Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:10669

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:10669, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 03.121120.19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.121120.19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2019

in de strafzaak tegen
[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens 2]thans gedetineerd in PI Vught - Nieuw Vosseveld 1 HVB te Vught.
Verdachte wordt bijgestaan door mr. C.G. Peerik, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.

ECLI:NL:RBLIM:2019:10669:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03.121120.19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2019

in de strafzaak tegen
[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens 2]thans gedetineerd in PI Vught - Nieuw Vosseveld 1 HVB te Vught.
Verdachte wordt bijgestaan door mr. C.G. Peerik, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 november 2019. Verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1:

Feit 2:

Feit 3:

Feit 4:

Feit 5:

Feit 6:

Feit 7:

overwegingen

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Over feit 1 wijst de officier van justitie op de aangifte van [benadeelde 4] en twee processen-verbaal van bevindingen waarbij verbalisanten op ambtseed/belofte verklaren dat zij verdachte ambtshalve herkennen. Verdachte heeft in ieder geval in de coffeeshop te Venray gepind.

Over feit 2 wijst de officier van justitie op de aangifte van [benadeelde 5] en twee processen-verbaal van bevindingen waarbij verbalisanten op ambtseed/belofte verklaren dat zij verdachte ambtshalve herkennen.

Over feit 3 wijst de officier van justitie op de aangiftes van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , de getuigenverklaring van [getuige 1] en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] . De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking de bedreiging met een terroristisch misdrijf. Verdachte doet de bedreigingen onder voorbehoud dat hij vrijkomt, waardoor bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.

Over feit 4 wijst de officier van justitie op de aangifte van [benadeelde 1] en de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] . De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [benadeelde 1] door de gedragingen van verdachte niet haar rechtmatige ambtsverrichtingen kan uitvoeren, en, indien de rechtbank daar anders over denkt, dat de uitlatingen van verdachte in ieder geval de als meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging opleveren.

Over feit 5 wijst de officier van justitie op de aangifte van [benadeelde 2] en de getuigenverklaring van [getuige 4] [getuige 5] . In de onderhavige zaak gaat het om een andere situatie dan iemand die een telefonist(e) van alarmnummer 112 aan de lijn krijgt. Verdachte weet dat als hij gebruik maakt van de intercom dat hij iemand verderop in gang van de penitentiaire inrichting aan de lijn krijgt.

Over feit 6 wijst de officier van justitie op de bekennende verklaring van verdachte.

Over feit 7 deelt de officier van justitie mede dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de afgelegde verklaringen. Het door de raadsman aangehaalde arrest van de Hoge Raad heeft niet de conclusie dat in dat geval er geen sprake kon zijn van een bedreiging, maar dat het Hof zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd had.

3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van alle ten laste gelegde feiten, behalve feit 6. De raadsman bepleit over feit 6 dat vernieling van de isoleercel niet bewezen kan worden en refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.
Over feit 1 bepleit de raadsman dat er geen objectief bewijs is dat er gepind is op de in de aangifte genoemde locaties en dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die heeft gepind.

Over feit 2 bepleit de raadsman dat er te veel contra-indicaties zijn voor een adequate identificatie door middel van de camerabeelden. Daarnaast komen de tijdstippen genoemd in de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden bekeken niet overeen.

Over feit 3 bepleit de raadsman dat er geen sprake van redelijke vrees kon ontstaan bij de bedreigden dat zij het leven konden verliezen, gelet op de omstandigheden waaronder de bedreigingen zijn geuit, omdat zij niet geloofwaardig waren en dat opzet afwezig was. In het bijzonder met betrekking tot bedreiging met een terroristisch misdrijf. Over de onbekend gebleven personen geldt dat niet kan worden beoordeeld of zij redelijke vrees konden krijgen en of de bedreiging hen heeft bereikt.

Over feit 4 bepleit de raadsman dat sprake is van het beginsel unus testis nullus testis (artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering), immers noemt getuige [naam 1] de ten laste gelegde woorden niet in zijn geheel. Over feit 4 primair en subsidiair bepleit de raadsman dat de opzet op de ambtsdwang en het feitelijke aspect van het dwingen tot nalaten van het in- en uitsluiten en verzorgen niet aanwezig is. Ter aanvulling op feit 4 subsidiair geldt dat verdachte enige ondernomen ambtshandeling van [benadeelde 8] heeft weerstreven. Over feit 4 meer subsidiair bepleit de raadsman dat er geen sprake is van redelijke vrees, omdat verdachte de bedreigingen niet waar kan maken vanuit de isoleercel.

Over feit 5 bepleit de raadsman primair dat niet is voldaan aan de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, subsidiair dat niet betrouwbaar kan worden vastgesteld dat verdachte de ten laste gelegde bewoordingen heeft geuit en meer subsidiair dat [benadeelde 8] geen redelijke vrees kon hebben, omdat [benadeelde 8] een anoniem persoon is die ver verwijderd is van verdachte.

Over feit 6 bepleit de raadsman dat vernieling niet bewezen kan worden en refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.

Over feit 7 bepleit de raadsman dat, omdat de aan verdachte ten laste gelegde uitlatingen zodanig sterke gelijkenis vertonen met die zoals onderwerp in HR 7 juni 2005, LJN: AT3659, dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken.

3.3
Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraakoverwegingen

Feit 4 primair:

Verdachte heeft vanuit zijn cel in PI de Geerhorst te Sittard op 3 maart 2019 tegen [benadeelde 1] , penitentiair inrichtingswerker, gezegd: “en zodra ik de kans krijg dan pak ik je.”
De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde 8] niet bezig was met een rechtmatige ambtsverrichting, bestaande uit het in- en uitsluiten en/of verzorgen van verdachte. Op het moment dat de verdachte de genoemde uitlatingen deed, bracht een collega van [benadeelde 8] medicatie naar de verdachte. Op dat moment hield [benadeelde 8] zich afzijdig en hield zich niet bezig met het in-/uitsluiten of het verzorgen van de verdachte.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 4 primair.

