Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:1314

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:1314, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB-18_889 + AWB -18_908 + AWB-18_909 + AWB-18_910 + AWB-18_911 + AWB-18_934 + AWB-18_935 + AWB-18_937 + AWB-18_938


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/889, 18/908, 18/909, 18/910, 18/911, 18/934, 18/935, 18/937 en 18/938.

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2019 in de zaken tussen

ECLI:NL:RBLIM:2019:1314:DOC
nl

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/889, 18/908, 18/909, 18/910, 18/911, 18/934, 18/935, 18/937 en 18/938.

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2019 in de zaken tussen

1

(gemachtigden: mr. R.A.M. Verkoijen),
2. [eisers 2]

(gemachtigde: mr. R.A. van Helvoirt),
3

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),
4

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),
5

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),
6. [eisers 6]

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld),
7

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld),
8. [eisers 8]

(AWB 18/937),(gemachtigde: mr. R.T. Kirpestein),
9

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld),
1. Vergunninghoudster heeft op 14 maart 2017, aangevuld in juli en oktober 2017, een aanvraag om ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend bij Gedeputeerde Staten van Limburg (hierna: GS) voor de bouw en het in werking hebben van een windpark van vijf windturbines ten noorden van de Haambergweg ter plaatse van de Egchelse Heide in de gemeente Peel en Maas. Bij besluit van 23 november 2017, verzonden op 27 november 2017, met kenmerk 2017/83307 hebben GS de gevraagde ontheffing verleend voor de periode 1 januari 2019 tot 1 januari 2059 onder de daaraan verbonden voorschriften, zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van het besluit. Tegen het besluit van GS zijn geen rechtsmiddelen aangewend waardoor dit in rechte vast staat.
2. Naar aanleiding van een op 21 november 2017 door vergunninghoudster bij verweerder ingediende aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Windpark Egchelse Heide heeft verweerder op 4 december 2017 beslist dat voor de benodigde omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ten behoeve van de voorgenomen oprichting van Windpark Egchelse Heide, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld. De m.e.r.-beoordelingsnotitie Windpark Egchelse Heide van 21 november 2017 maakt onderdeel uit van die beslissing.
3. Op 5 december 2017 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo), het uitvoeren van een werk/werkzaamheden (artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo), het afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo), het maken, hebben of veranderen van een uitweg (artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo), het vellen van houtopstand (artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo en de Bomenverordening van de gemeente Peel en Maas) en ten slotte voor het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2a, eerste lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), de zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Het project betreft de realisatie van een windpark bestaande uit vijf turbines in het buitengebied van Egchel-Panningen-Beringe, inclusief bijbehorende voorzieningen, waaronder een bedrijfswoning aan [adres] te Beringe. De aanvraag ziet op de realisatie van vijf windturbines passend binnen een bepaalde bandbreedte. De minimale ashoogte en rotordiameter van de turbines bedraagt 110 meter en de maximale ashoogte en rotordiameter bedraagt 140 meter zodat de maximale tiphoogte 210 meter bedraagt. Het opgestelde vermogen volgt uit de definitieve keuze van het te realiseren windturbinetype, waarvoor geldt dat alle vijf turbines qua type gelijk zijn en het vermogen van elk daarvan ligt tussen 3 en 4,5 MW. Het totale opgestelde vermogen zal circa 20 MW zijn. Ten behoeve van het project is door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. (hierna: Aelmans) een ruimtelijke onderbouwing van 23 februari 2018 opgesteld, waarin het verzoek om afwijking van het vigerende bestemmingsplan is gemotiveerd. Met het windpark wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de nationale, provinciale en gemeentelijke ambities voor het opwekken van duurzame energie. Ten behoeve van het project is tevens ingevolge artikel 8.41a, eerste lid, van de Wet milieubeheer op 16 maart 2017 een melding Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) gedaan voor het oprichten en in werking hebben van windturbines binnen de aangegeven bandbreedte.
4. Het ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning heeft vanaf 28 december 2017 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. De ingediende zienswijzen zijn inhoudelijk behandeld in de nota zienswijzen en hebben verweerder geen aanleiding gegeven het ontwerpbesluit aan te passen. Wel is de ruimtelijke onderbouwing ter verduidelijking aangepast en zijn aanvullende gegevens aan de aanvraag toegevoegd.
5. In deze zaak is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. Alle eisers zijn belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is in navolging van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) namelijk van oordeel dat iedereen die woont binnen een afstand van 2.100 meter (10 maal de maximale tiphoogte) van een van de vergunde windturbines, een rechtstreeks betrokken belang bij het bestreden besluit heeft.
6. Verweerder heeft zich ten aanzien van het beroep van [eisers 9] op het standpunt gesteld dat dit beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de brief met de zienswijze van eisers 9 niet door hem is ontvangen. De gemachtigde van eisers heeft gesteld dat de brief met de zienswijze van eisers 9 aangetekend via PostNL is verzonden met het track en trace nummer 3SRRC10645635. Die brief was verstuurd in een vensterenveloppe en geadresseerd aan de gemeente Peel en Maas. Nu die brief niet retour is ontvangen, kon zij ervan uitgaan dat de brief bij verweerder was ontvangen, aldus de gemachtigde.
7. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Verweerder ontkent de ontvangst van de zienswijze en stelt ter onderbouwing van die ontkenning dat uit het online track en trace systeem van PostNL blijkt dat het poststuk met genoemd track en trace nummer waarin volgens eisers 9 hun zienswijze is verzonden, niet door de gemeente is ontvangen. Als bewijs daarvan heeft verweerder een fotokopie van een print uit dat systeem overgelegd waarop is vermeld dat het poststuk met genoemd nummer 3SRRC10645635 is bezorgd bij Holland Mineraal B.V. te Deventer en daarna retour is gegaan naar DAS Rechtsbijstand te Amsterdam (DAS), waarbij de gemachtigde van eisers 9 werkzaam is. De gemachtigde heeft haar betoog dat de brief met genoemd track en trace nummer aan de gemeente Peel en Maas was geadresseerd en bij DAS niet retour is ontvangen, onderbouwd met een kopie van een vensterenveloppe waarop voormeld nummer en het adres van verweerder zijn te zien. Voorts heeft zij een print van gegevens uit het track en trace systeem overgelegd waarop is vermeld dat het poststuk met nummer 3SRRC10645635 is afgeleverd bij Holland Mineraal BV en dat twee poststukken met een ander nummer bij verweerder zijn bezorgd. De zowel door eisers 9 als verweerder overgelegde gegevens uit het track en trace systeem duiden erop dat het poststuk met de zienswijze niet bij verweerder is aangekomen. Veeleer is aannemelijk dat dat stuk op een verkeerd adres is bezorgd en daarna aan de afzender is geretourneerd. Het feit dat de gegevens op de overgelegde kopie van een vensterenveloppe niet overeenkomen met de gegevens uit het track en trace systeem acht de rechtbank onvoldoende reden om niet van laatstgenoemde gegevens uit te gaan. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat eisers 9 niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een zienswijze over het ontwerpbesluit aan verweerder hebben gezonden en dat dit eisers 9 redelijkerwijs kan worden verweten. Derhalve dient hun beroep op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8. De rechtbank concludeert dat de beroepen ontvankelijk zijn met uitzondering van het beroep van [eisers 9] (18/938).
