Uitspraak ECLI:NL:RBLIM:2019:10220

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Limburg op 13-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBLIM:2019:10220, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 04/804350-12


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 04/804350-12

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,wonende te [adresgegevens verdachte] ,gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat, kantoorhoudende te Venlo, en mr. G.G.J.A. Knoops, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam.

ECLI:NL:RBLIM:2019:10220:DOC
nl

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 04/804350-12

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,wonende te [adresgegevens verdachte] ,gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat, kantoorhoudende te Venlo, en mr. G.G.J.A. Knoops, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam.

1

De zaak is eerder inhoudelijk behandeld door de voormalige rechtbank Roermond. Door die rechtbank is op 2 april 2014 vonnis gewezen. Het oordeel luidde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was. Na ingesteld hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bij arrest van 26 mei 2015 vernietigd en de zaak terug verwezen naar het gerecht in eerste aanleg.
Na een aantal pro-formabehandelingen en regiebehandelingen is de zaak uiteindelijk opnieuw inhoudelijk behandeld op de zittingen van 2, 3, 4, 7 en 8 oktober 2019. De verdachte en mr. Heuvelmans zijn op alle zittingsdagen verschenen. Mr. Knoops is verschenen op de zitting van 7 oktober 2019. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.Op 30 oktober 2019 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten. Bij die gelegenheid waren de verdachte en zijn raadslieden niet aanwezig.
2

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er - na wijziging -, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1 primair:

Feit 1 subsidiair

Feit 2 primair

Feit 2 subsidiair:

Feit 3:

3

Obscuur libel?

De verdediging heeft de partiële nietigheid van de tenlastelegging bepleit. Zij heeft betoogd dat de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 en feit 2 nietig is. “Alleen al het feit dat – indien men de tenlastelegging onder 1 en 2 beziet – [verdachte] maar liefst tweemaal een “psychische causaliteit” zou moeten hebben bewerkstelligd bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , namelijk zowel ten aanzien van het moordplan om [slachtoffer 1] te doden (feit 1), als door middel van een moordplan op [slachtoffer 2] (feit 2), maakt de dagvaarding tot innerlijk tegenstrijdig document.” De verdediging wijst er daarbij ook nog op dat als de steller van de tenlastelegging wordt gevolgd [verdachte] bij feit 1 uitlokker moet zijn geweest van de moord op [slachtoffer 1] en bij feit 2 de uitlokker voor een moordplan op [slachtoffer 2] , terwijl bij feit 1 primair in de feitelijke omschrijving het openbaar ministerie ervan uitgaat dat het [slachtoffer 2] zou zijn geweest die moest worden doodgeschoten en niet [slachtoffer 1] en bij feit 1 subsidiair [slachtoffer 2] in het geheel niet meer voorkomt. Indien de rechtbank met de verdediging concludeert dat er sprake is van een zogeheten obscuur libel, dient de tenlastelegging onder feit 1 en feit 2 nietig te worden verklaard.
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen naar aanleiding van dit verweer.

De rechtbank constateert dat het gevoerde verweer een herhaald verweer betreft; de verdediging heeft dit eveneens ter terechtzitting van 22 augustus 2013 aangevoerd. De rechtbank Roermond heeft toen geoordeeld dat er geen sprake is van het ten laste leggen van verschillende situaties die niet naast elkaar kunnen bestaan. Door de verdediging zijn nu geen nieuwe of andere argumenten aangevoerd. Ook is de tenlastelegging niet gewijzigd ten aanzien van de kern van het verwijt. Daarom ziet de rechtbank geen reden om nu anders op het verweer te oordelen en herhaalt zij de beslissing van de rechtbank Roermond van 22 augustus 2013: de tenlastelegging voldoet aan de eisen die de wet eraan stelt en voor de verdachte is duidelijk waarvan hij wordt verdacht en waartegen hij zich moet verdedigen, daarbij mede gelet op de inhoud van het dossier.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gemotiveerd betoogd dat hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 bewezen kan worden. Ter staving van de bewezenverklaring heeft hij verwezen naar de verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 1] , welke verklaringen steun vinden in overige bewijsmiddelen in het dossier.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op grond van de in de door haar overgelegde pleitnotitie genoemde gronden vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs en tevens aangevoerd dat er op basis van de bewijsmiddelen in het dossier een alternatief scenario mogelijk is.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
_2e12de40-c6ad-48a6-b867-fe772b7f2069


- Over de aanleiding

- Over de opdracht

- Over de uitvoering van de opdracht: de voorbereiding

- Over de uitvoering van de opdracht: het schietincident

- over [getuige 1]

- :

I.

De rechtbank dient haar oordeel te geven over wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1] . Zij kwam in de avond van donderdag 25 oktober 2012 door schotletsels om het leven, nadat zij voor de deur van haar woning aan de [adres 1] in Venlo onder vuur was genomen. Door de politie is diezelfde avond nog een forensisch en een tactisch onderzoek gestart. De richting van het tactisch onderzoek is daarbij mede bepaald door informatie die de partner van het slachtoffer, [slachtoffer 2] , vrijwel meteen aan de politie verstrekte; enkele uren na het voorval vertelde hij aan de politie dat hij bedreigd was door [verdachte] vanwege een zakelijk conflict en noemt diens rechterhand [medeverdachte 1] als mogelijke schutter. Het is de rechtbank gebleken dat dit tactisch onderzoek moeizaam is verlopen. De uiteindelijke verdachten hebben zelf lang gezwegen of hun betrokkenheid ontkend en het dossier wekt verder de indruk dat vele mensen uit de omgeving van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wel informatie hadden, maar dat zij deze niet durfden te delen. Mogelijk uit angst voor een van de verdachten of uit angst om zichzelf te belasten. Het is namelijk voor de rechtbank wel duidelijk dat de meeste betrokkenen in het dossier criminele banden hadden. De rechtbank benoemt dit gegeven in verband met de waarheidsvinding; het vergt namelijk een brede aanpak bij de selectie en waardering van bewijsmiddelen. De rechtbank heeft dan ook de in dit dossier afgelegde verklaringen niet als losse, op zichzelf staande elementen beoordeeld, maar heeft ook oog gehad voor de context waarbinnen een verklaring is afgelegd en hoe de verklaring zich verhoudt tot de overige bewijsmiddelen in het dossier.
Alvorens de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de bewijsmiddelen, dient zij nog twee formele punten te bespreken.Die punten zien op de afspraak die door de Staat der Nederlanden het openbaar ministerie met [medeverdachte 1] is gemaakt en op het gebruik van de getuigenverklaring van [getuige 1] , waartegen de verdediging zich op formele grond heeft verzet.
De afspraak met de kroongetuige

Een kroongetuige is een verdachte of een veroordeelde die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor een toezegging met betrekking tot de afdoening van zijn eigen zaak. In deze zaak is [medeverdachte 1] kroongetuige geworden. Hij is, uit hoofde van een afspraak met de Staat der Nederlanden, uit eigen wetenschap gaan verklaren over de omstandigheden waaronder [slachtoffer 1] is gedood en hij heeft daarmee het tactisch onderzoek nieuw leven ingeblazen.In artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering zijn de regels met betrekking tot toezeggingen aan getuigen neergelegd. Blijkens het derde lid van dit wetsartikel moet de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de overeenkomst toetsen. Die rechtmatigheidstoets omvat een beoordeling van de wettelijke voorwaarden, een toets aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. In de onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 23 juli 2018 geoordeeld dat de afspraak die de Nederlandse Staat en [medeverdachte 1] overeen wensen te komen rechtmatig is. Ook achtte de rechter-commissaris de verklaringen van [medeverdachte 1] , bij de toenmalige stand van het onderzoek, in de kern betrouwbaar op twee ondergeschikte punten in zijn verklaringen na. Ten aanzien van die twee punten heeft de rechter-commissaris [medeverdachte 1] niet onbetrouwbaar geoordeeld.
De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat naast de toetsing door de rechter-commissaris ook een toetsing door de zittingsrechter. Op grond van artikel 360, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering een afspraak is gemaakt, voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht. De in artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde motiveringsverplichting strekt zich – volgens jurisprudentie van de Hoge Raad – echter niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Indien en voor zover de rechtbank overgaat tot het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de kroongetuige, ligt in dat gebruik al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris is vervat. Dat laat onverlet dat indien de rechter afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de rechtmatigheid van de afspraak, de rechter gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van artikel 359, tweede lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
In deze zaak is geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de rechtmatigheid van de afspraak ingenomen. Als de rechtbank dus, hierna, de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs gebruikt, is zij niet tot een ander oordeel dan de rechter-commissaris gekomen over de rechtmatigheid van de met [medeverdachte 1] gemaakte afspraak.