Feit 4 subsidiair:

Verdachte heeft vanuit zijn cel in PI de Geerhorst te Sittard op 3 maart 2019 tegen [benadeelde 1] , penitentiair inrichtingswerker, gezegd: ''Jij bent van mij, ik ga je pakken. Ik sta niet meer in voor jouw veiligheid. Je moet niet meer in de buurt van mijn cel komen. En zodra ik de kans krijg dan pak ik je''.
De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde 8] niet bezig was met een rechtmatige uitoefening van haar bediening, omdat zij niet bezig was met ambtshandelingen terwijl verdachte de genoemde uitlatingen deed. [benadeelde 8] hield zich immers afzijdig, terwijl haar collega de medicatie naar verdachte bracht.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 4 subsidiair.

Bewijsmiddelen
_2081b3ac-a1b0-4fe8-b228-293e9d70f0ba

feit 1:

[benadeelde 4]

Mijn fiets is op 28 maart 2019 te Oostrum, gemeente Venray, tussen 12:45 uur en 13:40 uur gestolen. Aan die fiets hing een fietstas met daarin mijn bankpas. Mijn bankpas is op verschillende plaatsen gebruikt.

Verbalisant [naam 2]

Op 28 maart 2019 zijn de volgende pintransacties verricht met de voornoemde bankpas.

[naam bedrijf] , [naam straat] , te [plaats] , 13.50 uur, 0,90 euro; [naam bedrijf] , [naam straat] te [plaats] , 14.00 uur, 2,10 euro; [naam bedrijf] , [naam straat] te [plaats] , 14.07 uur, 16,18 euro; [naam bedrijf] , [naam straat] te [plaats] , 14.12 uur, 5,99 euro; [naam bedrijf] , [naam straat] [plaats] , coffeeshop 14.16 uur, 8,00 euro; [naam bedrijf] , [naam straat] te [plaats] 14.20 uur, 2,00 euro.
Verbalisant [naam 2]

Door de medewerkster van [naam bedrijf] is aan mijn collega verklaard dat de tijdstippen in hun camerasysteem 10 minuten voorlopen op de daadwerkelijke en correcte tijd.

Ik zag op de camerabeelden van [naam bedrijf] dat op 28 maart 2019 om 14:13:16 uur kwam aanfietsen, afstapte en de winkel inliep.

Ik zag op de camerabeelden van het bedrijf [naam bedrijf] dat op 28 maart 2019 om 14:09:20 uur kwam aanfietsen en de winkel betrad. Ik zag dat om 14:12:31 uur een product aanbood bij de kassa. Ik zag dat er vervolgens door werd betaald middels contactloos pinnen. Ik zag dat het bedrijfspand verliet.

Ik zag op de camerabeelden van coffeeshop [naam bedrijf] dat op 28 maart 2019 om 14:15:38 uur bij de kassa stond en dat door een betaling werd verricht middels contactloos pinnen. Ik zag vervolgens dat iets van de balie afpakt en hierop het bedrijfspand verlaat.

Verbalisant [naam 1]

Ik kreeg van mijn collega camerabeelden te zien, waarop een mannelijk persoon te zien is die met een gestolen pinpas softdrugs koopt bij een coffeeshop, gelegen aan de [naam bedrijf] te [plaats] . Ik zag een man op de camerabeelden, welke middels een gestolen bankpas contactloos betaald. Ik herken de persoon op de camerabeelden direct terug. Ik zag op de camerabeelden dat dit de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] was. Als zijnde wijkagent heb ik meerdere malen contact gehad met [verdachte] .

Verbalisant [naam 2]

Ik bekeek de camerabeelden van een frauduleuze pintransactie bij de coffeeshop ' [naam bedrijf] ' gelegen aan de [naam bedrijf] te [plaats] . Ik herkende de persoon welke om 14.16 uur een contactloze pinbetaling verricht als de mij ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [geboortegegevens 1] . Tijdens mijn werkzaamheden in de noodhulpsurveillance heb ik [verdachte] meerdere malen gecontroleerd en staande gehouden. Daarnaast zag ik een foto van hem in de Strafrecht Keten Data Bank welke op 7 november 2018 van hem was genomen waarop ik hem voor 100 procent herkende van de camerabeelden.

feit 2:

[benadeelde 5]

Vandaag (de rechtbank begrijpt: 2 april 2019), overdag, misten we frisdrank, welk ligt opgeslagen in het schuurtje achter de woning. Hierop zijn we de camerabeelden gaan terug kijken. We zagen op de betreffende beelden dat er op dinsdag 2 april 2019, omstreeks 00.35 uur, een vreemde persoon in de schuur was geweest. (…) Uiteindelijk zagen we hem dus weer naar buiten komen met een plastic tas in zijn hand welke vol leek te zijn met spullen, naar later bleek blikjes van het merk Hero. Het ging om cassis, appelsap en sinaasappelsap

Vandaag woensdag 3 april 2019, omstreeks 01.20 uur, (…) keken we naar buiten en zag ik ook een vreemde fiets bij ons in de achtertuin staan. Ik zag vervolgens ook beweging in het schuurtje (...). Bij terug kijken op de beelden was te zien dat het dezelfde man betrof als die gisteren de frisdrank had weggenomen. (…) Op het eerste oog mis ik nu wederom drank. Nu volgens mij een fles Hugo en een bierpakketje en wat frisdrank.

De camerabeelden (…) worden ter beschikking gesteld aan het onderzoek van de politie.

Verbalisant [naam 1]

Ik zie op fragment 1 de datum 1 april 2019 en de tijd 23.33.20 uur. Daarboven staat het adres [naam straat] . Ik zie op er om 23.35.23 uur een fietser in beeld komt. Ik herken deze persoon als de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik ken [verdachte] van eerdere strafbare feiten waarvoor hij als verdachte in aanmerking kwam en waarvoor ik hem als verdachte gehoord heb. Ik zie dat [verdachte] om 23.37.07 uur de deur opent van de berging, de berging in gaat en de deur achter zich sluit. [verdachte] is nu uit het zicht. Om 23.42.25 uur komt een man die op [verdachte] lijkt naar buiten. Hij heeft dezelfde kleding aan als [verdachte] en heeft hetzelfde postuur. Deze persoon kijkt niet naar de camera's. Hij sluit vervolgens de deur van de berging. Heeft op dat moment een volle tas bij zich en loopt gebukt naar de poort van het erf en verdwijnt vervolgens uit beeld.

