Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:2190

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 11-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:2190, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 03/661014-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/661014-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,wonende te [adresgegevens verdachte] ,
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.G.J. Geerlings, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

ECLI:NL:RBLIM:2019:2190:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/661014-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 maart 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,wonende te [adresgegevens verdachte] ,
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.G.J. Geerlings, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1:

Feit 2:

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daarbij acht geslagen op hetgeen de moeder van [slachtoffer 2] , [naam moeder] , heeft verklaard bij de politie alsmede op de bekennende verklaring van de verdachte in het voorbereidend onderzoek en ter terechtzitting.
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak. Zij acht de verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende consistent en consequent om tot het bewijs te kunnen bezigen. Bij gebrek aan ander bewijs en gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte is niet voldaan aan het bewijsminimum, zodat vrijspraak moet volgen.

3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte deelt het standpunt van de officier van justitie zowel ten aanzien van feit 1 als ten aanzien van feit 2.
3.3
Het oordeel van de rechtbank

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2019;- de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 2] van 11 en 15 oktober 2017.
Uitgegaan wordt van de volgende vaststaande feiten.

Verdachte was op 9 oktober 2017 aangesteld als toezichthouder en hulp bij de zwemvierdaagse die werd gehouden in zwembad [naam zwembad] in Venray. Hij hield toezicht bij met name de eerste twee banen van dat zwembad, waar de deelnemers van de zwemvierdaagse de afstand van 250 meter aflegden. Verdachte heeft die dag zijn (zwem)broek naar voren getrokken, zijn geslachtsdeel eruit gehaald en laten zien aan voorbijzwemmende jeugd. Op dat moment zwommen 2 jonge meisjes in de 250 meterbaan. Verdachte dacht dat de meisjes 12 tot 14 jaar oud – en dus jonger dan 16 jaar - waren.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen. In de handeling van de verdachte, het naar voren trekken van zijn (zwem)broek met binnenbroek en onderbroek en het tonen van zijn geslachtsdeel, ligt besloten dat verdachte opzettelijk handelde. Daarmee heeft hij zijn geslachtsdeel laten zien aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar in het zwembad [naam zwembad] .

Voor het overige zal de rechtbank ten aanzien van dit tenlastegelegde feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het tenlastegelegde ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

De rechtbank acht de tenlastegelegde schennis van de eerbaarheid wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

Feit 1: ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1]

Bij de beoordeling van feit 1 stelt de rechtbank voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Daarnaast geldt dat een tot het bewijs gebezigde verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn.
In zijn algemeenheid geldt dat de vraag of er voldoende steunbewijs aanwezig is als de bewezenverklaring zwaar leunt op de verklaring van één getuige, zoals vaak het geval is bij zedendelicten, afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn daarvoor enige regels in de jurisprudentie geformuleerd. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staat met de inhoud van de verklaring van die getuige. Duidelijk is in ieder geval dat het steunbewijs in beginsel niet afkomstig mag zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat haar of hem is overkomen. Een dergelijke de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt (bijvoorbeeld de seksuele handelingen) bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis kunnen spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. Het is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen. Ook is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit bevestigt.

De juistheid van de kern van de tenlastelegging mag - met andere woorden - niet alleen uit de betrouwbaar bevonden verklaring van een slachtoffer volgen, maar moet óók gesteund worden door ander bewijsmateriaal, dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron dan het slachtoffer zelf.

Toegepast op de onderhavige zaak overweegt de rechtbank het volgende.

De verdenking ten aanzien van feit 1 is gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) die destijds 6 jaar oud was. Zij heeft aanvankelijk tegen haar moeder verteld wat er in het zwembad zou zijn gebeurd. Haar moeder heeft hetgeen zij van [slachtoffer 1] had gehoord verteld bij de politie. De verklaring van moeder is dus een verklaring van horen zeggen. Twee weken later is [slachtoffer 1] door een gecertificeerde zedenrechercheur verhoord in een speciale studio.