De verklaring van [getuige 1]

De verdediging heeft primair aangevoerd dat het recht van [verdachte] op een eerlijk proces onherstelbaar te kort is gedaan omdat [getuige 1] buiten de verdediging om is gehoord door de politie, terwijl daags erna reeds een getuigenverhoor door de rechter-commissaris gepland stond. Dit verweer is eerder door de verdediging gevoerd: zowel in eerste aanleg voor de rechtbank Roermond als ook in hoger beroep voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.Het gerechtshof heeft zich niet verenigd met de overwegingen van de rechtbank dat de officier van justitie onrechtmatig heeft gehandeld door parallel aan de handelswijze van de rechter-commissaris te opereren. Het gerechtshof stelt dat er geen sprake is van bewuste misleiding van de rechtbank en de verdediging door de getuige te horen voorafgaand aan het reeds geplande verhoor door de rechter-commissaris. Het is hoogstens onzorgvuldig geweest om de verdediging en de rechter-commissaris niet over het geplande verhoor te informeren, maar dat doet er niet aan af dat de mogelijkheid bestaat voor justitie om tijdens het voorbereidend onderzoek zelf onderzoek te doen. De werkwijze van de officier van justitie is door het gerechtshof aldus niet als vormverzuim benoemd. De rechtbank ziet nu geen reden om anders te oordelen dan het gerechtshof en sluit zich bij de overwegingen van het gerechtshof aan. Het oordeel van het gerechtshof ziet echter op het feitelijk gebeuren tot een bepaalde datum, namelijk tot de datum waarop het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden. In dat verband heeft het gerechtshof overwogen dat tijdens een nader verhoor van de getuige de belangen van [verdachte] alsnog ten volle tot hun recht zouden kunnen komen. Het is immers een normale gang van zaken dat getuigen (ook getuigen wier verklaringen cruciaal zijn en waarmee behoedzaam moet worden omgegaan) in het voorbereidend onderzoek langdurig door opsporingsambtenaren worden bevraagd en dat de verdediging daarbij niet aanwezig is, maar later kan verzoeken om de getuige te bevragen of de bewijsgaring te toetsen. De vraag is nu of in de periode na het arrest van het gerechtshof het recht van [verdachte] op een eerlijk proces alsnog op onaanvaardbare wijze is doorkruist. De rechtbank constateert dat de verdediging, na het wijzen van het arrest door het gerechtshof, in de gelegenheid is gesteld om [getuige 1] te horen en om de audio-opnames van haar verhoor op 21 maart 2013 in Letland te beluisteren. De verdediging is zo in staat gesteld om de bewijsgaring zelf te toetsen. Daardoor kan niet gezegd worden dat er te kort is gedaan aan het recht op een eerlijk proces. De bewijsgaring is ook daadwerkelijk aan de hand van de audio-opnames van het verhoor in Letland en door de getuige zelf te ondervragen door de verdediging getoetst. Daarbij is van ontoelaatbare druk niet gebleken. Integendeel. [getuige 1] heeft desgevraagd bij de rechter-commissaris op 11 juli 2017 verklaard dat zij correct is behandeld door de verbalisanten en dat zij juist druk voelde tijdens het verhoor, waar de verdediging bij aanwezig was. De inhoud van haar verklaringen destijds heeft zij bovendien tijdens het verhoor in het bijzijn van de verdediging herhaald. Op basis van deze bevindingen kan niet worden volgehouden dat er sprake is geweest van dusdanige druk dat deze ontoelaatbaar zou zijn geweest en dat deze druk [getuige 1] heeft gebracht tot uitlatingen die niet waar zouden zijn. Daarmee wijst de rechtbank ook het subsidiaire verweer van de verdediging af, dat ertoe strekt dat de verklaringen van [getuige 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat zij onder ontoelaatbare druk zouden zijn afgelegd.
Conclusie:

De rechtbank concludeert dat er geen formele bezwaren zijn die aan een inhoudelijke beoordeling van de verklaring van de kroongetuige [medeverdachte 1] en de verklaring van de getuige [getuige 1] in de weg staan.
De rechtbank zal zich nu buigen over de toedracht van de dood [slachtoffer 1] .

II.

Op donderdag 25 oktober 2012 komt om 21.42 uur een melding bij de politie binnen. Die melding wordt gedaan door de dan twaalfjarige [zoon] . Hij meldt dat zijn moeder gewond is geraakt. Ze ligt op de grond en zegt niets meer. Ze liep net naar buiten, de hond uitlaten en toen viel ze ineens. Hij hoorde iets keihard knallen, vuurwerk ofzo, rond het huis, recht voor de deur. Zijn moeder ligt in de gang, net voor de deur. Ze beweegt nog wel een beetje met haar mond. [zoon] is op dat moment alleen thuis met zijn moeder en zijn negenjarige zusje [dochter] .

De moeder van [zoon] is [slachtoffer 1] . De door haar zoon ingeschakelde hulpverlening heeft helaas niet meer mogen baten. Als zeven minuten later de eerste politieagenten aan de [adres 1] te Venlo ter plaatse komen, merken zij allereerst op dat het op het perceel erg donker is, maar dat er een lamp boven de voordeur brandt. In de gang achter de voordeur treffen zij dan een gewonde vrouw aan, waarbij geen hartslag meer wordt geconstateerd. Er wordt wel nog reanimatie gestart en ze wordt nog overgebracht naar het ziekenhuis, maar het blijkt te laat: [slachtoffer 1] is overleden.De politieagenten hebben dan ook al vermoedelijke schotwonden bij [slachtoffer 1] gezien en kogelgaten in en bij de voordeur, in een daarachter gelegen deur en in het stucwerk.
Forensisch onderzoek