Ik zie op fragment 2 de datum 3 april 2019 en de tijd 00.33.14 uur. Daarboven staat het adres [naam straat] . Ik zie op 00.33.10 uur een fietser in beeld komt. De persoon draagt dezelfde kleding als [verdachte] in het eerste beeldfragment. Ik zie dat de fietser om 00.33.17 uur stopt bij de poort van het erf. Hij kijkt dan in de richting van de woning. Hij heeft een capuchon op zijn hoofd, maar het gezicht van [verdachte] is duidelijk herkenbaar. [verdachte] gaat om 00.34.14 uur de berging in. Hij sluit de deur en tegelijkertijd gaat het licht in de berging aan. [verdachte] verdwijnt dan uit beeld. Om 00.36.05 uur gaat de deur van de berging gaat open. [verdachte] komt naar buiten en heeft geen capuchon meer op zijn hoofd. Hij heeft twee flessen in zijn rechterhand die hij in de fietstas stopt. Hij kijkt daarbij een paar keer in de richting van de camera waardoor zijn gezicht goed in beeld komt. Om 00.36.36 uur gaat [verdachte] weer de berging in. [verdachte] komt om 00.37.08 uur naar buiten. Hij heeft op dat moment iets wat op een kleine koffer lijkt vast met zijn rechterhand. Om 00.37.29 uur fietst [verdachte] het erf af. Hij houdt dan in zijn rechterhand een voorwerp vast. Dan is ook te zien dat het geen koffer is maar ene rechthoekig formaat plastic tas. Deze ziet er vol uit.

Verbalisant [naam 1]

Ik kreeg van mijn collega camerabeelden te zien, waarop een diefstal uit een schuurtje te zien was, welke gepleegd was op de [naam straat] te [plaats] . Ik zag een man op de camerabeelden, welke de inbraak pleegde. Ik herkende de verdachte direct. Ik zag op de camerabeelden dat dit de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] betrof. Afgelopen zaterdag 30 maart 2019, omstreeks 01.20 uur heb ik [verdachte] nog gecontroleerd in het openbare ordegebied van Venlo. Tevens ken ik [verdachte] van het project fietsendiefstal welke in ons basisteam wordt gedraaid.

feit 3:

[benadeelde 4]

Op vrijdag 5 april 2019, omstreeks 09.30 uur, was ik aan het werk in (…) het cellencomplex ( [naam straat] , [plaats] ) om te assisteren bij collega's van de district-recherche. (…) Ik hoorde hem (verdachte) zeggen dat hij mij, mijn vriendin en mijn kinderen zou dood maken. Ik hoorde tevens dat hij zei dat hij een grote bom zou maken en deze op het politiebureau zou gooien. Deze bedreigingen heeft hij meerdere keren gezegd. Tijdens het transport van de cel naar de arrestantenbus heeft hij ook de collega's die meeliepen bedreigd met de dood. Hij riep meermaals dat hij ons allemaal stuk voor stuk zou opzoeken en zou doodmaken. Ook uitte hij de bedreigingen in de richting van familieleden, echtgenoten en kinderen van ons. Hij riep: "Ook jullie kinderen gaan eraan, stuk voor stuk. Ik voel mij door de bedreigingen met de dood bang en onveilig. Ik ben bang dat hij de daad bij zijn woorden zet en mij, mijn vriendin en kinderen iets aan zal doen".
[benadeelde 7]

Op vrijdag 5 april 2019, was ik werkzaam als arrestantenverzorger aan de [naam straat] te [plaats] . (…) Hij (verdachte) schreeuwde: “Ik dood alle onschuldigen, ik blaas ze allemaal op. Ik maak jou en je kinderen kapot, ik onthoud jou gezicht wel hoor. Ik blaas alle Nederlanders op, ik maak veel onschuldige slachtoffers. Ik vind jou wel.” Dit deed hij op een dreigende, schreeuwende manier. Ik voelde mij door [verdachte] zeer bedreigd hierdoor. Mede doordat hij mijn familie op een directe manier betrekt. [verdachte] keek echt op een heel indringende manier. Ik kan dit niet goed omschrijven maar dat voelde bedreigend aan.

Verbalisant [naam 2]

Op vrijdag 5 april 2019 [was] ik (…) aanwezig in het cellencomplex van het politiebureau te Venlo. (…) Ik hoorde hem (verdachte) roepen: "als ik vrij kom dan maak ik een bom en blaas hier iedereen op". Ik hoorde hem ook bedreigingen uiten richting onze vrouwen en kinderen. Hij riep herhaaldelijk: "Ik ga jullie vrouwen en kinderen opzoeken en schiet ze allemaal dood." Ik hoorde hem ook nog zeggen: "dit is mijn Fatwa."

Getuige [naam 2]

Vrijdag 5 april 2019 was ik (…) werkzaam bij het cellencomplex van de politie op de [naam straat] in [plaats] . (…) Ik hoorde dat hij (verdachte) op een boze manier riep: "Ik maak jullie dood." Ik zag dat hij in eerste instantie daarbij naar de politieagent [naam 2] keek. Ik hoorde ook dat hij riep: "Ik ga aanslagen plegen op basisscholen, op kinderen."

feit 4 meer subsidiair:

[benadeelde 1]

Op zondag 3 maart 2019 (in de PI Sittard binnen de gemeente Sittard-Geleen) (…) hoorde ik hem (verdachte) zeggen ''Jij bent van mij, ik ga je pakken. Ik sta niet meer in voor jouw veiligheid. Je moet niet meer in de buurt van mijn cel komen. En zodra ik de kans krijg dan pak ik je''.