Anders dan de officier van justitie, oordeelt de rechtbank dat aan de verklaring van een zesjarig kind zoals [slachtoffer 1] niet de eis kan worden gesteld dat haar verklaringen volledig consistent en consequent moeten zijn om te kunnen worden gebezigd tot het bewijs. Toch komt ook de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] niet voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat deze op belangrijke onderdelen afwijkt van hetgeen haar moeder heeft verteld. Zo zou [slachtoffer 1] meteen na afloop van de eerste dag van de zwemvierdaagse nog in het kleedhokje hebben verteld dat de verdachte “aan haar spleetje” had gezeten, dat dit één keer gebeurd was en liet zij zien dat de hand van de verdachte aan de rechterzijde in haar badpak zou zijn gegaan. Moeder heeft verder verklaard dat [slachtoffer 1] in het kleedhokje ook vertelde dat ze “de piellie” van de verdachte had gevoeld. De dag na de vierdaagse zou [slachtoffer 1] in bijzijn van [naam 1] vertelt hebben dat ze “zijn piellie” ook had gezien. In het studioverhoor twee weken later, verklaarde [slachtoffer 1] dat de verdachte haar had betast via de linkerzijde van haar badpak, dat dit drie keer gebeurd was en dat zij het in de auto op de terugweg van het zwembad aan haar moeder had verteld. In datzelfde verhoor verklaart [slachtoffer 1] later nog dat zij het thuis pas, voordat zij naar bed ging, aan haar moeder zou hebben verteld. In het studioverhoor verklaart [slachtoffer 1] dat de verdachte met zijn hand zijn “piellie” uit de broek gehaald had en dat zij er toen op zat. Deze niet goed met elkaar te verenigen verklaringen leiden tot de conclusie dat de rechtbank twijfelt aan de verklaring van [slachtoffer 1] en daarmee die verklaring onvoldoende betrouwbaar acht om als bewijs aan te merken. Daarmee komt de rechtbank ook niet meer toe aan de vraag of de verklaring(en) die de moeder van [slachtoffer 1] heeft afgelegd kan of kunnen dienen als steunbewijs.

Met de officier van justitie en de raadsman komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte bij gebrek aan enig ander bewijs van feit 1 moet worden vrijgesproken.

3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte
op 9 oktober 2017 in de gemeente Venray zich opzettelijk oneerbaar op een openbare plaats, toegankelijk voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, te weten in zwembad [naam zwembad] , met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
schennis van de eerbaarheid op een andere dan de in artikel 239 onder 1◦ van het Wetboek van Strafrecht bedoelde openbare plaats, toegankelijk voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 30 uren, waarvan 15 uren voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel verbindt de officier van justitie geen bijzondere voorwaarden. Zij is van mening dat de behandeling die de verdachte thans volgt voldoende moet zijn om hem op het rechte pad te houden.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de strafeis van de officier van justitie. De verdachte heeft te kennen gegeven moeite te hebben met de duur van de gevorderde proeftijd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft op 9 oktober 2017 zijn geslachtsdeel uit zijn broek gehaald en laten zien aan jonge kinderen in het zwembad. Dat deed hij terwijl hij toezichthouder in het zwembad was. In die hoedanigheid had hij een grote verantwoordelijkheid voor het wel en wee van de zwemmers. Bij de uitoefening van die bijzondere taak stelden de ouders van de kinderen die deelnamen aan de zwemvierdaagse vertrouwen in de verdachte. Van de verdachte mocht worden verwacht dat hij zich zou gedragen zoals van een toezichthouder wordt verwacht en niet onverhoeds en ongewenst jonge kinderen confronteert met zijn geslachtsdeel. Daarmee heeft hij ook het vertrouwen dat de ouders in hem stelden, beschaamd. Op dat moment heeft verdachte zich onvoldoende gerealiseerd wat de gevolgen van zijn daad voor jonge kinderen zou kunnen betekenen.

Gelet op de specifieke omstandigheden van onderhavig geval én de toezichthoudende taak van verdachte, is een geldboete naar het oordeel van de rechtbank geen passende straf.De door de officier van justitie voorgestelde taakstraf komt wel in aanmerking.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met het eenmalige karakter en de korte duur van het gepleegde feit (5 tot 10 seconden). Uit het reclasseringsadvies van 21 januari 2019 blijkt dat een gevaar op herhaling als laag wordt ingeschat. Verder weegt de rechtbank mee dat deze strafzaak ook voor de verdachte grote gevolgen heeft gehad. Het leven van verdachte is op alle terreinen ingrijpend veranderd. Het gevoel van schaamte was en is groot. Verdachte realiseert zich dat zijn handelen fout was en heeft daarvoor ter terechtzitting zijn excuses aangeboden.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren, waarvan 15 uren voorwaardelijk, de passende straf voor het door verdachte gepleegde feit. Zij zal daaraan een proeftijd van twee jaar verbinden. De rechtbank gaat niet mee met de eis van de officier van justitie om aan het voorwaardelijk deel van deze taakstraf een proeftijd van vijf jaren te verbinden. Nu geen bijzondere voorwaarden zijn gevraagd, omdat verdachte al zelf een hulpverlenerstraject volgt, heeft de proeftijd alleen tot doel het voorkomen van herhaling. Gelet op het eenmalig karakter van het bewezenverklaarde en de inschatting van de reclassering, vindt de rechtbank een proeftijd van twee jaar voldoende.