Sectie aan het lichaam bevestigt de indrukken van de politieagenten die als eerste ter plaatse waren: [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van meerdere schotletsels.Tijdens de sectie zijn in totaal negen huidperforaties gezien. Daarvan is een aantal perforaties te kwalificeren als doorschoten van het lichaam, waaronder een doorschot van rechtsachter in de rug naar linksvoor in de borst, waarbij haar hart en beide longen geperforeerd werden. Daarnaast waren nog drie letsels zichtbaar zonder perforaties, zogenoemde schampschotletsels.Uit de geconstateerde kogelinslagen en schotbeschadigingen aan de woning blijkt dat er meer vuur is afgegeven dan uit de verwondingen van [slachtoffer 1] blijkt. In totaal betreft het zeventien kogelinslagen, waarvan dertien in en rond de voordeur. Daarnaast zijn er dertien patroonhulzen aangetroffen, alle van het kaliber 7,65 mm. Van dat kaliber zijn ook de aangetroffen kogels en kogeldelen, met uitzondering van één kogel die in de keuken is aangetroffen. Dit betreft een kogel van het kaliber .38 special of . 357 magnum.De gebruikte wapens zijn nooit gevonden. Door het NFI is echter onderzoek gedaan aan de aangetroffen munitiedelen en op basis daarvan zijn uitspraken gedaan over de wapens die vermoedelijk door de schutter of schutters zijn gebruikt. De aangetroffen munitiedelen van het kaliber 7,65 mm zijn vermoedelijk verschoten met een automatisch werkend machinepistool van het merk Skorpion. Dit concludeert het NFI aan de hand van de systeemsporen, aangetroffen op de munitiedelen. Munitie van het kaliber .38 special of .357 magnum wordt volgens het NFI doorgaans verschoten in revolvers van dit kaliber.Onderzoekers hebben verder de schietlijnen in kaart gebracht aan de hand van de aangetroffen doorschoten en de daarmee corresponderende inschoten in muren, deuren en kozijnen van de woning. Uit het ontstane lijnenbeeld blijkt dat er vanuit diverse richtingen en hoogten richting het slachtoffer is geschoten, waarbij de onderzoekers stellen dat de schutter zich tijdens het schieten heeft verplaatst en dat er mogelijk zowel knielend of gebukt als staand op het slachtoffer is geschoten. De plek waar [slachtoffer 1] is beschoten betreft de achteringang van de woning. Waar de als eerste ter plaatse gekomen verbalisanten in hun bevindingen dus spreken van de voordeur betreft dit de achteringang. Recht tegenover die achteringang staan, op een afstand van ongeveer vijf meter, twee stenen penanten (). Gelet op de aangetroffen kogelinslagen in de woning, de uitgezette schietlijnen, de aangetroffen hulzen en de letsels van het slachtoffer, is het zeer aannemelijk dat de schutter schoten heeft gelost toen hij zich bij de rechter penant, gezien vanuit de nabijgelegen autosnelweg, bevond.
Het forensisch onderzoek heeft geen andere informatie opgeleverd. Onderzoek aan bandensporen en genomen monsters ten behoeve van DNA-onderzoek hebben geen relevante informatie opgeleverd met betrekking tot de daders.

Tussenconclusie

[slachtoffer 1] is op 25 oktober 2012 te Venlo gedood door meerdere schotletsels, terwijl zij zich in de opening van de achterdeur van haar woning bevond. Zij is beschoten met vermoedelijk een automatisch werkend machinepistool van het merk Skorpion. De schutter met dit wapen stond binnen een afstand van vijf meter, ter hoogte van de penanten tegenover de achteringang van de woning. Gelet op de schietlijnen en de beperkte spreiding van de inslagen is met dit wapen in korte tijd een reeks kogels afgevuurd, waarbij de schutter tijdens het schieten van houding en plaats is gewisseld. Ook is er minstens één keer geschoten met een revolver van het kaliber .38 special of .357 magnum.
Tactisch onderzoek

Naast het forensisch onderzoek is er ook tactisch onderzoek gedaan. Zoals reeds benoemd, werd de richting van dit onderzoek mede bepaald door informatie van de partner van het slachtoffer, [slachtoffer 2] .
De verklaring van [slachtoffer 2]

In de nacht volgend op het doodschieten van [slachtoffer 1] geeft [slachtoffer 2] in een telefoongesprek met de politie aan dat hij maar met één persoon problemen heeft en dat is [verdachte] uit [woonplaats] . Hij wil niet zeggen waar het meningsverschil over gaat, maar het speelt al enkele maanden. Verder geeft hij aan dat de schutter [medeverdachte 1] zou kunnen zijn, die voor [verdachte] werkt. Hij vermoedt dat, omdat [slachtoffer 1] de avond ervoor tijdens het uitlaten van de hond een man had overlopen in de buurt van de woning. Die man was weggerend, in een zwarte Golf gestapt en hard weggereden. Hierbij had hij een zogenoemde varkensrug geraakt. [slachtoffer 1] meende in die man [medeverdachte 1] te hebben herkend.Desgevraagd herhaalt [slachtoffer 2] aan het einde van het gesprek dat hij alleen met [verdachte] problemen heeft en dat hij heeft gehoord bij [verdachte] bovenaan het lijstje te staan. In een later verhoor licht hij desgevraagd de bedreigingen door [verdachte] toe. [verdachte] wilde [slachtoffer 2] ergens bij betrekken en daar wilde [slachtoffer 2] niet in mee gaan. Door die weigering zou [verdachte] een grote financiële strop lijden en dat nam [verdachte] hem zeer kwalijk. De bedreiging vond twee weken voor de herfstvakantie plaats, bij [slachtoffer 2] thuis aan de [adres 1] . [verdachte] stond onaangekondigd voor de deur en had geprobeerd om [slachtoffer 2] weer bij zijn zakelijke activiteiten te betrekken. [verdachte] had nog aangegeven dat het aan zijn cocaïnegebruik te wijten was, maar dat hij daarmee was gestopt. [slachtoffer 2] had hem duidelijk te verstaan gegeven dat hij niets meer met [verdachte] te maken wilde hebben en dat hij bij zijn standpunt bleef. [verdachte] is toen weggegaan, waarbij hij op het laatst had gezegd: “Jou ruim ik op of jou laat ik opruimen.” [slachtoffer 2] had daaruit begrepen dat [verdachte] hem wilde vermoorden of laten vermoorden, maar had zich niet bang laten maken.
De verklaring van [medeverdachte 1]
_4860932d-af13-470b-8cec-8033849949fc