Getuige [naam 2]

Het klopt dat [verdachte] zei: [naam 1] , als ik jou was, zou ik niet meer in de buurt van mijn cel komen. Als ik je te pakken krijg, dan ben je van mij. Dan pak ik je. Ik sta niet voor jouw veiligheid in op deze afdeling."

feit 5:

[benadeelde 2]

Ik ben werkzaam als complex beveiliger bij de PI [adresgegevens PI] . [verdachte] is een gedetineerde en zat in een isoleercel. Elke cel heeft een knop die gebruikt kan worden indien er een noodgeval is voor de gedetineerde. Indien de knop afgaat, hoor je een geluid en die kan ik dan via een beeldscherm aannemen. Er is dan verbinding via een intercom met de gedetineerde. Op 5 maart 2019 omstreeks 00.15 uur maakte [verdachte] een celoproep en begon meteen te dreigen. Hij dreigde met de woorden: Ik weet hoe jullie eruit zien, jullie halen de parkeerplaats niet. Ik ga je doodschieten met een Kalasjnikov. Ik heb de oproep weggeklikt. 20 minuten later maakte [verdachte] weer een celoproep en begon weer te dreigen met de woorden: ik ga je neersteken, ik weet je te vinden. (…) Het enige wat [verdachte] zei was dat een collega van mij de derde kogel zou krijgen en ik de eerste.

[benadeelde 2]

Er wordt standaard aan gedetineerden uitgelegd dat hij een noodknop heeft. In principe zijn de knoppen alleen voornoodgevallen, maar indien je in een isoleercel zit mag je ook op de knop duwen als (…) de (de rechtbank begrijpt: wc) moet worden doorgespoeld. (…) [verdachte] heeft om water gevraagd en hij klaagde dat hij zijn medicijnen niet had gehad.

Getuige [naam 2]

[naam 2] beantwoordde de oproep. Hij wilde weer water en wc papier. Ik antwoordde toen. Ik zei dat hij de camera vrij moest maken zodat we konden zien wat hij deed. [verdachte] zei toen: "Voor jullie het terrein af komen zijn jullie allemaal dood." (…) [verdachte] zei toen: "Kankerbitch, de eerste kogel is voor jou". Het kan ook zijn dat hij zei: "Kankerbitch de derde kogel is voor jou."

feit 6:

De rechtbank is van oordeel dat feit 6 wettig en overtuigend bewezen is gelet op:
feit 7:

[benadeelde 3]

Ik ben werkzaam in PI [adresgegevens PI] als bewaarder complex beveiliger. [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) zat gedetineerd tot zaterdag 9 maart 2019. Bij zijn vrijlating (op 9 maart 2019) uitte hij richting mijn persoon bedreigingen. Ik hoorde hem het volgende zeggen: "Als jij buitenkomt dan ben je van mij". Aangezien er meer collega's van mij bij stonden herhaalde hij de zin in het meervoud: "Als ik jullie buiten tegenkom zijn jullie van mij, ik maak jullie kapot."

Getuige [naam 1]

[verdachte] werd op 9 maart 2019 ontslagen uit de PI te Sittard. [naam 2] waren hierbij aanwezig. (…) [verdachte] zei toen: "Wacht maar tot ik buiten ben. Dan wacht ik jullie op. Ik maak jullie kapot als jullie buiten komen."

Getuige [naam 2]

[verdachte] zei: "Schiet op, ik wil je kut kop niet meer zien. Als ik jullie buiten tegen kom, dan zijn jullie van mij. Dan maak ik jullie kapot."

Bewijsoverwegingen

Bewijsoverwegingen over feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Daartoe overweegt zij als volgt. Uit het bewijsmiddelenoverzicht volgt dat verdachte door twee verbalisanten, die op ambtseed verklaren en die verdachte kennen, is herkend als zijnde de persoon die contactloos heeft gepind bij de coffeeshop [naam bedrijf] . De persoon die bij de coffeeshop heeft gepind (verdachte) heeft een korte tijd daarvoor ook gepind bij [naam bedrijf] en is weer kort daarvoor binnen geweest bij de [naam bedrijf] . De bankpas van [benadeelde 1] is op 28 maart 2019 tussen 12:45 uur en 13:40 uur gestolen en is dezelfde dag in dezelfde gemeente om 13:50 uur gebruikt om te pinnen. De maximale tijd tussen het wegnemen van de bankpas en de pintransactie bij de [naam bedrijf] bedraagt 65 minuten. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het geringe tijdsverloop tussen de diefstal van de bankpas, de pintransactie bij de [naam bedrijf] en de daarop volgende pintransacties, en de voornoemde herkenning van verdachte, het niet anders kan dan dat verdachte de pintransacties heeft verricht bij [naam bedrijf] .
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte op 28 maart 2019 in de gemeente Venray een hoeveelheid geld heeft weggenomen, toebehorende aan [benadeelde 4] , waarbij hij het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Bewijsoverwegingen over feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte ‘s nachts omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 3 april 2019 uit een schuur bij de woning gelegen aan de [naam straat] te [plaats] meer blikjes frisdrank, wijn en bier, toebehorende aan [benadeelde 5] , heeft weggenomen. Daartoe overweegt zij als volgt.
Aangeefster [benadeelde 5] verklaart dat blikjes cassis, appelsap en sinaasappelsap, een fles Hugo, een bierpakketje en meer frisdrank zijn weggenomen uit een schuur achter de woning gelegen aan de [naam straat] te [plaats] . Op de camerabeelden is te zien dat verdachte in de nacht van 1 op 2 april 2019 en op 3 april 2019 de schuur zonder spullen betreedt en de schuur daarna met een volle tas verlaat. Verdachte is door twee verbalisanten, die op ambtseed verklaren, herkend.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de klok op 31 maart 2019 werd verzet van wintertijd naar zomertijd. Het is waarschijnlijk dat aangeefster de zomertijd noemt in haar aangifte en dat de tijd weergegeven op de camerabeelden de wintertijd is.

