoudkundig niet correct zou zijn, zoals ter zitting namens verweerder is betoogd, betekent niet dat de boeking materieel gezien onjuist zou zijn en dat de verklaring van [echtgenoot] om die reden onvoldoende is. De rechtbank acht ook het feit dat op de facturen niet staat vermeld dat ze contant zijn betaald, niet van dien aard dat dit ongeloofwaardig moet worden geacht. Dat tussen de opname van de €52.000,- eind januari 2017 en de twee facturen uit Marokko van juni en augustus 2017, geruime tijd is verstreken, acht de rechtbank evenmin een reden om deze facturen niet aan dit bedrag toe te rekenen. Dat geldt eveneens voor de diverse stortingen van contante bedragen in mei, september, oktober en november 2017, waarmee een deel van hetgeen nog resteerde van de €52.000,- is teruggestort op de rekening van de Stichting [naam Stichting 1] . [echtgenoot] heeft aan de hand van de boekhouding over 2017 uiteengezet welke contanten vanaf 1 januari 2017 in kas waren en welke inkomsten, uitgaven en stortingen in dat jaar zijn gedaan (zie bijlage 11 bij de brief van 11 januari 2019 van de gemachtigde van eiseres). Voor het feit dat hieruit blijkt dat in 2017 grote sommen contant geld in de kas van de Stichting [naam Stichting 1] zaten, waarover [echtgenoot] de beschikking had, heeft [echtgenoot] als verklaring gegeven dat op deze wijze inbeslagname door de politie, zoals eerder heeft plaatsevonden, is beoogd te voorkomen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen om aan de door [echtgenoot] gegeven uiteenzetting geen geloof te hechten. De omstandigheid dat [echtgenoot] achteraf deze uiteenzetting heeft opgesteld, hetgeen verweerder daartegen heeft aangevoerd, acht rechtbank onvoldoende om deze terzijde te schuiven, nu zij kan worden gecontroleerd aan de hand van de boekhouding.
22. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de betrokkenheid van [echtgenoot] bij de Stichting [naam Stichting 1] en de werkzaamheden die [echtgenoot] voor deze stichting in 2017 heeft verricht niet maken dat het recht op bijstand in de periode in geding niet kan worden vastgesteld. Uit de gedingstukken blijkt niet dat er sprake is van een verstrengeling tussen het vermogen van [echtgenoot] en het vermogen / de inkomsten van de Stichting [naam Stichting 1] dan wel dat gelden van de Stichting [naam Stichting 1] worden gebruikt voor het levensonderhoud van eiseres en [echtgenoot] . Tevens kan niet worden gesteld dat zij vanwege deze werkzaamheden in deze periode geen recht op bijstand hebben. Dit geldt zowel ten aanzien van het recht op algemene bijstand als ten aanzien van het recht op bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen in advocaatkosten. Dit betekent dat het bestreden besluit I niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en wel in die zin dat verweerder wordt opgedragen aan eiseres en [echtgenoot] tezamen over de periode van 25 augustus 2017 tot 7 november 2017 bijstand te verlenen naar de voor hen geldende bijstandsnorm, aan eiseres alleen bijstand te verlenen vanaf 7 november 2017 naar de voor haar geldende bijstandsnorm alsmede aan eiseres en [echtgenoot] tezamen bijzondere bijstand te verlenen voor driemaal de eigen bijdrage in advocaatkosten, te weten 3 x €143,- = €429,-.
23. Het bovenstaande heeft eveneens tot gevolg dat het bestreden besluit II niet in stand kan blijven. Anders dan in dit besluit wordt gesteld bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid inzake de financiële situatie van eiseres en [echtgenoot] in de referteperiode en met name niet in de periode van 14 augustus 2017 tot en met 11 september 2017. De rechtbank ziet in dit geval echter geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Dit houdt verband met het feit dat in het primaire besluit II nog andere afwijzingsgronden voor de aanvraag voor individuele inkomenstoeslag worden genoemd dan de onduidelijke financiële situatie. De discussie in beroep richtte zich niet tegen deze andere gronden. Niet kan worden uitgesloten dat (een van) deze gronden - na een deugdelijke onderbouwing - de afwijzing (kan) kunnen dragen. Dit betekent dat volstaan wordt met verweerder op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
24. Omdat de beroepen gegrond zijn, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.
25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €2.304,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van €512,- en een wegingsfactor 1). Hierbij zijn beide zaken conform artikel 3, eerste lid, van Besluit proceskosten bestuursrecht voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting als samenhangende zaken aangemerkt.
11 september 2017 geldt. De referteperiode loopt dan van 11 september 2012 tot en met 10 september 2017. In de periode van 14 augustus 2017 tot en met 11 september 2017 hebben eiseres en [echtgenoot] geen bijstandsuitkering ontvangen. Hun inkomen is daarmee in die periode niet duidelijk. Daarnaast hebben beiden onvoldoende duidelijkheid verschaft over hun financiële situatie, zodat niet kan worden vastgesteld of hun inkomen gedurende de gehele referteperiode niet hoger is geweest dan 100% van de voor hen geldende bijstandsnorm. Het beroep op de afwijkingsbepaling, opgenomen in artikel 3 van de Beleidsregels individuele inkomenstoeslag 2018, kan volgens verweerder niet slagen.
Afwijzing aanvragen algemene bijstand en bijzondere bijstand

26 februari 2019 verzocht aan te geven welke gegevens nog ontbreken om het recht op bijstand in de periode in geding vast te kunnen stellen. Verweerder heeft bij brief van 6 maart 2019 geantwoord dat daartoe de volgende gegevens nog missen:
Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag

Proceskosten

-

boekhouding en bankafschriften van de Stichting [naam stichting 2] ;

boekhouding en bankafschriften van de Stichting [naam stichting 3] , en

beschrijvingen van de werkzaamheden voor de Stichting [naam stichting 2] , de Stichting [naam stichting 3] en de Stichting [naam Stichting 1] .

beslissing

Beslissing


De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzitter, en mr. F.A.G.M. Vluggen en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. M.J. Beckers, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.
griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 april 2019

-

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten I en II;

herroept het primaire besluit I, bepaalt dat verweerder aan eiseres en [echtgenoot] tezamen vanaf 25 augustus 2017 tot 7 november 2017 bijstand verleent naar de voor hen toepasselijke bijstandsnorm, aan eiseres alleen vanaf 7 november 2017 bijstand verleent naar de voor haar toepasselijke bijstandsnorm, aan eiseres en [echtgenoot] bijzondere bijstand toekent voor de eigen bijdragen in de advocaatkosten van €429,-, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I:

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit II;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van 2 x €46,- = €92,- aan eiseres dient te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €2.304,-.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.