Dat er op zakelijk vlak onenigheid was tussen [verdachte] en [slachtoffer 2] en dat [verdachte] daarom van [slachtoffer 2] af wilde, heeft ook [medeverdachte 1] verklaard. Hij heeft uiteindelijk – als kroongetuige – uit eigen wetenschap verklaard over de aanleiding, de opdracht tot de moord op [slachtoffer 2] en de feitelijke uitvoering van die opdracht, die tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] geld schuldig was aan [slachtoffer 2] . Het betrof een bedrag van € 600.000,00 tot € 650.000,00. Die geldkwestie speelde, omdat [verdachte] zaken deed door mensen te vragen om het door hen verdiende geld aan een drugstransport te investeren in een volgend transport. Hierdoor zouden ze na dat volgende transport weer meer geld verdienen. [verdachte] was echter buiten de transportlijn gezet door [slachtoffer 2] , omdat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen voldeed en hierdoor ook [slachtoffer 2] de mensen niet kon betalen. Daardoor waren mensen klaar met [verdachte] . De reden dat [verdachte] niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen, was dat er een partij van 50 en een partij van 80 kilo cocaïne verdwenen waren. Die hoeveelheden waren al meegegeven aan de afnemers, maar zij hadden hier nog niet voor betaald. [medeverdachte 1] is op verzoek van [verdachte] samen met [getuige 2] aanwezig geweest bij een gesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer 2] . Dat gesprek vond in juli 2012 plaats in het kantoor in de frituur van [verdachte] . Het was geen vriendelijk gesprek en [verdachte] had als voorzorgsmaatregel zelfs een revolver in een zak naast zich liggen. In dat gesprek had [slachtoffer 2] tegen [verdachte] gezegd dat [verdachte] wat meer aan de mensen moest denken die voor hem door het vuur gingen, in plaats van aan zichzelf. Mensen in Brazilië zouden niet meer met [verdachte] willen werken. [slachtoffer 2] had hem gezegd dat [verdachte] zich aan zijn afspraken moest houden en dat hij het zat was. [slachtoffer 2] had zijn geld opgeëist. Het zou om € 600.000,00 tot € 650.000,00 gaan. [verdachte] had tegen [slachtoffer 2] gezegd dat hij het geld niet had. [slachtoffer 2] was vervolgens weggegaan. [slachtoffer 2] en [getuige 2] hebben in hun getuigenverklaringen ook verklaard over dit gesprek dat in de frituur plaatsgevonden heeft. [verdachte] zelf heeft dit in een eerdere verklaring ook bevestigd, hoewel hij ter terechtzitting de strekking van het gesprek en de onvriendelijke sfeer daarvan heeft afgezwakt. Dat er in die periode echter sprake was van een zakelijk conflict, wordt naast [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] nog door een andere getuige verklaard. Dat is [getuige 3] . Hij heeft in 2012 aan de politie verteld dat [verdachte] en [slachtoffer 2] samen in de cocaïnehandel vanuit Brazilië zaten. [getuige 3] had van [slachtoffer 2] gehoord dat [verdachte] ergens rond oktober 2012 uit de organisatie was geschopt en [slachtoffer 2] was de enige geweest die dit [verdachte] recht in zijn gezicht had verteld. Het eigen cocaïnegebruik van [verdachte] en zijn manier van zaken doen werd gezien als gevaar voor de eigen organisatie. [verdachte] financierde de transporten namelijk met het geld van anderen. Ook noemt [getuige 3] een bedrag van 6 ton dat [slachtoffer 2] nog van [verdachte] te goed zou hebben gehad.Het door [getuige 3] omschreven zakelijke conflict komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] en is ook niet strijdig met wat [verdachte] zelf heeft verklaard. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat het conflict met [slachtoffer 2] niet over de zes ton ging. Dit zou voor hem een relatief klein bedrag zijn en dus geen reden voor een conflict. Wanneer deze verklaring wordt bezien in het licht van hetgeen [getuige 3] hierover zegt, lijkt het conflict inderdaad in de kern over iets anders te gaan en wel om het feit dat [verdachte] uit de organisatie gezet is. De rechtbank kan zich voorstellen dat hiermee dan inderdaad grotere financiële belangen gemoeid zijn dan € 600.000,00.
Enige tijd na het gesprek in de frituur heeft [verdachte] [medeverdachte 1] benaderd met de vraag of hij niet een buitenlander kon vinden die [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 50.000,00 wilde opruimen. Voor [medeverdachte 1] was duidelijk dat [verdachte] met ‘opruimen’ doden bedoelde. Hij heeft toen tegen [verdachte] gezegd dat hij wel iemand wist uit de omgeving van zijn toenmalige vriendin [getuige 1] . Tijdens het gesprek is verder alleen besproken dat [medeverdachte 1] [verdachte] op de hoogte zou stellen als er nog spullen nodig waren, zoals vuurwapens. Dat gesprek heeft in juli 2012 plaats gevonden in de keuken van het appartement waar [medeverdachte 1] net met [getuige 1] was ingetrokken. Het appartement maakte deel uit van de woning van [verdachte] , gelegen aan de [adres 2] in [woonplaats] . De reden dat [verdachte] [slachtoffer 2] uit de weg wilde ruimen, was omdat [slachtoffer 2] de transportlijn vanuit Brazilië had overgenomen. [verdachte] werd niet meer door [slachtoffer 2] bij de transporten betrokken en stond zo dus buiten spel. Als [slachtoffer 2] uit de weg was geruimd, kon [verdachte] de lijn weer overnemen. [verdachte] heeft tijdens dat gesprek en ook daarna nog herhaald dat “de deur in Brazilië voor ons weer opengaat als [slachtoffer 2] er niet meer is”. [getuige 1] was in het appartement aanwezig toen [verdachte] kwam. [verdachte] heeft aan [getuige 1] gevraagd om even weg te gaan, omdat hij een gesprek wilde met [medeverdachte 1] . Hier heeft zij gehoor aan gegeven, maar het verzoek om weg te gaan had ook haar nieuwsgierigheid gewekt. Na het gesprek heeft zij nog aan [medeverdachte 1] gevraagd wat [verdachte] wilde. [medeverdachte 1] heeft haar toen alleen verteld dat hij iemand naar Nederland moest laten komen om de problemen van [verdachte] op te lossen. [getuige 1] blijkt echter in de ruimte, waar zij tijdens het gesprek verbleef, zelf een en ander te hebben opgevangen. Overigens blijkt uit nader onderzoek door de politie dat dit akoestisch gezien ook daadwerkelijk mogelijk is. [getuige 1] heeft verklaard dat zij hoorde dat gesproken werd over het vinden van iemand, dat [verdachte] een persoon moest hebben uit het buitenland om ‘het te maken’ en die weer zou vertrekken, zodat ze hem niet konden vinden. Zij heeft gehoord tijdens dat gesprek dat [verdachte] problemen had met een compagnon, dat het iets was over een groot bedrag. Er was iets fout gegaan met deze compagnon en het beste was als iemand uit het buitenland komt ‘voor dat werk, voor dat schieten’. Er is in ieder geval gesproken over schieten en een wapen. De compagnon moest bang gemaakt worden.Dat er sprake was van een opdracht, kan men ook afleiden uit de woorden die de getuige [getuige 4] gebruikt heeft. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zei dat hij er een moest gaan omleggen en dat hij naar Venlo moest en daar iemand moest neerknallen in opdracht van [verdachte] . Toen hij dat zei, was hij bij [getuige 4] en [getuige 5] .
Volgens [medeverdachte 1] dacht hij bij het aanvaarden van de opdracht van [verdachte] al gelijk aan de stiefvader van [getuige 1] : [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] kwam bij hem op, omdat hij wist dat die wel wat geld kon gebruiken. Hij wilde polsen hoe [medeverdachte 2] erin zou staan om iemand voor geld te doden. Hij heeft [medeverdachte 2] bij verschillende gelegenheden in Letland benaderd. Tijdens het eerste gesprek, in augustus 2012, heeft hij met [medeverdachte 2] besproken of deze het leuk zou vinden om naar Nederland te komen. Ongeveer een week later is [medeverdachte 1] opnieuw naar Letland gevlogen en heeft hij met [medeverdachte 2] gesprekken gevoerd of hij in Nederland iets wilde verdienen. [medeverdachte 1] had hem verteld dat hij bij een autobedrijfje wat aan auto’s kon sleutelen. Die communicatie verliep met handen en voeten. Ook kende [medeverdachte 1] een aantal woorden Russisch en als [getuige 1] aanwezig was, dan tolkte zij. Tussen die twee gesprekken met [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] aan [verdachte] laten weten dat hij wilde aftasten hoe [medeverdachte 2] in elkaar zat. [verdachte] heeft toen gezegd dat [medeverdachte 1] het rustig aan moest doen en het goed moest aanpakken. Pas toen hij voor de derde keer in Letland was, heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] in diens garage over de opdracht verteld. [medeverdachte 1] had een briefje gemaakt en daarop € 40.000,00 geschreven. Dit briefje had hij naar [medeverdachte 2] geschoven en met handen en voeten duidelijk gemaakt dat hij naar Nederland moest komen om iemand dood te maken. Hij heeft met zijn handen een schietende beweging gemaakt en het Russische woord voor man genoemd. Ook heeft hij nog met zijn handen een snijbeweging langs zijn keel gemaakt. Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij, om duidelijk te maken dat het om een man ging en niet om een vrouw, zijn eigen geslachtsdelen heeft beetgepakt en vervolgens borsten heeft uitgebeeld, waarna hij met zijn vinger van links naar rechts heeft bewogen. [medeverdachte 2] heeft daarop gezegd: “da da” oftewel: “is goed”. [medeverdachte 1] is daarna weer terug naar Nederland gevlogen. [verdachte] bleek op dat moment naar Brazilië te zijn. Na terugkomst heeft [medeverdachte 1] [verdachte] op de hoogte gebracht, waarna [verdachte] desgevraagd € 4.000,00 of € 5.000,00 aan [medeverdachte 1] heeft gegeven om een wapen te betalen en vliegtickets voor de reis van Letland naar Nederland te regelen.
[medeverdachte 1] beschikte op dat moment echter al over een wapen. Dit wapen, een Skorpion, is, zo heeft [medeverdachte 1] verklaard, hem aangeboden tijdens een drugstransactie in Maastricht met een Pool, genaamd [crimineel contact] . In ruil voor het wapen zou [medeverdachte 1] dan aan [crimineel contact] heroïne leveren. Bij deze transactie was ook een vriend van [medeverdachte 1] aanwezig, genaamd [getuige 6] . [getuige 6] bevestigt de verklaring van [medeverdachte 1] waar het de verkrijging van de Skorpion betreft. Toen [medeverdachte 1] op enig moment niet meer over een voorraad heroïne beschikte, nam hij zich voor om [crimineel contact] met het geld van [verdachte] voor de Skorpion betalen. Het wapen heeft enige tijd in de auto van [medeverdachte 1] gelegen. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] het wapen in een kast in zijn appartement gelegd, maar daar is het gevonden door [getuige 1] . Daarop is het wapen in bewaring gegeven bij [verdachte] . Deze gang van zaken blijkt ook uit de verklaring van [getuige 1] . Ook de getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij de Skorpion ongeveer twee maanden voor de moord in de slaapkamer van [medeverdachte 1] in de villa in [woonplaats] () heeft gezien.

