Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:3370

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:3370, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 2190 - 18 _ 2191


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburguitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2019 in de zaak tussenPompestichting en Universiteit Maastricht, eiseressen
(gemachtigde: mr. E. Ljucevic),

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/2190 en AWB/ROE 18/2191

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo)

(gemachtigde: W. Lagerwaard).

ECLI:NL:RBLIM:2019:3370:DOC
nl

RECHTBANK limburguitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2019 in de zaak tussenPompestichting en Universiteit Maastricht, eiseressen
(gemachtigde: mr. E. Ljucevic),
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/2190 en AWB/ROE 18/2191

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo)

(gemachtigde: W. Lagerwaard).
procesverloop

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 27 maart 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) de uitkeringen voortgezet die [belanghebbende] (ex-werkneemster) ontvangt ingevolge de Ziektewet (ZW).

Bij separate besluiten van 6 augustus 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 13 maart 2019. Eiseressen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen

1. De ex-werkneemster was vanaf 1 september 2011 in dienst bij de Universiteit Maastricht als [functie 1] voor 7,59 uur per week. Vanaf 1 december 2015 was zij daarnaast in dienst bij de Pompestichting als [functie 2] voor 23,91 uur per week. Bij de Universiteit Maastricht heeft zij zich op 19 april 2017 ziekgemeld, waarna zij op 1 augustus 2017 ziek uit dienst is gegaan. Bij de Pompestichting heeft de ex-werkneemster zich eerder, op 4 april 2017, ziekgemeld. Bij laatstgenoemde werkgever is zij op 1 oktober 2017 ziek uit dienst gegaan. Ingevolge artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW is aan de ex-werkneemster voor beide dienstverbanden een ZW-uitkering toegekend, met ingang van de onderscheidenlijke data van uitdiensttreding.
2. In april 2018 heeft in het kader van de EZWB een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Blijkens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is de ex-werkneemster ongeschikt bevonden voor de maatgevende arbeid in beide functies en is op energetische en preventieve gronden een urenbeperking van toepassing geacht van 4 uur per dag en 20 uur per week. Bij de arbeidskundige beoordeling is vervolgens ten aanzien van de urenbeperking uitgegaan van een verdeling naar rato over de beide uitgeoefende functies als hiervoor genoemd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige de verdiencapaciteit vastgesteld als percentage van het maatmanloon en geconstateerd dat de verdiencapaciteit minder dan 65% van het maatmanloon is. Besloten is daarom dat de beide ZW-uitkeringen ongewijzigd worden voortgezet. In de bestreden besluiten heeft verweerder geen aanleiding gezien de medische urenbeperking per functie toe te passen. Dat zou in de ogen van verweerder namelijk in theorie hebben betekend dat de ex-werkneemster in staat zou worden geacht om 8 uur per dag en 40 uur per week te kunnen werken, waardoor de urenbeperking teniet zou zijn gedaan.
3. Volgens eiseressen had verweerder de beide ZW-rechten afzonderlijk moeten beoordelen. Eiseressen keren zich tegen de door verweerder toegepaste verdeelsleutel ten aanzien van de urenbeperking. Toepassing van de verdeelsleutel leidt er toe dat de ex-werkneemster bij de Universiteit Maastricht slechts één uur per dag belastbaar is en bij de Pompestichting drie uur per dag. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn er geen functies te duiden in het CBBS met een dergelijke urenomvang. Toepassing van de verdeelsleutel leidt voor eiseressen, die beiden eigenrisicodragende werkgevers zijn, tot een zeer onwenselijk resultaat, waarvoor bovendien een wettelijke grondslag ontbreekt. Daarnaast nemen eiseressen het standpunt in dat evenzeer een wettelijke grondslag ontbreekt voor het toepassen van een gecombineerde maatman. Hierbij betogen eiseressen dat zij de interne gedragslijn waarover verweerder spreekt in het verweerschrift van 16 oktober 2018 niet kennen en dat deze gedragslijn bovendien niet consequent wordt toegepast. In dat verband hebben zij zich beroepen op de recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:464). In de betreffende zaak, die op bepaalde punten vergelijkbaar is met de onderliggende zaak, is immers juist bewust géén gecombineerde maatman gehanteerd door verweerder.
4. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde het standpunt van verweerder als weergegeven in de bestreden besluiten nader toegelicht alsook gewijzigd. Zo was de toepassing van de verdeelsleutel door de arbeidsdeskundige enkel bedoeld om te illustreren dat (ook) per functie minder dan 65% van het vorig loon kan worden verdiend. Verder is er, anders dan verwoord in het hiervoor genoemde verweerschrift van 16 oktober 2018, geen sprake van een interne gedragslijn. Ten aanzien van de verwijzing door eiseressen naar de uitspraak van de CRvB van 13 februari 2019 heeft verweerders gemachtigde ter zitting tot slot naar voren gebracht dat het in die zaak door verweerder ingenomen standpunt, dat artikel 19aa van de ZW aan het toepassen van een gecombineerde maatman in de weg staat, onjuist is geweest. Er is juist wel aanleiding om een gecombineerde maatman toe te passen, aldus verweerders gemachtigde.