9. De beroepsgronden zien op de aspecten: - draagvlak en vooringenomenheid;- ontbreken verklaring van geen bedenkingen van de Raad van de gemeente Peel en Maas, landschappelijke gevolgen en landschappelijke inpassing, locatiekeuze in strijd met gemeentelijk beleid en in strijd met eerder principestandpunt;- ontbreken MER;- goede ruimtelijke ordening en belangenweging, nut en noodzaak, normstelling en aanvaardbaar woon-en leefklimaat (geluidsoverlast, laagfrequent en infrasoon geluid, trillingen en gezondheid), cumulatief geluid, BBT, gevaar door ijsvorming, slagschaduw;- natuurtoets;- economische uitvoerbaarheid (planschade).
10. Eisers 2 voeren aan dat er onvoldoende draagvlak is voor het windpark en dat er onvoldoende is gedaan om draagvlak te creëren. Zij betogen, evenals eisers 8, dat zij nauwelijks zijn geïnformeerd en vaak zelf aan de bel hebben moeten trekken om informatie te krijgen. Ruim 300 omwonenden hebben een petitie getekend tegen de komst van het windpark. Hieruit blijkt dat er geen draagvlak is, hetgeen in strijd is met het uitgangspunt van de beleidsregel “Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas”. Verder hebben deze eisers de positie van Aelmans ter discussie gesteld. Aelmans en de dochteronderneming Pouderoyen zijn verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de verrichte onderzoeken. Omdat Aelmans mede initiatiefnemer is en dus belang heeft bij realisering van het project, wekt dit weerstand. Omwille van de acceptatie en het draagvlak zou het zorgvuldiger zijn geweest als een ander bureau de onderbouwing voor het project had verzorgd omdat Aelmans volgens eisers niet als onbevooroordeeld kan worden beschouwd.
11. De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van draagvlak op zichzelf geen grondslag kan vormen voor het oordeel dat het bestreden besluit niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of anderszins onrechtmatig is. Dit is anders wanneer het bevoegde gezag op grond van vigerend beleid het betrokken besluit slechts kan nemen als er voldoende draagvlak bestaat. Bij projecten zoals een windpark spelen veel belangen een rol en het is aan het bevoegd gezag om een afweging te maken tussen het (nationale) belang van een duurzame energievoorziening en de belangen van omwonenden (zie uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2018:ECLI:NL:RVS:2018:1838 en 4 april 2018:ECLI:NL:RVS:2018:1146). Het ontbreken van draagvlak is in die afweging volgens de Afdeling niet zonder meer het zwaarwegendst (zie onder meer de uitspraak van 19 september 2018: ECLI:NL:RVS:2018:1436). Verweerder heeft er op gewezen dat in artikel 3 van de beleidsregel “Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas” als uitgangspunt 1 is geformuleerd dat er een participatieplan moet zijn gemaakt en dat de omgeving een actieve en betrokken rol heeft bij de ontwikkeling en de exploitatie van windturbines. De initiatiefnemers hebben conform dit beleid een communicatie- en participatieplan opgesteld en besprekingen met omwonenden gevoerd waarvan verslagen zijn gemaakt. Deze stukken zijn overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee aan het geformuleerde beleidsuitgangspunt voldaan. Dat er bij een aantal omwonenden weerstand is blijven bestaan tegen het onderhavige project, betekent niet dat verweerder in strijd met zijn beleid heeft gehandeld of een onzorgvuldige dan wel onevenredige belangenweging heeft gemaakt. Ten aanzien van de positie van Aelmans heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen wettelijke bepaling aan in de weg staat dat een initiatiefnemer zelf de ruimtelijke onderbouwing en milieukundige onderzoeken ten behoeve van een project opstelt. Het is vervolgens aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ruimtelijke onderbouwing en de daarvan deel uitmakende onderzoeken aan de daaraan te stellen eisen voldoen en op basis daarvan de afweging te maken of sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wabo. Voor zover door werknemers van Aelmans of daaraan gelieerde bedrijven deskundigenonderzoeken zoals die betreffende de gevolgen van geluidproductie en slagschaduw, zijn gedaan, zou daarbij sprake kunnen zijn van de schijn van partijdigheid. Het is dan de verantwoordelijkheid van verweerder om zich te vergewissen van de zorgvuldigheid en deugdelijkheid van het onderzoek en aldus die schijn weg te nemen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in algemene zin niet aan die vergewisplicht heeft voldaan. Hierna zal aan de hand van de beroepsgronden worden ingegaan op de rechtmatigheid van de ruimtelijke onderbouwing en de afzonderlijke deskundigenonderzoeken. De beroepsgronden dat het bestreden besluit wegens ontbreken van draagvlak en het feit dat Aelmans de ruimtelijke onderbouwing heeft opgesteld en deskundigenonderzoeken heeft verricht niet in stand kan blijven, slagen niet.
12. Eisers 1, 3, 4 en 5 voeren aan dat voor de toestemming op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad had moeten worden afgegeven. Deze eisers stellen zich op het standpunt dat de in het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 21 december 2010 in onderdeel 1, onder A genoemde gevallen waarin geen vvgb is vereist, dermate ruim en algemeen zijn dat het college in wezen de vrije hand is gelaten om de gemeenteraad al dan niet een vvgb te vragen. Eisers achten het aanwijzingsbesluit daarom in strijd met de rechtszekerheid. Eisers 2 betogen aanvullend dat reeds in het ontwerpbesluit had moeten worden gemotiveerd waarom er geen vvgb nodig is. Ten aanzien van de landschappelijke gevolgen van het project is door eisers 1, 2, 3, 4, 5 en 8 aangevoerd dat in strijd met gemeentelijk beleid door verweerder onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van het bestaande windpark Neer. Door de aanwezigheid van meerdere windturbines in elkaars directe nabijheid ontstaat een extra verstoring van het landschap doordat deze niet in één lijn zijn geplaatst en doordat het onmogelijk is om de turbines synchroon te laten lopen omdat de nieuwe turbines veel groter zijn dan die van windpark Neer. Eisers wijzen op het Landschapsadvies gemeenten Leudal, Peel & Maas, Weert en Nederweert, Windenergie Peelland Zuid, Limburg, pagina 26, waarin is vermeld dat interferentie optreedt indien windturbineopstellingen dicht bij elkaar worden geplaatst. Dit betekent dat de verschillende opstellingen visueel gaan samenklonteren waardoor een onrustig beeld ontstaat. Om interferentie te voorkomen zou volgens dit advies in de regel een afstand van 3 tot 4 kilometer moeten worden aangehouden. Omdat windpark Neer op slechts 900 meter afstand ligt, wordt om die reden niet