Bewijsoverwegingen over feit 3:

Uit het bewijsmiddelenoverzicht volgt dat verdachte op 5 april 2019, in het cellencomplex van het politiebureau in de gemeente Venlo, het volgende heeft geroepen tegen [benadeelde 7] en/of [benadeelde 6] en/of [getuige 1] en/of [getuige 1] .
Bedreiging met een terroristisch misdrijf?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte heeft gedreigd met een terroristisch misdrijf en overweegt hierover het volgende.
Uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2001-2002, 28 463) volgt dat de bedreiging met een terroristisch misdrijf in staat moet zijn om grote vrees onder de bevolking te veroorzaken, waarbij de wetgever beklemtoont dat daarvan sprake is indien de bedreiging geloofwaardig is.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van een oogmerk om de bevolking ernstige vrees aan te jagen niet alleen de bewoordingen bepalend, maar zullen deze moeten worden bezien met de context waarin die woorden zijn geuit.

Verdachte heeft de hiervoor genoemde bewoordingen geroepen tegen drie politieagenten en één particuliere beveiliger in het politiebureau vanuit een cel.

Hoewel de bewoordingen van de ten laste gelegde uitlatingen op zichzelf geschikt zijn om een bedreiging met een terroristisch misdrijf te kunnen opleveren, is de rechtbank van oordeel, dat die uitlatingen, gelet op de gegeven omstandigheden (de plaats waar en de context waarin ze zijn gedaan), niet tot doel hadden en ook niet geschikt waren om de bevolking ernstige vrees aan te jagen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van bedreiging met een terroristisch misdrijf.

Redelijke vrees om het leven te verliezen?

Om tot een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht te kunnen komen dient, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, onder meer te worden bewezen dat ‘de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.’
Getuige [naam 2] heeft verklaard dat hij heeft hoorde dat verdachte riep: “ik maak jullie dood.” Hij zag dat verdachte in eerste instantie daarbij naar [naam 2] keek. De getuige hoorde ook dat verdachte riep: “Ik ga aanslagen plegen op basisscholen, op kinderen.” Daarnaast hoeft de omstandigheid dat de bedreiging wordt geuit op het moment dat verdachte deze niet ten uitvoer kan brengen, omdat hij op dat moment aangehouden is en in een cel op het politiebureau zit, niet in de weg te staan aan de strafbaarheid van de bedreiging. In de woorden van de Hoge Raad (HR 11 november 2008, 2008/598) kan deze omstandigheid niet redengevend zijn voor het ontkennende antwoord op de vraag of de bedreiging naar aard en strekking bij de bedreigden de redelijke vrees kon doen ontstaan dat zij - later - het leven zouden kunnen verliezen.

De rechtbank is, gelet op de voornoemde omstandigheden, van oordeel dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

Bedreiging van onbekend gebleven personen?

De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemd misdrijf is niet vereist dat dat misdrijf is gericht tegen de bedreigde persoon zelf. Door tegen [naam 2] en [naam 2] te zeggen dat hun familieleden, echtgenoten en kinderen eraan gaan, stuk voor stuk, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bedreigden door [naam 2] en [naam 2] op de hoogte zou raken van de bedreiging.
De rechtbank komt, gelet op het bovenstaande, tot een bewezenverklaring van feit 3.

Bewijsoverwegingen over feit 4 meer subsidiair:

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Uit het bewijsmiddelenoverzicht volgt dat verdachte op 3 maart 2019, vanuit een cel in de PI [adresgegevens PI] , tegen [benadeelde 1] heeft gezegd: “jij bent van mij, ik ga je pakken. Ik sta niet meer in voor jouw veiligheid. Je moet niet meer in de buurt van mijn cel komen. En zodra ik de kans krijg dan pak ik je”, althans woorden van soortgelijke aard of strekking. De rechtbank constateert dat de getuige [naam 1] weliswaar niet dezelfde woorden als de aangeefster noemt, maar dat hij wel woorden van soortgelijke aard of strekking noemt en acht derhalve geloofwaardig dat verdachte woorden van soortgelijke aard of strekking heeft geuit.

De omstandigheid dat de bedreiging wordt geuit op het moment dat verdachte deze niet ten uitvoer kan brengen, omdat hij op dat in een cel in de PI zit, niet in de weg te staan aan de strafbaarheid van de bedreiging. In de woorden van de Hoge Raad (HR 11 november 2008, 2008/598) kan deze omstandigheid niet redengevend zijn voor het ontkennende antwoord op de vraag of de bedreiging naar aard en strekking bij de bedreigde de redelijke vrees kon doen ontstaan dat zij - later - het leven zouden kunnen verliezen.Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de door verdachte geuite bedreigingen bij aangeefster die vrees hebben doen ontstaan.
De rechtbank komt, gelet op het bovenstaande, tot een bewezenverklaring van feit 4 meer subsidiair.

Bewijsoverwegingen feit 5:

Uit het bewijsmiddelenoverzicht volgt dat verdachte op 5 maart 2019, vanuit een isoleercel in de [adresgegevens PI] , tegen [benadeelde 2] heeft gezegd: “Ik weet hoe jullie eruit zien, jullie halen de parkeerplaats niet. Ik ga je doodschieten met een Kalasjnikov” en “ik ga je neersteken, ik weet je te vinden”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door tegen die [naam 1] te zeggen dat die [naam 1] de eerste kogel zou krijgen, althans woorden van soortgelijke aard of strekking. De rechtbank constateert dat de getuige [naam 2] weliswaar niet dezelfde woorden als de aangever noemt, maar dat zij wel woorden van soortgelijke aard of strekking noemt en acht om die reden geloofwaardig dat verdachte woorden van soortgelijke aard of strekking heeft geuit.
Redelijke vrees om het leven te verliezen?