Zo resteert qua voorbereiding het regelen van de reis en het verblijf van [medeverdachte 2] , de beoogde schutter. Met behulp van [getuige 1] worden tickets en een nieuw paspoort voor [medeverdachte 2] geregeld, waarvan ook [getuige 1] melding maakt in haar getuigenverklaring. [medeverdachte 1] benadert verder [getuige 8] om tegen betaling [medeverdachte 2] in huis te nemen. [getuige 8] heeft verklaard dat zij inderdaad [medeverdachte 2] gehuisvest heeft en ook [medeverdachte 2] zelf heeft over het verblijf bij [getuige 8] verklaard. De voorbereiding is met de komst van [medeverdachte 2] naar Nederland en het voorhanden hebben van een vuurwapen dan nog niet helemaal rond. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij nog twee personen benaderd heeft om [medeverdachte 2] naar de woning van [slachtoffer 2] te brengen. Dat wilde hij namelijk zelf in eerste instantie niet doen. Om die reden heeft hij [medeverdachte 2] ook maar € 40.000,00 geboden van de door [verdachte] ter beschikking gestelde € 50.000,00. Van het resterende bedrag wilde hij de chauffeur betalen en, afhankelijk van de onderhandelingen met de beoogde chauffeur, er zelf nog een bedrag aan overhouden. Achtereenvolgens heeft hij [getuige 5] en [getuige 7] benaderd voor de rol van chauffeur. [getuige 5] wilde eerst op voorverkenning, maar die voorverkenning is er niet van gekomen omdat [getuige 5] en [medeverdachte 1] onderweg naar Venlo werden aangehouden vanwege bellen achter het stuur. [getuige 5] heeft getuigenverklaringen afgelegd en daarin bevestigd dat hij is meegevraagd door [medeverdachte 1] , maar niet om te schieten. Ook heeft hij het verhaal over de aanhouding bevestigd. Die aanhouding blijkt ook uit politiegegevens. [getuige 5] bedankt uiteindelijk voor de opdracht, zo heeft ook diens partner [getuige 4] verklaard.
Dan is het 24 oktober 2012. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die avond woorden met [verdachte] heeft gekregen. [verdachte] vindt het namelijk te lang duren en wil dat er eindelijk actie wordt ondernomen. [medeverdachte 1] haalt dan diezelfde avond nog [getuige 7] op en vraagt hem als chauffeur te fungeren bij de uitvoering van de moordopdracht. Ook [getuige 7] weigert echter betrokken te raken, als hij tijdens de daaropvolgende voorverkenning met [medeverdachte 1] de woning van [slachtoffer 2] herkent. Door de druk die [verdachte] eerder die avond heeft gezet op [medeverdachte 1] om actie te ondernemen, besluit [medeverdachte 1] na de weigering van [getuige 7] zelf uit te stappen bij de woning van [slachtoffer 2] om te kijken of de bus van [slachtoffer 2] op de oprit staat. Hij wordt dan overlopen door [slachtoffer 1] . Hij kent [slachtoffer 1] , omdat hij haar verschillende keren heeft gezien als hij een boodschap van [verdachte] aan [slachtoffer 2] moest overbrengen. Tijdens het overhaast wegrijden, raakt [medeverdachte 1] een varkensrug. Dit gebeuren vindt steun in de hiervoor weergegeven verklaring van [slachtoffer 2] , in het technisch onderzoek op de plaats delict en in het technisch onderzoek aan de auto. Ook in de verklaring van [getuige 7] vindt de rechtbank steun voor de verklaring van [medeverdachte 1] op dit punt. Hij heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] bij de woning van [slachtoffer 2] is geweest en dat [medeverdachte 1] daar door [slachtoffer 1] is overlopen. Toen ze met de auto achteruit reden, raakte [medeverdachte 1] een varkensrug, waardoor de auto schade opliep.
25 oktober 2012 breekt aan. [medeverdachte 1] heeft besloten dat het die dag moet gaan gebeuren, mede door de ruzie met [verdachte] daags ervoor. Hij haalt [medeverdachte 2] op en rijdt met hem naar de woning van [verdachte] om de Skorpion op te halen. Uit de telefoongegevens blijkt inderdaad dat de telefoons in gebruik bij [medeverdachte 2] en bij [medeverdachte 1] worden uitgepeild bij de woning van [verdachte] . [getuige 8] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die avond rond half zes bij haar zijn vertrokken. Ze heeft die avond nog telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] , omdat ze niet op [medeverdachte 2] en hem wilde wachten met het eten. [medeverdachte 1] heeft toen gezegd dat zij wat later kwamen.Door [verdachte] wordt, zo heeft [medeverdachte 1] verklaard, niet alleen de Skorpion aangereikt, maar ook een revolver ter beschikking gesteld. De Skorpion en bijbehorende munitie worden schoongemaakt. Bij die schoonmaak worden handschoenen gedragen. De rechtbank merkt in dat kader op dat er inderdaad geen biologische sporen zijn aangetroffen op de hulzen, kogels en kogeldelen op de plaats delict. [medeverdachte 1] maakt naar eigen zeggen de revolver niet schoon, omdat hij toch niet van plan is om zelf te schieten. Alvorens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de [adres 1] in Venlo rijden, zetten ze hun mobiele telefoons uit en deponeren die in de brievenbus bij [getuige 8] . Het uitzetten van de telefoons blijkt ook uit het onderzoek naar de telefoongegevens.
Dan wordt er koers gezet naar Venlo, naar de [adres 1] .In een doodlopend straatje tussen het voetbalveld en een aldaar gelegen tuindersbedrijf parkeert [medeverdachte 1] de auto. Via een pad tussen de autosnelweg en het voetbalveld zijn ze in het achterste gedeelte van de tuin van de familie [slachtoffer 2] gekomen. Het was er donker. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lopen vervolgens samen naar de woning. Ter hoogte van de pilaren heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] duidelijk gemaakt dat hij bij de pilaren moest gaan zitten en dat hij daar moest wachten. Met gebaren heeft hij duidelijk gemaakt dat hij zou gaan kijken. [medeverdachte 2] is ter hoogte van de pilaren gaan zitten. [medeverdachte 2] had de Skorpion bij zich en [medeverdachte 1] droeg de revolver achter zijn broeksband. [medeverdachte 1] is toen naar de andere kant van de woning gelopen. De bus van [slachtoffer 2] stond namelijk niet op de oprit en dat zou betekenen dat [slachtoffer 2] niet thuis zou zijn. [medeverdachte 1] wilde zich ervan vergewissen dat de bus van [slachtoffer 2] niet aan de andere kant van de woning stond. Omdat [medeverdachte 1] niets zag, is hij dezelfde weg weer terug gelopen, over de tweede oprit. [medeverdachte 1] wenkt dan naar en roept op [medeverdachte 2] dat hij moet komen, terwijl hij zelf blijft doorlopen in de richting van de auto in de veronderstelling dat [medeverdachte 2] achter hem aan komt. [slachtoffer 2] is er immers niet, heeft hij zojuist geconstateerd. [medeverdachte 1] is net het gedeelte met een plantenbak voorbij als hij hoort dat er achter hem wordt geschoten. Hij schrikt, denkt dat er mogelijk vanuit de woning op hem en [medeverdachte 2] wordt geschoten en begint zelf ook te schieten met de revolver. Die schiet hij, zonder concreet ergens op te richten, leeg. Hij rent terug naar de auto en wacht daar totdat [medeverdachte 2] ook weer instapt. Die vertelt dat hij heeft geschoten en spreekt van een vrouw en een hond. [medeverdachte 1] verifieert dit nog door met zijn handen de welving van borsten na te bootsen. [medeverdachte 1] rijdt dan samen met [medeverdachte 2] weg richting Duitsland. Onderweg worden de handschoenen van [medeverdachte 2] , de hulzen van de revolver en het magazijn van de Skorpion weggegooid. Ter verificatie van dit onderdeel van de verklaring heeft de politie op aangeven van [medeverdachte 1] nog onderzoek gedaan naar deze plekken, maar daarbij is gebleken dat die plekken inmiddels bebouwd zijn en dat onderzoek dus niet meer mogelijk is. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij tijdens de autorit boos is geworden op [medeverdachte 2] , omdat het helemaal niet de bedoeling was om op de vrouw te schieten.Uiteindelijk is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] naar [getuige 5] gereden. Daar heeft hij van alles geroepen en aan [getuige 5] verteld dat er geschoten was. Volgens [getuige 5] en diens partner [getuige 4] zou hij hebben gezegd: “de verkeerde is neergeschoten” en dat het “gigantisch is fout gegaan”.De Skorpion heeft [medeverdachte 1] bij [getuige 5] achter gelaten. [getuige 5] heeft hierover verklaard dat hij het wapen inderdaad in huis heeft gehad en dat het is vernietigd. [medeverdachte 1] is na het bezoek aan [getuige 5] en [getuige 4] met [medeverdachte 2] naar [getuige 8] gereden. Hij wilde de revolver in de keuken bij [getuige 8] verstoppen, maar [getuige 8] wilde dat niet. Deze gang van zaken vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 8] . Vervolgens heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] bij [getuige 8] achtergelaten en is hij zelf naar [getuige 9] gereden. Die stemde er desgevraagd mee in om de revolver een nachtje voor [medeverdachte 1] te bewaren. [medeverdachte 1] heeft naar eigen zeggen nog wat rondgereden alvorens hij naar de woning van [getuige 8] is teruggekeerd, waar hij heeft geslapen. In de ochtend is hij naar zijn moeder gereden en daar hoorde hij pas dat ze de vrouw van [slachtoffer 2] niet alleen hadden neergeschoten, maar dat zij doodgeschoten was. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] de revolver opgehaald bij [getuige 9] en is hij naar de woning van [verdachte] gereden. De revolver heeft hij bij de woning van [verdachte] in de Maas gegooid. Door de politie is overigens nog gezocht naar deze revolver, maar deze is niet meer aangetroffen. [medeverdachte 1] is daarna de woning van [verdachte] binnengegaan en heeft [verdachte] verteld dat [medeverdachte 2] de vrouw had doodgeschoten. [verdachte] reageerde door te gebaren dat [medeverdachte 1] stil moest zijn en vroeg hem of [medeverdachte 1] nog iets nodig had. [medeverdachte 1] vraagt hem dan om geld. In de tijd dat de partner van [verdachte] een geldbedrag van € 1.000,00 of € 1.500,00 ophaalt bij de frituur, frist [medeverdachte 1] zich op en pakt zijn spullen. Dat [medeverdachte 1] toen [verdachte] heeft bezocht, is overigens door [verdachte] wel bevestigd. Daarna haalt hij [medeverdachte 2] met diens spullen op en rijden ze, na een bezoek aan [getuige 5] , samen naar Letland. Deze reis wordt ook bevestigd door [medeverdachte 2] en [getuige 1]. [getuige 1] vermoedt dan, zo geeft [medeverdachte 1] aan, hun betrokkenheid, maar wordt in die vermoedens niet door hem bevestigd. Steeds als ze hem er naar vraagt, zegt [medeverdachte 1] niets met de dood van [slachtoffer 1] te maken te hebben. [getuige 1] heeft zelf verklaard dat [medeverdachte 1] haar nooit iets heeft verteld over zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] , maar dat [medeverdachte 2] haar later wel in een stomdronken bui heeft verteld dat hij de verkeerde persoon heeft doodgeschoten. [medeverdachte 2] zou hebben gezegd dat een vrouw met de hond kwam aanlopen, dat die vrouw bijna thuis was en dat hij ongeveer twaalf keer heeft geschoten. De rechtbank constateert dat dit laatste gegeven over het aantal schoten ook correspondeert met het aangetroffen sporenbeeld ter plaatse, namelijk dertien aangetroffen patroonhulzen. Door de verdediging van [medeverdachte 2] is nog aangevoerd dat [medeverdachte 2] ten tijde van het gesprek met [getuige 1] gedetineerd was en dat dit gesprek dus niet plaatsgevonden kan hebben in de garage onder de omstandigheden die [getuige 1] omschrijft. Deze stelling vindt echter zijn weerlegging in de detentiegegevens van [medeverdachte 2] .
De verklaring van [medeverdachte 2]