voldaan aan het gemeentelijk beleid. Verder hebben deze eisers aangevoerd dat uit artikel 5 van de Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas volgt dat aan het ‘landschapsadvies windenergie’ van Veenenbos en Bosch van november 2016 en de bijbehorende oplegnotitie moet worden voldaan. Volgens dit advies en de oplegnotitie moet bij een lijnopstelling sprake zijn van een heldere ritmiek en moet, vanaf drie turbines, sprake zijn van een gelijke afstand tussen de turbines. In het onderhavige geval staan vier turbines op een afstand van 600 meter van elkaar, maar staat de vijfde turbine op 900 meter. Om die reden wordt volgens eisers niet aan het gemeentelijk beleid voldaan. Eisers 8 hebben aangevoerd dat er geen sprake is van een juiste locatiekeuze als gevolg van de beleidswijziging die heeft plaatsgevonden doordat de beleidsregel “Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas” van 17 januari 2017 is ingetrokken en is vervangen door de nieuwe beleidsregel grootschalige windenergie Peel en Maas van 26 juni 2017, bekendgemaakt op 3 juli 2017. Zij betogen dat het beleid aan het project is aangepast en daarom ondeugdelijk is. Eisers 2 hebben aanvullend betoogd dat in strijd met het beleid grondspeculatie niet is tegengegaan. Eiseres 3, eiser 4 en eisers 5 hebben aangevoerd dat de vijfde windturbine niet vergund had mogen worden omdat deze niet in het principestandpunt was opgenomen.
13. Over het betoog van genoemde eisers dat ten onrechte geen vvgb is gevraagd, overweegt de rechtbank als volgt. Bij besluit van 21 december 2010 heeft de raad van de gemeente Peel en Maas een lijst van gevallen als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vastgesteld, waarin geen vvgb is vereist. Daarin zijn onder meer gevallen aangewezen die passen binnen een vastgestelde beleidsnotitie, niet ouder dan 5 jaar. De verwijzing naar (onder meer) een vastgestelde beleidsnotitie betekent dat de raad daarmee in beginsel een voldoende duidelijk en rechtszeker kader heeft gegeven voor de gevallen waarin geen vvgb is vereist. Het betoog dat de lijst van gevallen zo ruim en algemeen is dat die wegens strijd met de rechtszekerheid als onverbindend moet worden beschouwd slaagt daarom niet.
14. De rechtbank stelt verder vast dat voormelde beleidsnotitie van de raad is uitgewerkt in de Beleidsregel “Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas” (de Beleidsregel) die het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (het college) heeft vastgesteld. Met deze Beleidsregel heeft het college de beleidsregels van 9 januari 2017, waarnaar eisers verwijzen, ingetrokken. De Beleidsregel is op 3 juli 2017 in werking getreden en is vanaf dat moment het geldend beleid waaraan de onderhavige aanvraag mede dient te worden getoetst. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat die beleidsregel van verweerder in strijd is met de door de raad vastgestelde beleidsuitgangspunten. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het college het door hem vastgestelde beleid niet zou mogen aanpassen indien gewijzigde inzichten daartoe aanleiding geven en voor zover daarbij de beleidsuitgangspunten van de raad in acht worden genomen. Reeds op grond daarvan slagen de beroepsgronden die zijn gebaseerd op de toepasselijkheid van de ingetrokken beleidsregel niet. Van een ongeoorloofde aanpassing van het beleid is de rechtbank niet gebleken nu die is ingegeven door het doel om duurzame energie daadwerkelijk te kunnen opwekken. In artikel 5 van de Beleidsregel heeft het college het uitgangspunt dat de windturbines op een goede plek moeten komen, nader uitgewerkt. Daarin is onder meer vermeld dat initiatieven met windmolens slechts in behandeling worden genomen, indien ze zijn voorzien van een landschappelijk inrichtingsplan, waaruit blijkt dat de ontwikkeling van het windmolenpark is gericht op een acceptabele omgevingskwaliteit. Het landschappelijk inrichtingsplan wordt verder met het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze voorwaarden, die afwijken van het voorheen geldend beleid, niet blijven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Het inrichtingsplan dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is opgesteld door Pouderoyen. In diens rapport is geconcludeerd dat windpark Egchel en windpark Neer, ondanks de afstand van slechts 900 meter tussen beide windparken, als gevolg van het ritme van plaatsing en leesbare schaal en maat in voldoende mate visueel zijn te onderscheiden als twee zelfstandige windparken. In het inrichtingsplan dat als voorwaarde aan de omgevingsvergunning is verbonden, is verder voorzien in een afschermende werking van beplanting die het effect van eventuele interferentie verzacht. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat het landschapsadvies van Veenenbos en Bosch niet op dit concrete plan betrekking heeft maar op grootschalige windenergie in Midden-Limburg in het algemeen. Verweerder heeft daarbij onbestreden gesteld dat de onderhavige locatie voor windpark Egchel op zich past in dat landschapsadvies en dat Pouderoyen op het aspect interferentie is ingegaan door aan te geven dat storende interferentie niet hoeft op te treden indien aanwezige landschapselementen worden versterkt en daarnaast nieuwe beplanting wordt aangebracht. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de voorgestane locatie en de landschappelijke inpassing daarvan, in zoverre voldoen aan het gemeentelijk beleid. De kwaliteitscommissie Peel en Maas heeft voor het bouwplan ook een positief advies gegeven. Eisers hebben weliswaar kanttekeningen geplaatst bij het rapport van Pouderoyen maar zij hebben de juistheid van dat rapport niet met een van een deskundige (op het gebied van landschappelijke inpassing) afkomstig tegenrapport bestreden. De omstandigheid dat de landschappelijke inpassing in de visie van eisers niet voldoet, geeft geen aanleiding om de besluitvorming voor onzorgvuldig te houden of te concluderen dat met de belangen van omwonenden onvoldoende rekening is gehouden. Verweerder heeft op goede gronden betoogd dat door landschappelijke inpassing de negatieve gevolgen van een windpark voor de omgeving niet geheel kunnen worden voorkomen maar wel kunnen worden verzacht. De rechtbank heeft wat betreft de gekozen locatie in aanmerking genomen dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag voor het concreet voorgelegde bouwplan. Afwijking van deze hoofdregel is bij een besluit, waarbij van het geldend bestemmingsplan wordt afgeweken, mogelijk aangewezen indien wordt aangetoond dat een alternatieve locatie of invulling hetzelfde resultaat heeft maar minder belastend is voor de omgeving dan het in geding zijnde bouwplan. Daarvan is in dit geval geen sprake. De stelling van eisers dat er allerlei alternatieve locaties denkbaar zijn, is daarvoor onvoldoende. De ter zitting geopperde mogelijkheid om windmolens bij een snelweg te plaatsen, past niet in het door de raad vastgestelde beleid. Naar aanleiding van de beroepsgrond dat het bestreden besluit ten onrechte afwijkt van een eerder door het college ingenomen principestandpunt, overweegt de rechtbank nog dat verweerder op de aanvraag dient te beslissen zoals deze door de aanvrager is ingediend. Daarbij kan worden afgeweken van een eerder principeverzoek waarover door het bevoegd gezag al een principestandpunt is ingenomen.
15. Uit het voorgaande volgt dat de onder 12 vermelde beroepsgronden niet slagen.
