Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2020:71

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 08-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2020:71, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 360608


Bron: Rechtspraak

center
100
5dedecb8-2a0a-4912-a4de-554ed9637d11
2
13
image/png

center
100
887f4c28-5ab5-40fa-840c-ffa61ae1ea3f
2
523
image/png

RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 8 januari 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/360608 / HA ZA 19-78 van

ECLI:NL:RBGEL:2020:71:DOC
nl

center
100
5dedecb8-2a0a-4912-a4de-554ed9637d11
2
13
image/png

center
100
887f4c28-5ab5-40fa-840c-ffa61ae1ea3f
2
523
image/png

RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 8 januari 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/360608 / HA ZA 19-78 van

1

[overige eisers in de hoofdzaak]
en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZONNE-EI FARM B.V.

gevestigd te Terschuur, gemeente Barneveld,die zich heeft gevoegd aan de zijde van de eisers in de hoofdzaak,
allen hierna samen te noemen: [gezamenlijke eisers] ,advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen,
tegen

1

h.o.d.n. ,gevestigd te Barneveld,2. de vennootschap onder firma,gevestigd te Barneveld,3. wonende te [woonadres]verweerders in de hoofdzaak, hierna samen te noemen: Chickfriend,advocaat mr. M.E.G. Murris te Utrecht,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/360617 / HA ZA 19-81 van

1

h.o.d.n. ,gevestigd te Barneveld,2. de vennootschap onder firma,gevestigd te Barneveld,3.
tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit),

verweerster in de vrijwaring, hierna te noemen de Staat,advocaten mrs. M.L. Batting en T.W. Franssen te ’s-Gravenhage.
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het tussenvonnis in hoofdzaak van 18 oktober 2019

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2019

de akte overlegging producties van [gezamenlijke eisers]

de antwoordakte uitlating producties van Chickfriend.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het tussenvonnis in vrijwaring van 18 oktober 2019

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2019.

2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
overwegingen

3

in de hoofdzaak
3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 30 oktober 2019 heeft de rechtbank bij monde van de voorzitter onder meer te kennen gegeven dat het in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gaat om hetzelfde feitencomplex en dat het daarom aanbeveling verdient om alle stukken te beschouwen als waren zij over en weer in beide procedures in het geding gebracht. [gezamenlijke eisers] heeft in dit verband ook verklaard in de hoofdzaak een beroep te willen doen op stukken uit de vrijwaringszaak. Alleen Chickfriend heeft daarin niet willen toestemmen. Nadat alle partijen ter zitting zich daarover hebben kunnen uitlaten heeft de rechtbank aan het einde van de mondelinge behandeling te kennen gegeven het van belang te vinden dat de stukken die de Staat in de vrijwaringszaak heeft overgelegd, ook worden ingebracht in de hoofdzaak. Met dat doel is de hoofdzaak vervolgens verwezen naar de rol van 13 november 2019, teneinde [gezamenlijke eisers] in de gelegenheid te stellen die stukken bij akte in het geding te brengen. Chickfriend zou daarop op de gebruikelijke termijn van vier weken bij antwoordakte kunnen reageren.
3.2.
Bij akte overlegging producties heeft [gezamenlijke eisers] op 13 november 2019 het verweerschrift van de Staat in de vrijwaringszaak in het geding gebracht, alsmede de op 30 oktober 2019 door de Staat ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota. [gezamenlijke eisers] heeft daarbij opgemerkt dat de Staat tot op heden ondanks herhaaldelijk verzoek niet de bij het verweerschrift behorende producties aan [gezamenlijke eisers] ter hand heeft willen stellen.
3.3.
Bij antwoordakte uitlating producties heeft Chickfriend op 11 december 2019 op voornoemde akte van [gezamenlijke eisers] gereageerd.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat tot op heden niet de producties die de Staat in de vrijwaringszaak heeft overgelegd in de hoofdzaak zijn ingebracht. Mede gelet op het feit dat het in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gaat om hetzelfde feitencomplex acht de rechtbank het nog steeds van belang dat dit wel gebeurt. Aangezien Chickfriend beschikt over die producties, zij is immers eiseres in de vrijwaring, zal de rechtbank Chickfriend op de voet van artikel 22 Rv bevelen de producties die de Staat in de vrijwaringszaak heeft overgelegd, in te brengen in de hoofdzaak.
3.5.
Chickfriend zal deze stukken moeten overleggen bij een door haar te nemen akte. [gezamenlijke eisers] krijgt daarna de gelegenheid om zich bij akte over deze stukken uit te laten, waarna Chickfriend de gelegenheid krijgt om bij antwoordakte daarop te reageren.
3.6.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
in de vrijwaringszaak

3.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
beslissing

4

De rechtbank
in de hoofdzaak

4.1.
beveelt Chickfriend op de voet van artikel 22 Rv de producties die de Staat in de vrijwaringszaak heeft overgelegd, in te brengen in de hoofdzaak,
4.2.
verwijst de zaak daarvoor naar de rol van 22 januari 2020 voor akte in het geding brengen van stukken aan de zijde van Chickfriend,
4.3.
bepaalt dat [gezamenlijke eisers] vervolgens bij akte op deze stukken kan reageren, op een termijn van vier weken nadat Chickfriend haar akte heeft genomen,
4.4.
bepaalt dat Chickfriend een antwoordakte kan nemen op een termijn van vier weken nadat [gezamenlijke eisers] haar akte heeft genomen,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de vrijwaringszaak

4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en mr. S. Kropman en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2020.

Coll.: MvG