Uit het bewijsmiddelenoverzicht volgt dat er standaard aan gedetineerden wordt uitgelegd dat zij een noodknop hebben. In principe zijn de knoppen alleen voornoodgevallen, maar indien isoleercellen, waar verdachte zich in bevindt, mag ook op de knop duwen als de wc moet worden doorgespoeld. Verdachte heeft vanuit zijn cel om water gevraagd en hij klaagde dat hij zijn medicijnen niet had gehad.
De rechtbank overweegt dat hieruit blijkt dat verdachte ervan op de hoogte was dat hij iemand in de buurt van zijn isoleercel te spreken krijgt. [naam 2] is geen anoniem persoon die ver verwijderd is van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat bij [naam 2] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte op een ander moment zijn bedreiging waar zou maken en dat hij daarbij het leven zou kunnen verliezen.

De rechtbank komt, gelet op het bovenstaande, tot een bewezenverklaring van feit 5.

Bewijsoverweging feit 6:

Verdachte heeft wel bekend dat hij brand heeft gesticht in zijn cel, maar de verdediging heeft betoogd dat hiermee nog geen bewijs is geleverd dat de cel daarbij is vernield. Nu uit vaste jurisprudentie volgt dat ook indien een politiecel voor korte tijd niet gebruikt kan worden (totdat die schoongemaakt is bijvoorbeeld), er sprake is van “onbruik maken in de zin van artikel 350 Sr”, wordt dit verweer verworpen.
Bewijsoverwegingen feit 7:

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Uit het bewijsmiddelenoverzicht volgt dat verdachte op 9 maart 2019 tegen [benadeelde 3] in de gemeente Sittard-Geleen heeft gezegd: “als jij buitenkomt dan ben je van mij” en “als ik jullie buiten tegenkom zijn jullie van mij, ik maak jullie kapot”. De rechtbank komt, gelet op het bovenstaande, tot een bewezenverklaring van feit 7.



- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 november 2019;- het proces-verbaal aangifte door [naam 2] namens PI de Geerhorst;
- " Ik dood alle onschuldigen, ik blaas ze allemaal op. Ik maak jou en je kinderen kapot. Ik onthoudt jouw gezicht wel hoor. Ik blaas alle Nederlanders op, ik maak veel onschuldige slachtoffers. Ik vind jou wel";- dat hij, verdachte, een grote bom zou maken en deze op het politiebureau zou gooien;- "Als ik vrij kom dan maak ik een bom en blaas hier iedereen op";- " Ik ga jullie vrouwen en kinderen opzoeken en schiet ze allemaal dood" en "Dit is mijn Fatwa";- " Ik ga aanslagen plegen op basisscholen, op kinderen";- "Ik maak jullie dood";- dat hij, verdachte, die [getuige 1] , de vriendin van [getuige 1] en de kinderen van [getuige 1] dood zou maken en "ook jullie kinderen gaan eraan, stuk voor stuk".

3.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

1op meer tijdstippen op 28 maart 2019 in de gemeente Venray, een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen bankpas, tot welk gebruik hij, verdachte, niet gerechtigd was;
2op meer tijdstippen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en met 3 april 2019 in de gemeente Venlo, op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [naam straat] alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, meer flessen/blikjes frisdrank en wijn en bier, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3op 5 april 2019 in de gemeente Venlo, meer onbekend gebleven personen en [benadeelde 7] en [benadeelde 6] , meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ontstaat en met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van meer opsporingsambtenaren van politie eenheid Limburg voornoemde onbekend gebleven personen en [benadeelde 7] en [benadeelde 6] dreigend gezegd/geroepen:
- " Ik dood alle onschuldigen, ik blaas ze allemaal op. Ik maak jou en je kinderen kapot. Ik onthoudt jouw gezicht wel hoor. Ik blaas alle Nederlanders op, ik maak veel onschuldige slachtoffers. Ik vind jou wel" en- dat hij, verdachte, een grote bom zou maken en deze op het politiebureau zou gooien, en- "Als ik vrij kom dan maak ik een bom en blaas hier iedereen op", en- "Ik ga jullie vrouwen en kinderen opzoeken en schiet ze allemaal dood" en "Dit is mijn Fatwa", en- "Ik ga aanslagen plegen op basisscholen, op kinderen", en- "Ik maak jullie dood", en- dat hij, verdachte, die [naam 1] , de vriendin van [naam 1] en de kinderen van [naam 1] dood zou maken en "Ook jullie kinderen gaan eraan, stuk voor stuk";
4 meer subsidiairop 3 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen: “Jij bent van mij, ik ga je pakken. Ik sta niet meer in voor jouw veiligheid. Je moet niet meer in de buurt van mijn cel komen. En zodra ik de kans krijg dan pak ik je”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
5op 5 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik weet hoe jullie eruit zien, jullie halen de parkeerplaats niet. Ik ga je doodschieten met een Kalasjnikov" en "Ik ga je neersteken, ik weet je te vinden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door tegen die [benadeelde 4] te zeggen dat die [benadeelde 1] de eerste kogel zou krijgen;
6op 5 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen opzettelijk en wederrechtelijk een isoleercel en de zich daarin bevindende goederen, toebehorende aan PI de Geerhorst, onbruikbaar heeft gemaakt;
7op 9 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Als jij buitenkomt dan ben je van mij" en "Als ik jullie buiten tegenkom zijn jullie van mij, ik maak jullie kapot".De rechtbank heeft in het bovenstaande enkele schrijffouten in de tenlastelegging hersteld. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
4

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Ten aanzien van feit 1:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:
diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4 meer subsidiair:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 5:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 6:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken

Ten aanzien van feit 7:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5

Psychische overmacht

De raadsman heeft over feit 5 bepleit dat verdachte een beroep toekomt op psychische overmacht. Verdachte zat in een isoleercel. Hij was gefrustreerd omdat hij zijn medicatie niet had gekregen. Toen zijn oproep geen gehoor vond - de van buiten komende drang - kon hij zijn emoties niet meer de baas. Het is aannemelijk dat dit versterkt werd doordat hij in een isoleercel zat, een situatie waarin men zich machteloos kan voelen.
De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

De rechtbank stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.