16. Eisers 1, 3, 4, en 5 voeren aan dat een MER had moeten worden opgesteld. Eisers betogen dat de milieueffecten, gelet op de niet onderzochte milieugevolgen, zoals infrasoon geluid, mede in relatie tot de reeds aanwezige turbines, niet op voorhand kunnen worden ingeschat. Daarnaast wijzen eisers op een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2017:5459) en voeren aan dat hieruit blijkt dat een indicatie voor een risico voor de volksgezondheid tot de conclusie moet leiden dat een MER opgesteld moet worden en daarmee invulling wordt gegeven aan het voorzorgsbeginsel. In verband met de gezondheidsrisico’s van het project wijzen eisers onder meer op Duitse en Deense onderzoeken, waarin is geconcludeerd dat de impact van windmolens op de gezondheid veel groter is dan tot voor kort werd verondersteld. Verder hebben zij een publicatie van een huisarts uit Den Bosch overgelegd, waarin ervoor wordt gepleit om op grond van het voorzorgsbeginsel nader onderzoek te verrichten naar gezondheidsproblemen vanwege windturbines.
17. De rechtbank overweegt allereerst dat de aangevraagde activiteiten vallen onder onderdeel D 22.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De aangevraagde activiteiten zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor zover is aangevoerd dat bij de beoordeling of een MER moet worden opgesteld ook het bestaande windpark Neer had moeten worden betrokken, mist het betoog feitelijke grondslag. In de door verweerder beoordeelde aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Windpark Egchelse Heide is immers ingegaan op de mogelijke cumulatieve effecten met het windpark Neer. Naar aanleiding van de verwijzing naar genoemde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, wijst de rechtbank voorts op de (recentere) uitspraak van deze rechtbank van 5 maart 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:958 en diverse uitspraken van de Afdeling, zoals de uitspraken van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504 , 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 en 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3067, waarin is geoordeeld dat er vooralsnog geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de analyses van het RIVM die zijn neergelegd in de rapporten uit 2013 en 2017 en het Kennisbericht uit 2015. Uit deze rapporten en het GGD-rapport “Health effect related to wind turbine sound” blijkt dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is voor een directe relatie tussen gezondheidsrisico’s en het geluid van windturbines. Ook is er geen wetenschappelijk bewijs voor gestelde gezondheidsrisico’s van laagfrequent en infrasoon geluid van windturbines. Wel kan een langdurige ergernis over de hinder van windturbines en het gevoel dat de leefkwaliteit is verminderd gevolgen hebben voor het welzijn en de gezondheid. Dit geldt echter ook voor andere stressfactoren en de Afdeling concludeert in genoemde (recente) uitspraken dat het bevoegde gezag zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit voldoende bescherming bieden tegen onder meer laagfrequent geluid en dat er ook geen grond bestaat voor het oordeel dat als gevolg van windturbinegeluid onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid zullen optreden. Bij die oordeelsvorming heeft de Afdeling onder meer het advies van de WHO betrokken, waarin wordt gepleit voor lagere dan de in Nederland geldende, wettelijke geluidnormen. In de uitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141, heeft de Afdeling geoordeeld dat het voorzorgsbeginsel niet zo ver gaat dat, wanneer uit een enig onderzoek blijkt dat er een mogelijk verband is tussen een windpark en gezondheidsklachten, van het bevoegde gezag gevergd wordt een aanvraag omgevingsvergunning te weigeren. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de Afdeling ook hier verwezen naar de genoemde rapporten van het RIVM. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat er geen indicatie is voor een risico voor de volksgezondheid die noopt tot het opstellen van een MER. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Eisers 8 betwisten het nut en de noodzaak van het beoogde windmolenpark nu er meer opties zijn om duurzame energie op te wekken, waaronder zonne-energie. Zonne-energie heeft minder nadelen voor de omgeving. De plannen getuigen niet van een weloverwogen belangenweging omdat die voor de omgeving onevenredig nadeel betekenen.
19. Gelet op in het bijzonder de doelstelling van het Rijk om meer duurzame energie op te wekken, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de keuze voor een windmolenpark als zodanig niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het is onbetwist dat de doelstelling van het Rijk is om meer duurzame energie op te wekken en dat het voorziene windpark daarin past. De belangen van omwonenden, waaronder eisers 8, zijn door verweerder tegen dat belang afgewogen. Op die belangenweging zal de rechtbank hierna verder ingaan. De beroepsgrond slaagt niet.
20. Alle eisers, behalve eisers 6, hebben aangevoerd dat aan het project geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Zij betwisten dat met de normstelling uit het Activiteitenbesluit een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Daartoe wijzen zij op rapporten van TNO en een deskundigenrapport van de Stichting advisering bestuursrechtspraak over windpark De Veenwieken, waarin de suggestie is gedaan om, gezien de hinderlijkheid van windturbinegeluid, een straffactor toe te passen. Tevens betwisten zij dat met de normstelling voor het reguliere geluid ook de nadelige gevolgen van laagfrequent geluid worden ondervangen. Onder verwijzing naar onder meer rapporten van het RIVM en Duitse en Deense onderzoeken betogen eisers dat blootstelling aan laagfrequent en ultrasoon geluid niet alleen overlast veroorzaakt, maar ook aanleiding kan geven tot gezondheidsklachten bij omwonenden. De Nederlandse geluidnormen bieden onvoldoende bescherming en daarom kan ook geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Ter onderbouwing van hun standpunten hebben zij rapporten van 23 april 2018 (Windpark Egchelse Heide: kanttekeningen bij omgevingsvergunning m.b.t. geluid) en 12 december 2018 (Windpark Egchelse Heide, aspect geluid: reactie op verweerschrift en ingediende stukken) van Peutz ingediend. In deze rapporten worden de standpunten van eisers onderbouwd en wordt met name gewezen op de cumulatie met het geluid van windpark Neer. Volgens Peutz is in het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport “Akoestisch onderzoek Windturbines Windpark Egchelse Heide” van 23 februari 2018 van Aelmans ten onrechte en op een onjuiste wijze de methode Miedema toegepast. In dit verband wordt tevens betoogd dat niet bij alle mogelijke windturbines, die binnen de vergunde bandbreedte vallen, na cumulatie aan de geldende geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd. Verder is het gecumuleerde, laagfrequente geluid ten onrechte niet nader beschouwd omdat bij een aantal van de mogelijk te plaatsen windturbines sprake is van een ruimschootse overschrijding van de zogenoemde Vercammen-curve. Verder is geen kenbare afweging van beste beschikbare technieken gemaakt. Een ander geldt met name, indien gekozen wordt voor windturbines met relatief veel laagfrequente geluidemissie. Om te verzekeren dat na cumulatie met windpark Neer wordt voldaan en om aan de Vercammen-curve (laagfrequent geluid) te voldoen zou volgens Peutz een voorschrift aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas

