Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2020:865

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2020:865, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 1272


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige kamer van [eiseres], te [woonplaats], eiseres
Zittingsplaats Zutphen
(gemachtigde: mr. J.M. Koppert),

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/1272

in de zaak tussen

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

ECLI:NL:RBGEL:2020:865:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige kamer van [eiseres], te [woonplaats], eiseres
Zittingsplaats Zutphen
(gemachtigde: mr. J.M. Koppert),
Bestuursrecht

zaaknummer: 18/1272

in de zaak tussen

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat eiseres in aanmerking komt voor een Indicatie Banenafspraak.

Bij besluit van 31 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2019. Eiseres is verschenen, vergezeld van haar dochter en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.

Bij heropeningsbeslissing van 1 oktober 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer en daarbij tevens eiseres de vraag gesteld waarin haar procesbelang is gelegen.

Bij brieven van 10 en 21 oktober 2019 heeft eiseres een reactie ingestuurd, waarop door verweerder bij brief van 6 november 2019 is gereageerd.

Nadat partijen zijn gewezen op hun recht nogmaals ter zitting te worden gehoord, heeft eiseres bij brief van 19 december 2019 laten weten dat zij afziet van dit recht. Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is geboren op [geboortedatum]. Van 16 december 2008 tot 1 september 2012 is eiseres werkzaam geweest bij [bedrijf] voor 24 uur per week. Aansluitend heeft zij van 3 september 2012 tot en met 2 december 2012 van verweerder een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Daarna is eiseres bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) toegekend door de Sociale Dienst Veluwerand. Deze dienst heeft namens eiseres een aanvraag Indicatie Banenafspraak ingediend bij verweerder. Na een medische en arbeidskundige beoordeling heeft verweerder bij besluit van 8 september 2017 een Indicatie Banenafspraak toegekend.
2. Verweerder heeft de toekenning van de Indicatie Banenafspraak gebaseerd op de vaststelling dat eiseres beperkingen heeft door ziekte en/of gebrek die nog tenminste zes maanden voortduren en dat eiseres als gevolg van deze beperkingen niet in staat is het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen.
3.1.
Het medisch onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van de verzekeringsarts L.I. Sie van 15 augustus 2017 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep J. Relyveld van 25 januari 2018.
3.2.
Op de medische vragenlijst ten behoeve van de aanvraag heeft eiseres vermeld dat zij een kwetsbare rug heeft en een tennisarm. Verweerders verzekeringsartsen hebben eiseres beperkt bevonden op de volgende onderdelen: het langdurig handhaven van een eenzijdige lichaamshouding of extreme standen, eiseres moet voldoende van lichaamshouding kunnen wisselen, zwaar tillen/dragen en zwaar duwen/trekken, het gebruik van de rechterarm, niet langdurig met kracht schroefbewegingen maken, het omgaan met stress en andere mentale eisen en het omgaan met conflicten. Op grond van het medisch beeld kan niet worden gesteld dat er sprake is van geen benutbare mogelijkheden (GBM) of dat er een indicatie bestaat voor een beperking in de duurbelasting. De beperkingen zullen minimaal zes maanden duren. Relyveld heeft toegelicht dat er sprake is van een tweetal vastgestelde afwijkingen aan de rug, namelijk scheefstand naar rechts op cervicaal niveau en een geringe degeneratieve afwijking lumbaal (haakje 4), maar dat deze objectief gezien van geringe ernst zijn.
3.3.
Het arbeidskundig onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van arbeidsdeskundige M. van Asselt van 31 augustus 2017 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep I.J.M. IJsseldijk van 30 januari 2018.Verweerders arbeidsdeskundigen hebben vastgesteld dat eiseres niet zonder de inschakeling van een jobcoach in staat is om tenminste het WML te verdienen.
4. Eiseres stelt – samengevat – dat het medisch en arbeidskundig onderzoek niet zorgvuldig is verricht. Het is volgens eiseres correct dat zij niet in staat is het WML te verdienen. Eiseres acht zich niet tot enige vorm van arbeid in staat en wenst geheel te worden afgekeurd. Haar medische toestand is vele malen erger dan verweerders verzekeringsartsen hebben vastgesteld. De rugklachten zijn volgens eiseres gediagnosticeerd als scoliose.