5. Voor de beoordeling geldt het volgende toetsingskader.
6. Op grond van artikel 19 van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. In afwijking van dat artikel heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, op grond van artikel 19aa van de ZW nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
7. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. In dit geval is sprake van samenloop van ziektegevallen. Ten aanzien van beide hiervoor genoemde functies moet immers een EZWB plaatsvinden. Verweerder heeft in het nadere verweerschrift van 7 maart 2019 en ter zitting toegelicht hoe in een dergelijke situatie de beoordeling gebeurt. Eerst moet worden beoordeeld of de ex-werkneemster geschikt was voor ‘haar arbeid’ als bedoeld in artikel 19 van de ZW. Die beoordeling moet voor beide functies afzonderlijk plaatsvinden. Als sprake is van ongeschiktheid voor ‘haar arbeid’, moet vervolgens worden beoordeeld of de ex-werkneemster met ‘maatgevende arbeid’ meer dan 65% van haar oude loon kan verdienen. De laatste beoordeling is een theoretische beoordeling. Bij laatstgenoemde beoordeling wordt aangesloten bij de systematiek van de WIA-beoordeling en daarom als maatgevende arbeid de combinatie van beide functies gehanteerd. In het geval van de ex-werkneemster is zij voor beide functies niet geschikt bevonden vanwege een urenbeperking. Wel kan zij met ‘maatgevende arbeid’ meer dan 65% van haar oude loon kan verdienen, aldus verweerder.
10. De rechtbank kan zich vinden in de - getrapte - wijze waarop de verdiencapaciteit in het onderhavige geval dient te worden berekend. Hoewel in artikel 19aa van de ZW niet staat hoe de theoretische beoordeling dient plaats te vinden bij de EZWB, blijkt uit de Memorie van Toelichting behorende bij de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet BeZaVa), waarmee de artikelen 19aa (en 19ab) in de ZW zijn geïntroduceerd, dat voor de beoordelingssystematiek zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de (uitvoerings)systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In zijn uitspraak van 30 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4920) heeft de CRvB deze werkwijze gesanctioneerd. Voorts blijkt uit deze uitspraak tevens dat bij de beoordeling zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande terminologie van de Wet WIA (zoals daar ook de term ‘maatstaf’ wordt gehanteerd als synoniem voor ‘zijn arbeid’) en dat de bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van toepassing zijn. Nu naar vaste rechtspraak verder in het kader van de Wet WIA als uitgangspunt geldt dat, indien een verzekerde voor uitval twee functies naast elkaar vervulde, de maatman een combinatie van beide functies is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:789), ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseressen te volgen in hun standpunt dat van een verkeerde maatman is uitgegaan bij de theoretische beoordeling in het kader van de EZWB. De rechtbank verwijst verder nog naar de uitspraken van de CRvB van 2 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2357) en van 4 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:789). De verwijzing door eiseressen naar de uitspraak van de CRvB van 13 februari 2019 doet hieraan niet af. De CRvB heeft in deze uitspraak immers geen oordeel gegeven over de inhoudelijke vraag, die speelde in die procedure.
11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht de ZW-uitkeringen van de ex-werkneemster ongewijzigd heeft voortgezet.
12. Nu verweerder pas in het verweerschrift van 8 maart 2019 en ter zitting zijn definitieve standpunt heeft ingenomen over de wijze waarop in het onderhavige geval de maatmanberekening dient plaats te vinden, ziet de rechtbank wel met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht aanleiding om verweerder te veroordelen tot het betalen van het griffierecht van tweemaal € 338,- en de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van één gelijkluidend beroepschrift in beide beroepen, 1 punt voor het namens eiseressen verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
- verklaart de beroepen ongegrond;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van twee maal € 338,- aan ieder van eiseressen te vergoeden;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.024,-.
Beslissing
De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzitter, en mr. M.M.T. Coenegracht en mr. M.A.H. Span-Henkens, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffierDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 april 2019

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.