(gemachtigden: mr. M.I. Blokland, drs. A.P. Langerak, ing. F.J.M. van Hout en ing. F.H. Wijnen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: , te Egchel, (gemachtigde: mr. H.M.F.F. Verbeet en M.P.H. Pouls).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Windpark Egchelse Heide B.V. (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van vijf windturbines inclusief bijbehorende voorzieningen in het buitengebied van Egchel-Panningen-Beringe in de nabijheid van de Haambergweg in de gemeente Peel en Maas.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Eisers en verweerder hebben hun standpunten toegelicht.

De beroepszaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 17 januari 2019. Een aantal eisers is in persoon verschenen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden. De overige eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eisers hebben ir. D.J. Suverkropp verbonden aan bureau Peutz (hierna: Peutz) als deskundige meegebracht die ter zitting is gehoord.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigden en door ing. H.N.J.M. Steins.
Overwegingen

Formele aspecten.

In de omstandigheid dat de rechtbank bij uitspraak van 21 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12159, het Hof van Justitie van de Europese Unie de (préjudiciële) vraag heeft voorgelegd in hoeverre toepassing van artikel 6:13 van de Awb verenigbaar is met het Europese recht en in het bijzonder het Verdrag van Aarhus (het Verdrag), ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep van eisers 9 (en de overige beroepen) aan te houden. De rechtbank overweegt daartoe in de eerste plaats dat de voorliggende zaak niet behoort tot een van de in de bijlage bij het Verdrag genoemde categorieën waarop het Verdrag van toepassing is. Daartoe heeft de rechtbank met name doen wegen dat voor het onderhavige project geen MER is opgesteld en, zoals volgt uit hetgeen hierna onder 16 en volgende wordt overwogen, ook niet hoefde te worden opgesteld. Daar komt bij dat de beroepsgronden van eisers 9 nagenoeg gelijkluidend zijn aan de beroepsgronden, die zijn aangevoerd namens eisers 7 en inhoudelijk door de rechtbank zullen worden besproken.

Draagvlak en vooringenomenheid.

Verklaring van geen bedenkingen, landschappelijke gevolgen en landschappelijke inpassing, locatiekeuze in strijd met gemeentelijk beleid en strijd met eerder principestandpunt.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of het voorliggende geval voldoet aan de voorwaarden die de lijst van gevallen daaraan stelt. De rechtbank constateert in dat verband dat in de beleidsnotitie Uitgangspunten windenergie die de raad op 15 april 2016 heeft vastgesteld, is opgenomen dat in de gemeente 4 à 5 windturbines kunnen worden gerealiseerd en de voorwaarden zijn geformuleerd, waaraan ontwikkeling van windenenergie binnen de gemeente dient te voldoen, waaronder de voorwaarde dat de windturbines op een goede plek moeten komen, bezien vanuit een goede ruimtelijke ordening (goede functiecombinatie en landschappelijke inrichting). Bij deze beleidsnotitie zijn kaarten gevoegd met uitsluitingsgebieden voor windturbines in de regio. De kaarten moeten initiatiefnemers en bewoners helpen bij het vinden van mogelijke locaties waarna in een proces met de omgeving en betrokkenen kansrijke ontwikkelgebieden worden benoemd. Niet in geschil is dat de onderhavige locatie behoort tot de door de raad als mogelijk voor windturbines geschikte plekken genoemde locaties. Daarnaast is de onderhavige locatie in de beleidsnotitie concreet genoemd en is daarin beschreven hoe het parallel aan de andere zijde van het afwateringskanaal gelegen windpark Neer tot stand is gekomen en hoe de inspraak en het overleg met bewoners over de plannen voor het onderhavige windpark tot het indienen en instemmen met het principeverzoek zijn verlopen. Eisers moet worden toegegeven dat het criterium ‘op een goede plek’ op zich erg vaag is. Naar het oordeel van de rechtbank is de beleidsnotitie van de raad nu de onderhavige locatie daarin expliciet is besproken en kansrijk is bevonden, in combinatie met het daarbij behorende kaartmateriaal, waarin deze locatie ook als kansrijk is aangewezen, echter voldoende concreet, zodat niet kan worden gezegd dat onduidelijk is of het betrokken project past binnen de beleidsnotitie. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog ter zitting dat de raad in het geheel niet bekend zou zijn met het onderhavige project. Niet alleen is het windpark in de door de raad vastgestelde beleidsnotitie vermeld, maar ook is de raad via werkgroepen en een informatiebijeenkomst met raadsfracties op 19 december 2017 expliciet geïnformeerd over het concrete plan. Niet is gesteld of gebleken dat binnen de raad bezwaren bestaan tegen dat plan, zodat er te minder reden is om eraan te twijfelen dat het beoogde windpark past in het door de raad vastgestelde beleid. De rechtbank ziet voorts geen grond om de passage in de beleidsnotitie dat “uiteindelijk resultaat is dat een locatie voor windenergie vastgelegd is in het bestemmingsplan, er voor de ontwikkeling van het windpark een vergunning is verleend en de molens daadwerkelijk zijn gebouwd, zo (letterlijk) uit te leggen dat de raad hiermee heeft bedoeld dat locaties voor windmolens alleen via een bestemmingsplanprocedure mogen worden bepaald. De rechtbank volgt eisers 2 niet in hun betoog dat reeds in het ontwerpbesluit had moeten worden gemotiveerd waarom er geen vvgb nodig is en dat in strijd met het beleid is gehandeld omdat grondspeculatie niet is tegengegaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit op pagina 3 gemotiveerd waarom een vvgb in dit geval niet nodig is. Dit besluit ligt ter toetsing voor en niet het ontwerpbesluit. Ook kan niet worden gezegd dat sprake is van een ongeoorloofde wijziging ten opzichte van het ontwerpbesluit. Van een gebrek in de besluitvorming is dan ook geen sprake. Verweerder heeft er ten aanzien van het aspect grondspeculatie verder terecht op gewezen dat niet in strijd met het gemeentelijk beleid is gehandeld. Er zijn door de gemeente Peel en Maas vooraf geen definitieve locaties vastgesteld, maar alleen uitgangspunten geformuleerd en kaarten vastgesteld die slechts inzicht geven in de uitsluitingsgebieden en de beleidsmatige aandachtsgebieden. De omstandigheid dat degenen die participeren in het project, daarvan voordeel ondervinden, betekent niet dat verweerder in strijd met zijn beleid heeft gehandeld door grondspeculatie niet te voorkomen.
Ontbreken MER.

Beoordeling ruimtelijke effecten en belangenweging..