5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft erop gewezen dat uit de door eiseres meegestuurde medische informatie (onder meer een brief van de afdeling radiologie van 25 september 2017) blijkt dat er geen sprake is van scoliose, maar van een geringe degeneratieve afwijking aan de lumbale wervelkolom.
6.1.
Per 1 mei 2015 is de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten in werking getreden, waarbij de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is gewijzigd.In 38b, eerste lid, van de Wfsv, voor zover hier relevant, is bepaald dat onder een arbeidsbeperkte wordt verstaan de persoon:a. die met ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet naar een dienstbetrekking is of wordt toegeleid, en van wie uitsluitend op verzoek van het college van burgemeester en wethouders door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.In artikel 38d, negende lid, aanhef en onder c, van de Wfsv, voor zover hier relevant, is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld, in ieder geval met betrekking tot de vaststelling, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, ten behoeve van de opname van personen in de registratie, bedoeld in het eerste lid. Deze nadere regels zijn vastgesteld in het Besluit SUWI.
6.2.
Op grond van artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit SUWI, voor zover hier relevant, verricht verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders een beoordeling of een persoon, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv in staat is het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet te verdienen. Op grond van het derde lid wordt in het kader van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, door verweerder het arbeidsvermogen van de betrokken persoon beoordeeld. Op grond van het vierde lid wordt het arbeidsvermogen, bedoeld in het derde lid, getoetst aan de methodiek van drempelfuncties die verweerder hanteert bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Op grond van het vijfde lid wordt onder een drempelfunctie als bedoeld in het vierde lid verstaan een bestaande functie op de Nederlandse arbeidsmarkt die de ondergrens van de verdiencapaciteit markeert, met een minimale belasting waardoor deze geschikt is voor mensen met beperkingen.Op grond van het zesde lid wordt, indien uit de analyse, bedoeld in het derde en vierde lid, blijkt dat een persoon geen drempelfunctie of voor een deel één drempelfunctie kan uitvoeren, de persoon niet geacht in staat te zijn het minimumloon te verdienen met dien verstande dat de beperkingen of belemmeringen die een persoon ondervindt naar verwachting nog ten minste voor 6 maanden na de beoordeling zullen bestaan. Op grond van het zevende lid wordt, indien uit de analyse, bedoeld in het derde en vierde lid, blijkt dat een persoon één drempelfunctie kan uitvoeren of één drempelfunctie kan uitvoeren met behulp van aanpassingen, de persoon geacht in staat te zijn het minimumloon te verdienen.
7. Eiseres heeft in haar brieven van 10 en 21 oktober 2019 herhaald dat haar procesbelang daarin is gelegen, dat zij zich niet in staat acht tot het verrichten van enige arbeid, en dat zij volledig afgekeurd wenst te worden.
8. Bij beantwoording van de vraag of eiseres bij deze stand van zaken procesbelang heeft, is bepalend wat de strekking van het besluit van verweerder is.
9. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van het besluit niet is de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres maar uitsluitend de beantwoording van de vraag of eiseres het WML kan verdienen. In dat kader moet worden vastgesteld of zij arbeidsvermogen heeft en een drempelfunctie kan vervullen. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres wel arbeidsvermogen heeft, maar niet een drempelfunctie kan vervullen en dus niet het WML kan verdienen. Dat eiseres niet het WML kan verdienen is in beroep niet aangevochten. Eiseres heeft enkel gesteld dat zij zodanig beperkt is dat zij niet tot enige vorm van arbeid in staat is. In het besliskader dat voorligt is echter niet van belang of eiseres sterker beperkt is dan verweerder heeft aangenomen. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de mate van arbeids(on)geschiktheid niet opgenomen is in de registratie in het doelgroepregister.
10. Nu eiseres het met haar beroep beoogde doel, namelijk de vaststelling dat zij niet in staat is tot het verrichten van enige arbeid, met een gegrondverklaring van haar beroep niet kan bereiken, en zij geen ander belang heeft gesteld, heeft zij geen procesbelang.
11. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter en mr. H.J. Klein Egelink en mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechters, in tegenwoordigheid van J. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.