is pas gaan verklaren na het naar buiten komen van de zogenoemde kluisverklaringen van [medeverdachte 1] . Hij bevestigt de verklaring van [medeverdachte 1] waar het zijn aanwezigheid op de plaats delict en het schieten betreft. Ook heeft hij verklaard over de aanwezigheid van twee wapens: één automatisch wapen en een revolver. Hij stelt echter dat [medeverdachte 1] degene is die heeft geschoten met de Skorpion en dat hij de persoon is die van schrik één schot met de revolver heeft gelost. Verder heeft hij verklaard dat [medeverdachte 1] hem nooit over de moordopdracht heeft verteld of hem heeft benaderd om voor een geldbedrag iemand dood te schieten. Hij was op uitnodiging van [medeverdachte 1] in Nederland om hier te komen werken. Dat hij tijdens zijn verblijf nooit heeft gewerkt en dat verder alle verblijfskosten voor hem werden betaald, kan hij desgevraagd niet nader verklaren. Volgens hem gingen ze bij de woning () geld halen dat de bewoner verschuldigd was.
De betrouwbaarheid van de verklaringen

is uitgebreid bevraagd door de politie en de verdediging. Tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris, waarbij ook de verdediging aanwezig was en vragen mocht stellen, is zij niet terug gekomen op essentiële onderdelen van haar verklaringen. Ook heeft zij expliciet uitgesproken dat ze zich niet onder druk gezet voelde door de politie tijdens de verhoren in Letland. Die druk voelde ze overigens wel tijdens het verhoor in aanwezigheid van de verdediging. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [getuige 1] en [medeverdachte 1] op elkaar aansluiten, maar niet naadloos op elkaar passen. Het is echter geen teken van onbetrouwbaarheid dat hun verklaringen op bepaalde punten niet overeen stemmen. Dat is namelijk niet onlogisch, omdat ze ieder vanuit hun eigen perspectief over de situatie verklaren. Hun verschillende posities verklaren de aan te wijzen verschillen.Mede gelet op de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen, waarin hun verklaringen verder verankerd kunnen worden, is de enkele stelling van de verdediging dat [getuige 1] en [medeverdachte 1] liegen onvoldoende om uit te kunnen gaan van de onbetrouwbaarheid van hun verklaringen.
Dan heeft de verdediging nog aangevoerd dat de verklaring van [getuige 1] niet op eigen wetenschap is gebaseerd, maar op een artikel over deze zaak in de Panorama. Door de verdediging is gesteld dat meerdere getuigen in deze zaak zijn gestuurd en beïnvloed door dit artikel. De rechtbank ziet echter in het dossier geen enkele aanwijzing die deze stelling van de verdediging onderbouwt. Zo is de getuige [getuige 1] , maar ook de getuige [getuige 4] , hier expliciet naar gevraagd in verhoren door de verdediging. Zij ontkennen beiden hun wetenschap te ontlenen aan de Panorama.