20.1.
Eisers 1, 2, 3, 4, 5 en 6 voeren verder aan dat verweerder niet heeft beoordeeld of met de vastgestelde mate van slagschaduw bij de woningen van eisers sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Eisers 2 ( [naam] ) hebben in dit verband aanvullend aangevoerd dat sprake zal zijn van aanzienlijke overlast als gevolg van de meest noordwestelijke windturbine niet alleen als gevolg van geluid, slagschaduw, maar ook door gevaar van ijsvorming. Daarbij is volgens eisers 2 geen rekening gehouden met de cumulatie van slagschaduw van windpark Egchelse Heide en windpark Neer. De gecumuleerde slagschaduw is niet in het Activiteitenbesluit gereguleerd. In de omgevingsvergunning had daarom een voorschrift moeten worden opgenomen om te verzekeren dat de gecumuleerde slagschaduw aan de norm uit het Activiteitenbesluit voldoet.
20.2.
Eisers 6 vrezen dat de mate van slagschaduw in de kassen van [kwekerij] te Beringe dusdanig nadelig zal zijn voor de werkomstandigheden dat zij bang zijn geen personeel te kunnen krijgen. Hun beroep is er op gericht dat de kassen moeten worden beschouwd als ‘gevoelig’ object, zoals dat bij woonhuizen het geval is, zodat er wat dat betreft geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
21. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgronden die zien op de aspecten regulier (cumulatief) geluid, laagfrequent geluid, BBT, trillingen, slagschaduw, gezondheid en goede ruimtelijke ordening, zich richten tegen het besluitonderdeel, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wabo toestemming is verleend om af te wijken van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’.
22. De rechtbank stelt voorop dat voor het oordeel dat het bevoegde bestuursorgaan in een geval als dit in verband met de daaraan verbonden milieugevolgen in redelijkheid geen toestemming voor afwijking van de planregels heeft kunnen verlenen, aanleiding kan bestaan indien ernstig moet worden betwijfeld of naleving mogelijk is van de daarvoor in het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde regels. Naleving van de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit verzekert niet (in alle gevallen) een goed woon- en leefklimaat omdat het Activiteitenbesluit onder meer de begrenzing van het geluidniveau veroorzaakt door de inrichting regelt maar niet het geluidniveau dat ontstaat indien de voorgenomen activiteit wordt opgeteld bij de reeds aanwezige geluidbronnen. In dit geval betreft dat de cumulatieve geluidhinder in verband met het aanwezige windpark Neer. Andere voor de beoordeling van de kwaliteit van het woon-, leef- en werkklimaat relevante geluidbronnen zijn er niet in dit gebied.
23. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag ziet op het realiseren van 5 windturbines met een minimale ashoogte en rotordiameter van 110 meter en een maximale ashoogte en rotordiameter van 140 meter met een vermogen van 3 tot 4,5 MW per turbine. Het totale vermogen bedraagt circa 20 MW. Door Aelmans is onderzocht of met 5 windturbines van het merk/type Lagerwey L136 van 4 MW ter plaatse van de woningen van derden in de omgeving aan de gestelde geluidgrenswaarden van 47 dB Lden en 41 dB Lnight wordt voldaan. Dat is bij alle relevante woningen het geval. Verder zijn enkele alternatieve turbines doorgerekend, te weten: Eneron E126 EP 4, Nordex N131, Siemens SWT3.3 en Vestax V136 met serrated edges. Ook is in het kader van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening de cumulatie met windpark Neer beoordeeld. Daar staan 4 turbines van het merk/type Enercon E-82 en één turbine van het merk/type Enercon E-92. Bij twee woningen (niet van eisers) is de gecumuleerde geluidbelasting Lden gelijk aan 48 dB en de Lnight gelijk aan 42 dB. Gezien de geringe, voor het menselijk oor niet waarneembare overschrijding van de norm, en bij een minimale geluidwering, is sprake van een goed woon- en leefklimaat, aldus het rapport bij de aanvraag.
24. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat uit het akoestisch rapport van Aelmans blijkt dat de onderzochte turbines binnen de bandbreedte van de verleende vergunning vallen en aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit voldoen. In artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit is bepaald dat een windturbine of combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder moet voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. In tegenstelling tot de etmaalwaarde bij industrielawaai is Lden het gewogen jaargemiddelde van het equivalente geluidniveau met een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en een toeslag van 10 dB voor de nachtperiode. De geluidbelasting die optreedt gedurende de avond en nacht wordt zodoende zwaarder meegewogen dan de geluidbelasting die overdag optreedt. De beoordelingsmaat Lnight is het gemiddelde equivalente geluidniveau over alle nachtperioden in een jaar zonder toeslag van 10 dB. Met deze extra beoordelingsmaat naast Lden wordt beoogd een extra waarborg te bieden voor bescherming tegen slaapverstoring.
25. Naar aanleiding van de beroepsgrond dat de normen van het Activiteitenbesluit niet (meer) toereikend zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in diverse uitspraken heeft geoordeeld dat een geluidniveau van maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight als gevolg van windturbines bij woningen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141 en 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3067). De Afdeling heeft daarbij overwogen dat de dosismaten Lden en Lnight zijn ontleend aan de richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai en dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit onverbindend moeten worden geacht of buiten toepassing moeten blijven (uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616).Wat betreft het percentage ernstig gehinderden, bij hantering van genoemde geluidnormen, heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op de Nota van toelichting, het regelgevend bevoegd gezag bij de vaststelling van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit een percentage ernstig gehinderden bij windturbines van 9 binnenshuis en 20 buitenshuis onder afweging van alle betrokken belangen aanvaardbaar heeft geacht. Daarbij heeft de Afdeling gewezen op de vermelding in de Nota van toelichting dat dergelijke niveaus van ernstige hinder goed vergelijkbaar zijn met hetgeen bij de normering voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai als maximaal toelaatbaar wordt beschouwd en dat het maatschappelijk belang dat is gediend bij de uitvoering van dergelijke projecten het volgens het vermelde in de parlementaire stukken noodzakelijk maakt om een bepaalde mate van hinder te accepteren. De Afdeling heeft gelet hierop en in aanmerking genomen de omstandigheid dat het aan het regelgevend bevoegd gezag is de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die bij de vaststelling van het algemeen verbindende voorschrift betrokken zijn tegen elkaar af te wegen, in de verwijzing van appellanten naar de percentages ernstig gehinderden geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het regelgevend gezag niet in redelijkheid tot vaststelling van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit heeft kunnen besluiten. In deze uitspraken heeft de Afdeling tevens geoordeeld dat uit onderzoeken van onder meer het RIVM blijkt dat er geen wettelijke normen voor laagfrequent geluid bestaan en dat bij het voldoen aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit geen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid vanwege windturbines zal optreden, waarbij het niet is te verwachten dat het laagfrequent geluid bij grotere windturbines een substantieel groter aandeel zal krijgen. In onder meer de uitspraak van 19 december 2018: ECLI:NL:RVS:2018:4177 heeft de Afdeling overwogen dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s van laagfrequent geluid en infrasoon geluid van windturbines ondersteunt. Laagfrequent geluid wordt in de meeste onderzoeken volgens het rapport geduid als onderdeel van het geluidspectrum van windturbines. Infrageluid moet over het algemeen onhoorbaar worden geacht en is in ieder geval niet luid genoeg om effecten op de gezondheid te veroorzaken. De door eisers 7, die op 1.525 meter afstand van het windpark wonen, geuite vrees voor gezondheidsgevaar voor ‘ultrasoon’ geluid is daarom ongegrond. Bij het vorenstaande heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de second opinion van Royal Haskoning DHV van 17 december 2018 blijkt dat de laagfrequente bijdrage van de vergunde en onderzochte turbines die binnen de bandbreedte vallen, beperkter is dan door Peutz is berekend, omdat Peutz van een hogere bronsterkte is uitgegaan. Volgens de berekening van Royal Haskoning DHV zal van significante overschrijdingen van de Vercammencurve zeker geen sprake zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerders standpunt voor onjuist te houden dat er ook concreet, bij de windturbines binnen de vergunde bandbreedte, geen onaanvaardbare hinder dan wel negatieve gezondheidseffecten zijn te verwachten. In de jurisprudentie is ten slotte ook de juistheid van verweerders standpunt bevestigd dat trillinghinder (via de grond) bij windturbines die op juiste wijze zijn geplaatst, niet optreedt (onder meer uitspraak van de Afdeling van 21 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3735). De door eisers 1, 3, 4 en 5 aangevoerde vrees voor onaanvaardbare ‘trillinghinder’ is niet gegrond.