7

7.1
De vordering van de benadeelde partij

Namens [slachtoffer 1] is een schadevergoeding van € 994,12 gevorderd, waarvan € 850,00 aan immateriële schade en € 144,12 aan materiële schade. Verder is namens haar de wettelijke rente over dit bedrag en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Namens [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) is een immateriële schadevergoeding van € 850,00 gevorderd.

7.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht geen van beide vorderingen toewijsbaar.
7.3
Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De vordering van [slachtoffer 2] moet als zijnde onvoldoende onderbouwd en onvoldoende rechtstreeks gevolg van het door de verdachte bekende feit worden afgewezen, aldus de raadsman.
7.4
Het oordeel van de rechtbank

Op basis van artikel 361, tweede lid, onder b Sv is een benadeelde partij enkel ontvankelijk in zijn vordering indien hem rechtstreeks schade is toegebracht door het feit waarvoor de verdachte schuldig en strafbaar is.
De verdachte wordt vrijgesproken van feit 1. De vordering van [slachtoffer 1] is op dat feit gebaseerd. Er is dus niet voldaan aan het bepaalde in artikel 361, tweede lid, onder b Sv, zodat de rechtbank haar niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering.

De rechtbank veroordeelt verdachte wel voor feit 2. De vordering van [slachtoffer 2] ziet op dit feit.

Er is ten aanzien van de gevorderde (immateriële) schadevergoeding echter niet voldaan aan het in artikel 6:106 lid 1 onder b BW genoemde vereiste dat sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze.

Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van de persoon op andere wijze is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Een ‘enkel psychisch onbehagen’ of een zich gekwetst voelen is niet genoeg. De benadeelde zal ‘voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld’. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan worden aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Dat in dit geval aan de vereisten voor toekenning van immateriële schade is voldaan, is onvoldoende gesteld en ook overigens niet gebleken, zodat de rechtbank de vordering van [slachtoffer 2] als onvoldoende onderbouwd afwijst.

Aangezien de vorderingen van de benadeelde partijen niet worden toegewezen, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van deze civiele vorderingen. De rechtbank stelt deze kosten daarom vast op nihil.

8

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 239 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Benadeelde partijen

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Driever, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. C. Wapenaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2019.

Buiten staat

Mr. M. Driever is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 9 oktober 2017 in de gemeente Venray, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende hij, verdachte,

hij op of omstreeks 9 oktober 2017 in de gemeente Venray zich opzettelijk oneerbaar op een openbare plaats, toegankelijk voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, te weten in zwembad [naam zwembad] , met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

1.
- de vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of aangeraakt en/of- zijn penis (deels) uit zijn broek gehaald en/of- die [slachtoffer 1] op zijn schoot gezet en/of- met zijn (deels ontblote) penis tegen de billen van die [slachtoffer 1] geduwd;
2.
-

verklaart het onder 2 tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

-

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

-

veroordeelt de verdachte voor feit 2 tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, waarvan 15 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;

-

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] , niet-ontvankelijk;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats] , af;

veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.

_91dc79ef-10c6-46df-81ba-6e1ad563388a
1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Dienst Regionale Recherche, Team Zeden, proces-verbaalnummer 2017-163960, gesloten d.d. 28 november 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 61.

_8f849c86-5655-4abe-9b86-ed40d24c10d3
2

Proces-verbaal aangifte [naam 2] , pagina 37.

_12188216-9db3-4052-9816-de7a9d6fffa5
3

Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 18.

_fc8382ac-fce9-41ee-a4f5-e5a3bab61e72
4

Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 18.

_1f7a8d21-e3b6-4426-b601-8044e288dc12
5

Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 18.

_870dd53b-2934-4f9a-82c0-cc8bdb581d24
6

Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 18.

_3cbb1519-6cf9-4c29-a239-21c552856760
7

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2019.

_ecb138e6-84a1-437a-9517-993e41f028a1
8

Proces-verbaal van bevindingen, pagina 52-53 en proces-verbaal van aangifte, pagina 56-58 en 60.

_e38fbc28-f20f-4e6d-8c60-ac8ca9508eb2
9

Zie samenvatting van de jurisprudentie met verwijzingen in r.o. 3.6 en 3.7 van ECLI:NL:PHR:2018:1235.

_0db4a5ed-91ae-4265-920e-6c061df055c9
10

Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, JA 2012, 147 m.nt. Lindenbergh.

_014d5bcc-befc-49ef-9a14-c73274aa7a69
11

Hoge Raad 9 mei 2003, NJ 2005, 168, m.nt. W.D.H. Asser.