In de inleiding heeft de rechtbank reeds aangegeven dat de bewijsmiddelen in dit dossier niet apart, maar in samenhang met elkaar moeten worden beoordeeld. De verklaringen van de kroongetuige zijn in de kern steeds consistent geweest en kunnen, zoals hiervoor steeds is weergegeven, op onderdelen worden verankerd in andere bewijsmiddelen. Dit betreft niet alleen verklaringen van anderen die uit eigen wetenschap verklaren, maar ook objectief bewijs.Daarnaast heeft [medeverdachte 1] zichzelf belast door het medeplegen van het zwaarst mogelijke delict in ons Wetboek van Strafrecht te bekennen, namelijk moord. Hij heeft verklaard wat de bedoeling was en wat het plan was. Door daarover te verklaren heeft hij ook bewijs tegen zichzelf geleverd voor de poging tot moord op [slachtoffer 2] . Dat bewijs was voordien niet in een dergelijk overtuigende mate aanwezig.In het kader van de waarheidsvinding heeft de rechtbank zich er rekenschap van gegeven dat in het voordeel dat aan de kroongetuige toevalt (zicht op de in zijn overeenkomst vastgelegde strafvermindering) een risico besloten ligt voor de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. De rechtbank stelt nu vast dat het door haar gehouden onderzoek niet als resultaat heeft opgeleverd dat het aan dat voordeel inherente risico voor de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen zich heeft gerealiseerd. Door deze vaststellingen in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank zich met betrekking tot het bewijsgebruik van de verklaringen van deze kroongetuige ook gekweten van de in artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opdracht.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat de verklaringen van [medeverdachte 1] , samen met de andere hiervoor neergelegde bewijsmiddelen, een coherente weergave vormen van de feiten en omstandigheden. Dat element zorgt ervoor dat de rechtbank, naast het oordeel dat er sprake is van voldoende wettig bewijs, ook ervan overtuigd is dat de hiervoor weergegeven vaststelling van de feiten en omstandigheden juist is.

Wie heeft er nu geschoten?

De verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 1] en anderzijds [medeverdachte 2] staan diametraal tegenover elkaar waar het de schutter betreft. De rechtbank heeft zojuist uitgelegd waarom zij tot het oordeel is gekomen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 1] betrouwbaar zijn en dat zij die verklaringen volgt bij het vaststellen van de feiten en omstandigheden rondom de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank ziet geen reden om ten aanzien van de persoon van de schutter wel aan de verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 1] te twijfelen. Daartoe overweegt zij dat [slachtoffer 1] in de deuropening is beschoten. In en om de deur zitten dertien kogelinslagen. Gelet op het aantal kogelinslagen op die plek en het aantal aangetroffen patroonhulzen van het kaliber 7,65 mm, gaat de rechtbank ervan uit dat al die schoten afkomstig zijn uit een automatisch wapen. Dat moet dan de Skorpion zijn geweest. De schoten met de Skorpion zijn afgevuurd vanaf de stenen penanten, door [medeverdachte 1] in zijn verklaringen ook wel “pilaren” genoemd, die op vijf meter afstand van de deur staan. Bovendien is door de verbalisanten, die als eerste ter plaatse waren, vastgesteld dat er licht brandde boven de deur, terwijl de omgeving donker was. Aldus moet er vanaf de penanten op vijf meter afstand van de deur goed zicht zijn geweest op de persoon die zich in de deuropening bevond. De verklaring van [medeverdachte 1] volgend was hij daar op 25 oktober 2012 aanwezig om [slachtoffer 2] te vermoorden. Hij heeft ook verklaard dat hij [slachtoffer 1] kende. Gelet op die omstandigheden tezamen, is het niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] vanaf een dergelijke korte afstand zou beschieten. Zeker niet omdat [medeverdachte 1] de avond ervoor nog door [slachtoffer 1] met de hond overlopen en hij er dus op bedacht zou moeten zijn dat zij in plaats van [slachtoffer 2] de deur uit zou kunnen komen.
Aldus oordeelt de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 2] met de Skorpion heeft geschoten en dat [medeverdachte 1] de revolver had. De rechtbank acht het hierbij zo te zijn geweest dat [medeverdachte 2] , toen [medeverdachte 1] zijn naam riep en naar hem een gebaar maakte, [medeverdachte 2] iemand in de deuropening heeft gezien en het roepen en/of gebaren van [medeverdachte 1] heeft opgevat als het moment waarop hij moest schieten en dat vervolgens ook heeft gedaan.De daarop volgende schoten zijn door [medeverdachte 1] geïnterpreteerd als mogelijk komend vanuit de richting van de woning en om aan zichzelf en [medeverdachte 2] de vlucht mogelijk te maken, heeft [medeverdachte 1] toen met zijn revolver bij wijze van dekkingsvuur schoten gelost.
De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 2] dat niet hij, maar [medeverdachte 1] met de Skorpion schoot ongeloofwaardig, omdat deze strijdig is met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. En dat geldt ook voor de verklaring van [verdachte] , die in weerwil met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijft volhouden dat hij er niets mee te maken heeft.

Tussenconclusie

Op basis van de hiervoor weergegeven selectie en waardering van bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] het onbedoelde slachtoffer is geworden van de uitvoering van de moordopdracht op [slachtoffer 2] . Die moordopdracht is gegeven door [verdachte] en uitgevoerd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij [medeverdachte 2] met de Skorpion heeft geschoten op [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] met de revolver geschoten heeft.
III.

Nu door de rechtbank is vastgesteld wat er is gebeurd, rust op haar nog de taak om vast te stellen hoe deze feiten juridisch gekwalificeerd moeten worden en dit te toetsen aan de tenlastelegging zoals die door de officier van justitie is opgesteld. De rechtbank zal hierbij per ten laste gelegd feit te werk gaan.

Feit 1

Primair is door de officier van justitie de moord op [slachtoffer 1] ten laste gelegd, waarbij hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als medeplegers aanmerkt en [verdachte] als de uitlokker.Om tot een bewezenverklaring te komen, moet de rechtbank beoordelen of er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ter uitvoering van het plan om [slachtoffer 1] te doden en of dit handelen is uitgelokt door [verdachte] door giften of beloften en/of het verschaffen van middelen of inlichtingen.
Medeplegen en opzet

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat het plan was om [slachtoffer 2] te doden. Om dat plan uit te voeren was er ook sprake van een samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] gerekruteerd en naar Nederland gehaald. Met de bedoeling om [slachtoffer 2] te doden zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , voorzien van vuurwapens, naar de woning van [slachtoffer 2] gegaan. Alvorens op pad te gaan, hebben ze samen het automatische vuurwapen en de bijbehorende munitie schoongemaakt. [medeverdachte 1] was gewapend met een revolver en [medeverdachte 2] met de Skorpion. [medeverdachte 2] is door [medeverdachte 1] op zijn plek bij de stenen penanten vlakbij de woning van [slachtoffer 2] gezet. Toen [medeverdachte 1] na een korte verkenning rondom de woning de conclusie trok dat [slachtoffer 2] niet thuis was, wilde hij terugkeren naar de auto. Daartoe riep hij [medeverdachte 2] en heeft hij hem gewenkt. [medeverdachte 2] heeft dit roepen en gebaren door [medeverdachte 1] naar het de rechtbank voorkomt geïnterpreteerd als het teken om daadwerkelijk te gaan schieten. [medeverdachte 2] is dus degene die de dodelijke schoten heeft gelost. Dodelijke schoten die, voor zover het [medeverdachte 1] betreft, enkel en alleen voor [slachtoffer 2] bedoeld waren, maar zijn partner [slachtoffer 1] hebben getroffen.
Het opzet van [medeverdachte 2] op de dood van [slachtoffer 1] is gegeven. De uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, namelijk het op een korte afstand van circa vijf meter met een automatisch wapen afvuren van een dergelijke hoeveelheid kogels op een persoon, duidt op opzet om die persoon te doden.