26. Gelet opgenoemde jurisprudentie van de Afdeling moet worden geoordeeld dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit voldoende bescherming bieden tegen geluid, waaronder laagfrequent geluid en infrasoon (onhoorbaar) geluid en dat verweerder in redelijkheid bij die normen heeft kunnen aansluiten bij het verlenen van de omgevingsvergunning. De daartegen gerichte beroepsgronden slagen niet.
27. Aelmans heeft in het Akoestisch onderzoek Windturbines Windpark Egchelse Heide van 23 februari 2018 tevens de cumulatie met windpark Neer beoordeeld. De conclusie van dit onderzoek is dat enkel bij de woningen Karissendijk [huisnummer] en Haambergweg [huisnummer] in een worst case situatie een overschrijding van de (voor de vergunde windturbines geldende) maximale niveaus van het Activiteitenbesluit optreedt nu aldaar sprake is van een gecumuleerd geluidniveau van 48 dB Lden en 42 dB Lnight. Na zich aanvankelijk op het standpunt te hebben gesteld dat een overschrijding met 1 dB, waardoor het woon- en leefklimaat volgens de methode Miedema ‘matig’ blijft, vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, heeft verweerder in zijn brief van 20 december 2018 in navolging van de second opinion van Royal Haskoning DHV (en de rapporten van Peutz) het standpunt ingenomen dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ook cumulatief aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit dient te worden voldaan. Verweerder verbindt daaraan de consequenties dat op grond van de verleende vergunning voorafgaand aan het begin van de bouwactiviteiten de definitieve tekeningen en constructieberekeningen moeten worden ingediend. Op dat moment moet namelijk duidelijk zijn welk type windturbine, vallend binnen de bandbreedte, wordt opgericht en of die windturbines cumulatief tot overschrijding van de geluidnormen van het Activiteitenbesluit kunnen leiden. Bij de onderzochte turbines is dit alleen aan de orde indien gekozen wordt voor de Lagerwey L136-turbine zonder geluidbeperkende maatregelen. Wanneer vergunninghoudster kiest, zoals bij de behandeling van de beroepen ter zitting is aangekondigd, voor een turbine binnen de vergunde bandbreedte die nog niet is opgenomen in de melding op grond van het Activiteitenbesluit, dan is een nieuwe melding vereist, voorzien van een akoestisch onderzoek. Verweerder heeft daarbij toegezegd dat bij keuze voor de genoemde Lagerwey-turbine of een niet in de melding opgenomen (nieuwe) turbine, indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidnorm cumulatief wordt overschreden, een maatwerkvoorschrift zal worden vastgesteld teneinde die overschrijding teniet te doen. Verweerder noemt daarbij als eventuele geluidbeperkende maatregel het voorschrijven van software die de turbine langzamer laat draaien waardoor de geluidemissie omlaag gaat.
28. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de woningen van alle eisers niet alleen aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit wordt voldaan maar dat ook het cumulatief berekende geluid van windpark Egchelse Heide met windpark Neer aan deze normen voldoet. Er is in zoverre geen reden om de cumulatie van geluid jegens eisers in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Eisers hebben zich er echter op beroepen dat op voorhand niet is gewaarborgd dat bij twee woningen van anderen dan eisers cumulatief aan die norm kan worden voldaan en in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
29. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Van overschrijding van de geluidsnormen bij de woningen van eisers is geen sprake, zodat zij zich in beginsel niet op bescherming door die norm kunnen beroepen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4180, r.o. 18.1 moet echter worden afgeleid dat aan hen het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen als een geslaagd beroep op schending van een milieunorm bij de woning van iemand anders zal leiden tot een maatregel die een beter woon- en leefklimaat voor eisers oplevert, mits voor hen dezelfde norm geldt.
30. De rechtbank stelt vast dat Windturbine 5 (WT5) samen met windpark Neer verantwoordelijk is voor de mogelijke cumulatieve overschrijding van de geluidnorm met 1 dB bij de woningen Karissendijk [huisnummer] en Haambergweg [huisnummer] . Alleen bij de woning van eisers 7 aan [adres] , die is gelegen op een afstand van circa 1.525 meter van WT5 en waarbij een geluidbelasting veroorzaakt door windpark Egchel van 35 dB Lden en 28 dB Lnight optreedt en een gecumuleerde geluidbelasting van 36 dB Lden en 29 dB Lnight, is een verbetering van het woon- en leefklimaat mogelijk indien WT5 1 dB minder geluid zou produceren dan de toegestane wettelijke norm. De rechtbank is van oordeel dat 1 dB minder bij de woningen Karissendijk [huisnummer] en Haambergweg [huisnummer] , gelegen op een afstand van ca. 400 meter van WT5, een verwaarloosbaar effect zou hebben op het woon- en leefklimaat bij de woning van eisers 7. Niet gezegd kan worden dat daardoor een (meetbare) verbetering van hun woon- en leefklimaat kan optreden. Eisers 7 kunnen zich daarom niet op overschrijding van de geluidnormen bij de woningen Karissendijk [huisnummer] en Haambergweg [huisnummer] beroepen. Het relativiteitsvereiste staat daarom aan een eventuele vernietiging van het bestreden besluit in de weg en de rechtbank laat deze beroepsgrond om die reden onbesproken.
31. In de akoestische rapporten van Peutz van 23 april 2018 en 19 december 2018 die op verzoek van eisers zijn opgesteld, wordt betoogd dat in het bestreden besluit geen (kenbare) afweging is gemaakt of sprake is van de toepassing van de beste beschikbare technieken (BBT), hetgeen een wettelijke eis is op grond artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1, van de Wabo. Volgens Peutz zijn de technisch meest moderne windturbines niet noodzakelijkerwijs het minst belastend voor het lokale milieu omdat door de grotere afmetingen meer geluid in het normale spectrum en/of laagfrequent geluid kan worden veroorzaakt en daardoor kan het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving negatief worden beïnvloed.
32. De rechtbank stelt vast dat ter beoordeling voorligt een besluit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wabo en niet een besluit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, in verbinding met artikel 2.14 van de Wabo (omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten). De BBT-eis is daarom in dit geval niet wettelijk voorgeschreven. Daarbij komt dat de Afdeling in de uitspraak van 19 december 2018, ELI:NL:RVS:2018:4177, onder verwijzing naar eerdere uitspraken, heeft overwogen “dat uit het vereiste dat in dat in de inrichting de BBT moeten worden toegepast niet volgt dat alle mogelijke maatregelen moeten worden getroffen die bijdragen aan een reductie van de geluidemissie. Artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1˚, van de Wabo vereist, anders dan Peutz veronderstelt, dan ook niet dat in de omgevingsvergunning wordt gewaarborgd dat windturbines met de laagste gemiddelde geluidemissie worden gerealiseerd”. Door vergunninghoudster is bij de behandeling van de beroepen ter zitting bevestigd dat de windturbines die zullen worden geplaatst als BBT zijn te beschouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van die stelling te twijfelen. Zoals de rechtbank hiervóór al heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat onaanvaardbare hinder van laagfrequente geluid door de vergunde windturbines is te verwachten en dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening zou zijn genomen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
