Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2020:2029

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 26-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 26-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2020:2029, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-2379


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBGEL:2020:2029:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats ZutphenParketnummer: 96-054220-20Raadkamernummer: 20-2379
Datum uitspraak: 26 maart 2020

Beschikking

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] , wonende aan het [adres] , woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw, mr. W.E. van Veldhuizen, Roggestraat 111, 7311 CC Apeldoorn.
De procedure
Op 13 maart 2020 is bij de rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klager ingevolge artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De raadkamer heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft kennisgenomen van de schriftelijke standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw

Het onderzoek in raadkamer
Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak genomen maatregelen is de rechtbank gesloten en kan de zaak niet op een openbare terechtzitting worden behandeld. De raadkamer overweegt daarbij dat het belang van de volksgezondheid en de gezondheid van de procesdeelnemers in deze zaak prevaleren boven het aanwezigheidsrecht van klager.
De raadkamer heeft er naar gestreefd de doelen en belangen die gediend zijn met een behandeling op een openbare terechtzitting zoveel mogelijk te borgen, door de betrokken procespartijen op voorhand te informeren en in staat te stellen hun standpunten kenbaar te maken. De situatie van een anders openbare terechtzitting heeft de raadkamer aldus zoveel mogelijk nagebootst.

Het standpunt van klager
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs. Hiertoe is aangevoerd dat klager zijn rijbewijs nodig heeft ten behoeve van zijn werkzaamheden als commercieel verantwoordelijke bij [naam] BV. Klager heeft meerdere afspraken op een dag door heel Nederland, waarbij ook sprake is van last minute afspraken bij klanten waardoor een reis niet vooraf te plannen is. Daarnaast zijn veel locaties van klanten niet of nauwelijks met het openbaar vervoer te bereiken. Klager heeft, sinds de inhouding van zijn rijbewijs, geprobeerd om zoveel mogelijk klanten te bezoeken door middel van reizen met het openbaar vervoer, hetgeen erg lastig bleek te zijn. Ook heeft hij afspraken af moeten zeggen. Indien klager niet over zijn rijbewijs kan beschikken, zal dit volgens de werkgever onoverkomelijke problemen voor klager opleveren.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift. Hiertoe is aangevoerd dat klager heeft gereden met een snelheid van 138 km/u op een weg waar de toegestane maximum snelheid 80 km/u bedroeg. Klager heeft op 11 juni 2019 ook al een strafbeschikking van € 510,- gekregen voor een snelheidsovertreding. De verkeersveiligheid dient in dezen te prevaleren boven de persoonlijke belangen van klager.
overwegingen

De beoordeling
Wat betreft de feiten, die aan de onderhavige inhouding van het rijbewijs ten grondslag liggen, wordt verwezen naar het in deze zaak opgemaakte proces-verbaal met mutatienummer L0600/240220202003232983, opgemaakt door een verbalisant van de politie-eenheid Oost-Nederland.
De officier van justitie is bevoegd het ingevorderde rijbewijs onder zich te houden bij overschrijding van een krachten de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van vijftig kilometer of meer, dan wel als op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in artikel 164, tweede of derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zal begaan.

De raadkamer is van oordeel dat voldaan is aan de eisen die artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 aan een rechtmatige inhouding stelt.

Vervolgens heeft de raadkamer een afweging te maken tussen het belang van de verkeersveiligheid enerzijds en het belang van betrokkene anderzijds. Bij de beoordeling van de vraag of de verkeersveiligheid in het geding is, dient de raadkamer rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder het feit waarvan klager verdacht wordt, maar ook eventueel eerdere (soortgelijke) door klager begane feiten.

Klager heeft in zijn auto met een snelheid van 138 km/u gereden op een weg waar de toegestane maximumsnelheid 80 km/u bedroeg. Hierdoor heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Klager had op 11 juni 2019 ook al een strafbeschikking gekregen voor een snelheidsovertreding.

De raadkamer is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in het onderhavige geval de door klager naar voren gebrachte persoonlijke belangen niet opwegen tegen de belangen van verkeersveiligheid die met de verdere inhouding van het rijbewijs zijn gediend.

beslissing

De beslissing

De raadkamer:

verklaart

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze beslissing is gegeven door mr. C. Kleinrensink, rechter, in tegenwoordigheid van E.M. Damink, griffier, en uitgesproken op 26 maart 2020.
De rechter en de griffier zijn buiten staat te ondertekenen. Daarom is in opdracht getekend door een dienstdoende tekenrechter.
Naam en handtekening tekenrechter:
De openbaarheid van deze beslissing wordt geborgd doordat de beslissing aan de raadsvrouw van klager (en eventuele andere procesdeelnemers) kenbaar wordt gemaakt en overigens door spoedige publicatie op .
colA
colC

colA
colC