De vraag is nu of er ook sprake was van opzet bij [medeverdachte 1] om [slachtoffer 1] te doden. Hij was namelijk alweer op weg naar de auto, nadat hij de conclusie had getrokken dat [slachtoffer 2] niet thuis was. Maar zelfs als zijn intentie niet gericht is geweest op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 1] , dan nog kunnen sommige handelingen dusdanig gevaarzettend zijn dat alleen al in de aard van die handelingen het opzet op een bepaald gevolg schuilt. Het gevolg wordt dan zogezegd op de koop toe genomen. Dat heet met een juridische term voorwaardelijk opzet: het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of uit het gedrag van [medeverdachte 1] blijkt van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en dat heeft alles te maken met de knullige uitvoering van het plan om [slachtoffer 2] te doden. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] enkel verteld dat hij een man moest doodschieten, maar de manier waarop niet verder met [medeverdachte 2] uitgewerkt of doorgesproken en heeft niet afgesproken wanneer de hele actie afgeblazen zou worden. Ook heeft hij voorafgaand aan het vertrek naar de [adres 1] geen foto laten zien van [slachtoffer 2] of op een andere manier geprobeerd duidelijk te maken wie het beoogde slachtoffer was. Bovendien was er sprake van een taalbarrière. Wanneer men op deze manier een samenwerking aangaat, dan loopt men het risico dat de ander niet begrijpt wat hij wel en niet moet doen en in het voorkomende geval, niet begrijpt wanneer hij zich moet terugtrekken. Dat dat in dit geval ook zo is geweest, blijkt wel uit het feit dat, eenmaal weer gezeten in de auto, [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] vertelt dat hij, en dit dus in afwijking van de kennelijke instructie van [medeverdachte 1] , op een vrouw heeft geschoten. Bij een juiste instructie en een goede communicatie zou [medeverdachte 2] , zo neemt de rechtbank aan, niet geschoten hebben toen [slachtoffer 1] in de deuropening verscheen. [medeverdachte 1] heeft vanwege de uiterst beperkte communicatie met [medeverdachte 2] rondom de moordopdracht, het al schietklaar neerzetten van [medeverdachte 2] zonder dat [medeverdachte 2] een concreet beeld had van het beoogde slachtoffer en de plaats waar de moordopdracht moest worden uitgevoerd, te weten de woning waar [slachtoffer 2] met vrouw en kinderen woonde, bewust het aanmerkelijk te noemen risico genomen dat [medeverdachte 2] een ander dan [slachtoffer 2] zou neerschieten. Om straffeloosheid te kunnen claimen voor de vergismoord op [slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] stappen moeten nemen die er effectief toe hadden geleid dat [medeverdachte 2] niet zou kunnen schieten op anderen dan [slachtoffer 2] , maar dat heeft [medeverdachte 1] niet gedaan. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden valt het handelen van de daadwerkelijke schutter [medeverdachte 2] ook binnen het opzetverwijt dat [medeverdachte 1] treft. Het voorbereiden van de moord op een persoon, het samen ter plaatse gaan om een persoon daadwerkelijk te doden en het vervolgens nalaten om maatregelen te nemen die het beschieten van iemand anders dan het beoogde doelwit onmogelijk maken, maakt dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met het opzet om [slachtoffer 1] te doden.
Voorbedachte raad

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er sprake was van voorbedachte raad. Deze juridische term duidt aan dat er een vooropgezet en weldoordacht plan was om iemand te doden en vormt het onderscheid tussen de kwalificatie doodslag of moord. Kort door de bocht genomen betekent moord planmatig doden en doodslag iemand in een opwelling doden. In deze zaak staat vast dat er wel sprake was van een plan om [slachtoffer 2] te doden, maar [slachtoffer 1] is het uiteindelijke slachtoffer van dit plan geworden. Ook hier is echter weer redengevend dat niet gebleken is dat op enige wijze een voorzorgsmaatregel is getroffen om het risico op andere slachtoffers dan [slachtoffer 2] te voorkomen. In dat geval strekt de voorbedachte raad zich ook uit tot het dodelijke slachtoffer waar het plan niet op was gerichtDaarmee laat de dood van [slachtoffer 1] zich kwalificeren als moord, gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Uitlokking

Er is nog een speler in deze gebeurtenissen en dat is [verdachte] . Hij wordt verdacht van uitlokking. Voor een bewezenverklaring van uitlokking moet het opzet van de uitlokker komen vast te staan, het uitlokkingsmiddel en de strafbaarheid van het uitgelokte. Op basis van de hiervoor genoemde wettige bewijsmiddelen is de rechtbank ervan overtuigd dat hij de opdracht heeft gegeven voor de moord op [slachtoffer 2] en dat hij hiervoor een geldelijke beloning in het vooruitzicht heeft gesteld. Voorts heeft hij financiële middelen ter beschikking gesteld voor de voorbereiding van de moord, zoals de reis- en verblijfkosten van de huurmoordenaar en de aanschaf van een wapen. Ook heeft hij een van de wapens in bewaring gehad en nog een tweede vuurwapen ter beschikking gesteld. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat [verdachte] geen voorwaarden heeft gesteld aan het doden van [slachtoffer 2] . Zo heeft hij [medeverdachte 1] geen aanwijzingen gegeven over hoe en waar het moest gaan gebeuren. Door zich niet met de planning en de uitvoering te bemoeien, maar wel de druk op te voeren bij [medeverdachte 1] dat het eindelijk eens moest gebeuren, heeft [verdachte] het risico op de koop toe genomen dat [medeverdachte 1] en de gerekruteerde buitenlander overhaast zouden overgaan tot de uitvoering van de moordopdracht en dat daarbij ook overhaaste beslissingen zouden worden genomen. Dan lopen ook anderen de kans om gedood te worden, zoals bijvoorbeeld de buurman die eerder die avond [zoon] had thuis gebracht of, welke kans zich ook heeft verwezenlijkt, de partner van [slachtoffer 2] . De kans dat anderen onder deze omstandigheden gedood zouden worden, schat de rechtbank in als aanmerkelijk. Het gaat hier namelijk om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Bij liquidaties is het daarbij helaas niet ongekend dat een persoon die er niets mee te maken heeft, wordt getroffen of nog erger, wordt doodgeschoten. Daarmee is voorwaardelijk opzet op de dood van een ander en dus ook op die van [slachtoffer 1] gegeven.
Feit 2

Onder feit 2 is de poging tot moord op [slachtoffer 2] ten laste gelegd, waarbij wederom [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als medeplegers zijn aangemerkt en [verdachte] als de uitlokker.Om voor dit feit tot een bewezenverklaring te komen, komt de vraag die de rechtbank zich moet stellen er in de kern op neer of er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ter uitvoering van het plan om [slachtoffer 2] te doden en of dit handelen is uitgelokt door [verdachte] door giften of beloften en/of het verschaffen van middelen of inlichtingen.
Opzet, voorbedachte raad en medeplegen

In weinig strafzaken kan de rechtbank zo duidelijk vaststellen wat de bedoeling achter een bepaald handelen is geweest. De kroongetuige en tevens verdachte [medeverdachte 1] heeft in deze zaak onomwonden verklaard dat er een opdracht lag om [slachtoffer 2] dood te schieten en dat de uitvoering van deze opdracht is vo