33. Naar aanleiding van de beroepsgrond van eisers 2 dat er gevaar kan optreden bij ijsvorming op de rotorbladen, overweegt de rechtbank dat eisers op een afstand van 450 meter van de dichtstbijzijnde windturbine wonen en dat verweerder zich daarom niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor een gevaar bij de woning van eisers niet hoeft te worden gevreesd. Daar komt bij dat door vergunninghoudster in de nadere memorie van 9 juli 2018 erop is gewezen dat het windpark zal worden voorzien van een ijsdetectie-systeem zodat de windturbines bij ijsvorming worden stilgezet om risico’s zoveel mogelijk te beperken. De beroepsgrond slaagt niet.
34. Eisers 1, eiseres 3, eisers 4 en eisers 5 voeren aan dat, wanneer aan de normstelling voor slagschaduw op grond van het Activiteitenbesluit wordt voldaan, nog geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Verweerder heeft volgens hen nagelaten te beoordelen of met de vastgestelde mate van slagschaduw sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Eisers 2 (Kanaaldijk [huisnummer] ), eisers 7 (Hub [huisnummer] ) en eisers 8 (Kanaaldijk, Vreedepeelweg en Witdonk) voeren aan dat uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening een voorschrift had moeten worden opgenomen om overlast als gevolg van slagschaduw te voorkomen vanwege de cumulatie met het windpark Neer. Het Activiteitenbesluit voorziet hier namelijk niet in.
35. In artikel 3.14, vierde lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat bij het inwerking hebben van een windturbine ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering de bij ministeriële regeling te stellen maatregelen worden toegepast. Deze ministeriële regeling is de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: de Activiteitenregeling).
36. Bijlage 10 bij de ruimtelijke onderbouwing bevat de rapportage van het onderzoek naar de effecten van slagschaduw. Hierin wordt geconcludeerd dat met toepassing van de voorgeschreven stilstandvoorziening (bladzijde 38 van de ruimtelijke onderbouwing) aan de normering uit het Activiteitenbesluit (maximaal 5 uur en 20 minuten per jaar bij gevoelige objecten) wordt voldaan. In het onderzoek slagschaduw is ook de cumulatieve slagschaduw (met windpark Neer) beschouwd en vastgelegd dat op grond van deze berekening de stilstandvoorziening wordt ingesteld. Bij de behandeling van de beroepen ter zitting is door vergunninghoudster toegelicht dat er software zal worden gebruikt die mede is afgestemd op de slagschaduw die windpark Neer veroorzaakt. Bij dreigende overschrijding van de norm door slagschaduw al of niet mede veroorzaakt door windpark Neer, worden de windturbines van windpark Egchel automatisch stopgezet. Volgens het onderzoeksrapport wordt overigens bij de woningen van eisers aan de Vreedepeelweg [huisnummers] en Hub [huisnummer] aan de gecumuleerde norm voldaan zonder stilstandvoorziening. De automatische stilstandvoorziening houdt in dat in de windturbinebesturing een kalender van dagen en tijden wordt geprogrammeerd, waarmee de rotor wordt gestopt als de maximumduur wordt overschreden en de zonneschijnsensor aangeeft dat de zon schijnt en deze op een zodanige positie ten opzichte van een gevoelig object staat dat daar hinder door slagschaduw kan optreden. Naar het oordeel van de rechtbank is er door die voorziening geen reden om niet te spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daartoe wordt nog gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, waarin is geoordeeld dat bij de beoordeling van welke hinder van slagschaduw in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is te achten, in redelijkheid kan worden aangesloten bij de in artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer opgenomen norm. Eisers hebben ter zitting hun twijfels geuit of de stilstandvoorziening softwarematig afgestemd kan worden op windpark Neer. De rechtbank ziet daarin geen reden om aan te nemen dat het niet mogelijk is om de automatische stilstandvoorziening zo in te stellen dat ter plaatse van de gevoelige objecten met de slagschaduw van beide windparken rekening wordt gehouden. Het onderzoek slagschaduw maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Indien aan de norm voor (gecumuleerde) slagschaduw niet wordt voldaan, kan daartegen handhavend worden opgetreden. Aan de rechtmatigheid van de verlening van de omgevingsvergunning doet dit niet af. Deze beroepsgronden slagen niet.
37. Eisers 1 betogen aanvullend dat door verweerder ten onrechte geen rekening is gehouden met een aan hen verleende omgevingsvergunning (milieu en bouw) voor de locatie Schorfweg [huisnummer] .
38. Verweerder heeft erop gewezen dat de verleende omgevingsvergunning voor de locatie Schorfweg [huisnummer] betrekking heeft op het oprichten van agrarische bebouwing. Er is geen bedrijfswoning op de locatie aangevraagd en dus ook niet vergund. Volgens verweerder is met de verleende vergunning het gehele bouwblok benut, zodat uitgesloten is dat daar nog een bedrijfswoning kan worden gerealiseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Verweerder heeft dan ook op goede gronden het standpunt ingenomen dat er geen reden is om aan te nemen dat op dit perceel geen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.
39. Eiseres 3 heeft aangevoerd dat de windturbines een negatief effect zullen hebben voor de exploitatie van de visvijvers aan de Katsberg [huisnummer] . Zij betoogt dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden omdat een windpark planologisch niet past bij een recreatieve bestemming. Dat komt niet alleen door de slagschaduw maar ook door het geluid van en het uitzicht op de windturbines. Bezoekers van de forellenvijvers en het bijbehorende terras komen immers voor hun rust naar deze locatie en die wordt verstoord door de windturbines. Tevens vreest eiseres voor stress bij de forellen. Haar bedrijfsbelang wordt daardoor ernstig geschaad.
40. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er bij de visvijvers geen onaanvaardbare hinder door slagschaduw optreedt. De rechtbank merkt daarbij op dat het tot verweerders taak behoort om de betrokken belangen af te wegen en dat de rechtbank die afweging dient te respecteren, tenzij moet worden gezegd dat bepaalde belangen niet aan de afweging zijn betrokken of verweerder in redelijkheid niet tot het resultaat van de afweging is kunnen komen. Ten aanzien van de belangen van eiseres 3 heeft verweerder doen wegen dat slagschaduw met name bij laagstaande zon in de wintermaanden (op maximaal 84 dagen) aan de orde is en dat dan de visvijvers, zoals eiseres ter zitting heeft bevestigd, niet worden gebruikt. Het gaat daarbij volgens de berekening in het onderzoek, waarvan de juistheid door eiseres niet is betwist, om in totaal circa 12 uur op jaarbasis. Verder wordt het effect gemitigeerd door de aanwezigheid van afschermende elementen zoals bomen. Daarbij komt dat door omliggende, beschermde objecten ook ter plaatse van de visvijvers regelmatig sprake zal zijn van stilstand. Bij de visvijvers die vanaf de rand van het perceel op een afstand van circa 559 meter tot de dichtstbijzijnde turbine (WT1) liggen, wordt aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit voldaan. In het landschap en de directe omgeving van het object van eiseres zijn diverse uitzichtbeperkende landschapselementen aanwezig. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de aanwezigheid van windturbines in de nabijheid een recreatieve voorziening van invloed kan zijn op de aantrekkelijkheid daarvan voor bezoekers, is zij van oordeel dat verweerder het belang bij realisatie van het windpark in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiseres bij een ongestoorde bedrijfsvoering. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op de mogelijkheid om, inden de bedrijfsvoering en de gezondheid van de vissen aantoonbaar worden geschaad, een planschadeverzoek in te dienen.
41. Het betoog van eisers 6 komt erop neer dat de kassen aan de Vreedepeelweg [huisnummer] op dezelfde voet als woningen als gevoelig object hadden moeten worden aangemerkt en dat er daarom geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Door de slagschaduw in de kassen zullen de werkomstandigheden verslechteren en zal het moeilijker worden om nog personeel te vinden.
42. Wat betreft de kassen van eisers 6 aan de Vreedepeelweg [huisnummer] is in het slagschaduwonderzoek berekend dat de hoeveelheid slagschaduw op de kas 70 uur op jaarbasis bedraagt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de kassen geen gevoelig object zijn in de zin van artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zodat de norm van d