Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2020:2028

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 26-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 26-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2020:2028, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-2326


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBGEL:2020:2028:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats ZutphenParketnummer: 96-068925-20Raadkamernummer: 20-2326
Datum uitspraak: 26 maart 2020

Beschikking

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. R.P. Eefting, Stationsstraat 29A, 9401 KW Assen.
De procedure
Op 12 maart 2020 is bij de rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klager ingevolge artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De raadkamer heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft kennisgenomen van de schriftelijke standpunten van de officier van justitie en de raadsman

Het onderzoek in raadkamer
Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak genomen maatregelen is de rechtbank gesloten en kan de zaak niet op een openbare terechtzitting worden behandeld. De raadkamer overweegt daarbij dat het belang van de volksgezondheid en de gezondheid van de procesdeelnemers in deze zaak prevaleren boven het aanwezigheidsrecht van klager.
De raadkamer heeft er naar gestreefd de doelen en belangen die gediend zijn met een behandeling op een openbare terechtzitting zoveel mogelijk te borgen, door de betrokken procespartijen op voorhand te informeren en in staat te stellen hun standpunten kenbaar te maken. De situatie van een anders openbare terechtzitting heeft de raadkamer aldus zoveel mogelijk nagebootst.

Het standpunt van klager
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs. Hiertoe is aangevoerd dat klager zijn rijbewijs nodig heeft ten behoeve van zijn werkzaamheden als servicemonteur/technicus. Klager installeert en repareert tal van verschillende soorten machines en bij bedrijven op locatie. Klager maakt daarvoor gebruik van de bedrijfsbus, waarin hij zijn gereedschappen vervoert. Daarnaast draait klager ook storingsdiensten die maken dat hij ook vaak in de nacht moet werken. Het reizen met het openbaar vervoer is daarom geen optie. Klager is first offender.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift. Hiertoe is aangevoerd dat klager heeft gereden met een snelheid van 126 km/u op een weg waar de toegestane maximum snelheid 60 km/u bedroeg. De verkeersveiligheid dient in dezen te prevaleren boven de persoonlijke belangen van klager.
overwegingen

De beoordeling
Wat betreft de feiten, die aan de onderhavige inhouding van het rijbewijs ten grondslag liggen, wordt verwezen naar het in deze zaak opgemaakte proces-verbaal met mutatienummer PL0600/080320201600227084A, opgemaakt door een verbalisant van de politie-eenheid Oost-Nederland.
De officier van justitie is bevoegd het ingevorderde rijbewijs onder zich te houden bij overschrijding van een krachten de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van vijftig kilometer of meer, dan wel als op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in artikel 164, tweede of derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zal begaan.

De raadkamer is van oordeel dat voldaan is aan de eisen die artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 aan een rechtmatige inhouding stelt.

Mede gelet op de straffen die voor snelheidsovertredingen door de strafrechter plegen te worden opgelegd, dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat aan klager noch door de rechter, noch door het uitvaardigen van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd die langer is dan de periode dat zijn rijbewijs thans is ingevorderd.

Klager heeft gemotiveerd aangegeven wat zijn belang is bij het kunnen beschikken over zijn rijbewijs. De raadkamer weegt daarbij mee dat klager first offender is.

De raadkamer is van oordeel dat het klaagschrift, bij afweging van alle belangen, gegrond dient te worden verklaard. In afwachting van de inhoudelijke behandeling van de zaak wordt de teruggave van het rijbewijs aan klager gelast.

Hierbij merkt de raadkamer met nadruk op dat de rechter later oordelend over de strafzaak op generlei wijze gebonden zal zijn aan de thans te geven beslissing en zich een eigen en zelfstandig oordeel zal vormen over het rijbewijs van klager. Ook is denkbaar dat de strafrechter bijvoorbeeld een aanmerkelijk hogere boete zal opleggen ter compensatie van een kortere ontzegging van de rijbevoegdheid.

beslissing

De beslissing

De raadkamer:

verklaart

gelast

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze beslissing is gegeven door mr. C. Kleinrensink, als rechter, in tegenwoordigheid van E.M. Damink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 maart 2020.
De rechter en de griffier zijn buiten staat te ondertekenen. Daarom is in opdracht getekend door een dienstdoende tekenrechter.
Naam en handtekening tekenrechter:
De openbaarheid van deze beslissing wordt geborgd doordat de beslissing aan de raadsman van klager (en eventuele andere procesdeelnemers) kenbaar wordt gemaakt en overigens door spoedige publicatie op .
colA
colC

colA
colC