Verdachte bevond zich door eigen toedoen rechtmatig in een isoleercel. Het is niet gebleken dat er sprake was van een voor verdachte aanwezige verontschuldigende extreme en acute vorm van een stresssituatie (zoals paniek en (doods-)angst, dissociatieve reacties, decompensatietoestanden of een toestand van depersonalisatie door vernauwing van het bewustzijn). Het is best voorstelbaar dat verdachte gefrustreerd was, maar dit is van een andere orde en is geen verontschuldiging voor zijn gedrag. Daarnaast is de bedreiging, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, niet proportioneel.

De rechtbank verwerpt daarom het beroep op psychische overmacht.

Nu het beroep op psychische overmacht faalt en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD-maatregel). De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet in staat is om te stoppen met het plegen van strafbare feiten. De eis heeft primair als (straf)doel dat de maatschappij voor twee jaar wordt beschermd tegen verdachte door hem gedurende die periode te onttrekken aan de maatschappij en subsidiair dat verdachte de kans krijgt om gedurende twee jaar aan zichzelf te werken.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, maar een voorwaardelijke ISD-maatregel of een straf met een sterk voorwaardelijk kader. De raadsman wijst hierbij naar de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is immers geen behandelplan is en dus geen perspectief op hoe verdachte geholpen zal worden voor de geconstateerde problemen. Verdachte heeft de knop omgezet en vertoont zeer goed gedrag in de PI Vught: hij gaat binnenkort zijn diploma poedercoaten halen en hij wil na detentie graag in deze branche werk zoeken.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft, zoals blijkt uit de bewezenverklaring, tussen 3 maart 2019 en 5 april 2019 een hoeveelheid geld gestolen door te pinnen met een bankpas die niet van hem is, een hoeveelheid drank gestolen uit een schuur bij een woning, minimaal 7 personen bedreigd (bestaande uit vijf bij naam genoemde personen en minimaal twee onbekend gebleven personen) en één isoleercel vernield.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij (de gezinnen van) ambtenaren, die niets anders deden dan hun werk in dienst van de samenleving, heeft bedreigd. De bedreigingen waren ernstig; verdachte gedroeg zich herhaaldelijk agressief, onhandelbaar en respectloos richting verbalisanten en medewerkers van de PI. Vooral op verbalisant [benadeelde 4] en PI-medewerkster [benadeelde 4] heeft dit diepe indruk gemaakt.

Verder weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij ter terechtzitting enerzijds stelt dat hij openheid van zaken zal geven, maar dat hij anderzijds de strafbare feiten simpelweg ontkent, bagatelliseert of er geen herinnering aan zegt te hebben.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van GGZ ERW Novadic-Kentron Eindhoven van 2 oktober 2019 over de verdachte en de ter terechtzitting gedane aanvullingen door getuige [naam 1] , opsteller van het advies. Hieruit blijkt dat de kans op recidive hoog is. Verdachte komt al vanaf jonge leeftijd veelvuldig in aanraking met politie en justitie en het zal hem zelfstandig niet lukken hier verandering in te krijgen. Verdachte heeft op meerdere vlakken hulp nodig. Een ambulant traject biedt onvoldoende handvaten om betrokkene op een adequate wijze te kunnen begeleiden. Eerder heeft verdachte zich niet gehouden aan voorwaarden. Verdachte zou psychologisch onderzocht moeten worden zodat bepaald kan worden welke behandelingen verdachte nodig heeft. De reclassering adviseert de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van verdachte. Blijkens zijn 21 pagina’s tellend strafblad is verdachte geen vreemde waar het gaat om het plegen van strafbare feiten. Verdachte heeft hiervoor meerdere voorwaardelijke en onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd gekregen.

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 22 juli 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde advies, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen‑verbaal tegen zich zag worden opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane strafbare feiten. Verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting aangegeven dat hij in de penitentiaire inrichting te Vught een opleiding tot poedercoater volgt en dat hij hiervoor op 26 november 2019 een examen gaat afleggen, maar de rechtbank heeft er, evenals de reclassering en de officier van justitie, onvoldoende vertrouwen in dat verdachte na detentie in staat zal zijn om zelfstandig zijn delictpatroon te doorbreken. Verdachte is bijvoorbeeld één dag na zijn laatste veroordeling tot een gevangenisstraf van 150 dagen waarvan 41 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren weer in de fout gegaan. Langdurige beveiliging, structuur, behandeling en begeleiding zijn noodzakelijk om de kans op recidive te beperken. De rechtbank volgt daarom de officier van justitie in zijn vordering en zal aan verdachte de ISD-maatregel opleggen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan het doorbreken van het delictpatroon van verdachte alle kansen te geven en voorts ter optimale beveiliging van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank ziet ten slotte op dit moment geen aanleiding om te beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het is aannemelijk dat de behandeling van de problematiek van verdachte de gehele termijn van twee jaren in beslag zal nemen.

Alles in aanmerking genomen acht de rechtbank de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren, passend en geboden.


7

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van 2.053,21 euro ter zake van feit 1, bestaande uit 1.553,21 euro materiële schade en 500,00 euro immateriële schade.
De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van 314,00 euro ter zake van feit 3, bestaande uit immateriële schade.

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van 350,00 euro ter zake van feit 4, bestaande uit immateriële schade.

7.2
Het standpunt van de officier van justitie

[naam 1]

Over de vordering van [naam 1] stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de gevorderde schade geen rechtstreekse schade is als gevolg van het ten laste gelegde feit.
[benadeelde 6]

Over de vordering van [benadeelde 7] stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering goed onderbouwd en aannemelijk is. Verdachte heeft niet alleen [benadeelde 7] persoonlijk bedreigd, maar ook zijn vrouw en kinderen. [benadeelde 7] is via de bedrijfsarts onder behandeling gekomen bij de psycholoog. De officier van justitie rekwireert tot toewijzing van de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde 1]

Over de vordering van [benadeelde 1] stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering voldoende onderbouwd en aannemelijk is. Het is aannemelijk dat dit feit grote gevolgen heeft gehad [benadeelde 7] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [benadeelde 7] overstuur was. De officier van justitie rekwireert tot toewijzing van de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging

[naam 1]

Over de vordering van [naam 1] stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de gevorderde schade geen betrekking heeft op de ten laste gelegde diefstal.
[benadeelde 6]

Over de vordering van [benadeelde 6] stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de vrijspraak wordt bepleit (primair) en omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (subsidiair). De raadsman stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat verdachte geen schade heeft in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
[benadeelde 1]

Over de vordering van [benadeelde 1] stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de vrijspraak wordt bepleit (primair) en omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (subsidiair).
7.4
Het oordeel van de rechtbank

[naam 1]

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de vordering van [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de gevorderde schade geen rechtstreekse schade is als gevolg van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [naam 1] daarom niet-ontvankelijk verklaren en de kosten van partijen compenseren.

[benadeelde 6]

Over de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank alsvolgt. [naam 1] heeft als gevolg van de bedreiging door verdachte schade geleden. Verdachte is daarom is aansprakelijk voor de door [naam 1] geleden schade. De gevorderde schadevergoeding heeft betrekking op immateriële schade. Voor toekenning daarvan is alleen plaats in de in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek genoemde gevallen. [naam 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij door de bedreigingen van verdachte in zijn persoon is aangetast. Hij heeft immers enige tijd niet kunnen werken en psychologische hulp gezocht. Het gevorderde bedrag van € 314,00 acht de rechtbank dan ook niet bovenmatig. Zij zal dit toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2019 tot aan de dag van algehele betaling. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De rechtbank zal verdachte ook veroordelen in de kosten van benadeelde partij tot op heden begroot op nihil en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

[benadeelde 1]

Over de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank alsvolgt. [benadeelde 7] heeft als gevolg van de bedreiging door verdachte schade geleden. Verdachte is daarom is aansprakelijk voor de door [benadeelde 7] geleden schade. De gevorderde schadevergoeding heeft betrekking op immateriële schade. Voor toekenning daarvan is alleen plaats in de in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek genoemde gevallen. [benadeelde 7] heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de bedreigingen van verdachte in haar persoon is aangetast. Zij ondervond zodanige problemen op haar werk dat zij zich tot de huisarts heeft moeten wenden en ze heeft tot op heden nog psychische begeleiding met de praktijdondersteuner van haar huisartspraktijk. Het gevorderde bedrag van € 350,00 acht de rechtbank dan ook niet bovenmatig. Zij zal dit toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2019 tot aan de dag van algehele betaling. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De rechtbank zal verdachte ook veroordelen in de kosten van benadeelde partij tot op heden begroot op nihil en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

8

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 63, 285, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Maatregel

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Nollen, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux,mr. F.J.W.M. Tas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.L. Hermans, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2019.
Buiten staat

mr. F.J.W.M. Tas is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen,zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzettegen een ambtenaar, [benadeelde 1] penitentiaire inrichtingswerker(PlW'er), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening,te weten verzorging van gedetineerden en/of het bewaken van de orde enveiligheid in de penitentiaire inrichting,welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die de woorden heeft toegevoegd: "Jij bent van mij, ik ga je pakken. Iksta niet meer in voor jouw veiligheid. Je moet niet meer in de buurt vanmijn cel komen. En zodra ik de kans krijg dan pak ik je", althans woordenvan soortgelijke aard en/of strekking;( art 180 Wetboek van Strafrecht)meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen: “Jij bent van mij, ik ga je pakken. Ik sta niet meer in voor jouw veiligheid. Je moet niet meer in de buurt van mijn cel komen. En zodra ik de kans krijg dan pak ik je”, althans woorden van gelijke driegende aard of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
- spreekt verdachte vrij van de onder feit 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;
- voor de duur van 2 jaren voor de feiten 1, 2, 3, 4 meer subsidiair, 5, 6 en 7;
1hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 28 maart 2019 in degemeente Venray, een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheelof ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 4] ,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe teeigenen,terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeftverschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeftgebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolenbankpas, tot welk gebruik hij, verdachte, niet gerechtigd was;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek vanStrafrecht)
2hij op een of meer tijdstippen gedurende de voor de nachtrust bestemdetijd, in elk geval op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periodevan 1 april 2019 tot en met 3 april 2019 in de gemeente Venlo,op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de[naam straat] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wilvan de rechthebbende bevond, telkens een of meer flessen/blikjesfrisdrank en/of wijn en/of bier, in elk geval enig goed, dat geheel of tendele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 5] , heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe teeigenen;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek vanStrafrecht)
3hij op of omstreeks 5 april 2019 in de gemeente Venlo,een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) en/of [benadeelde 7]en/of [benadeelde 6] ,meermalen heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, en/of enigmisdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/ofgoederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht,immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van een of meeropsporingsambten(a)r(en) van politie eenheid Limburg voornoemd(e)(onbekend gebleven) perso(o)n(en) en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 7] dreigend gezegd/geroepen:
- " Ik dood alle onschuldigen, ik blaas ze allemaal op. Ik maak jou en jekinderen kapot. Ik onthoudt jouw gezicht wel hoor. Ik blaas alleNederlanders op, ik maak veel onschuldige slachtoffers. Ik vind jou wel",althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of- dat hij, verdachte, een grote bom zou maken en deze op hetpolitiebureau zou gooien, althans woorden van soortgelijke aard en/ofstrekking en/of- "Als ik vrij kom dan maak ik een bom en blaas hier iedereen op", althanswoorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of- "Ik ga jullie vrouwen en kinderen opzoeken en schiet ze allemaal dood"en/of "Dit is mijn Fatwa", althans woorden van soortgelijke aard en/ofstrekking en/of- "Ik ga aanslagen plegen op basisscholen, op kinderen", althans woordenvan soortgelijke aard en/of strekking en/of- "Ik maak jullie dood", althans woorden van soortgelijke aard en/ofstrekkin