Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2020:2013

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 26-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2020:2013, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 05/880310-17


Bron: Rechtspraak




RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880310-17Datum uitspraak : 25 maart 2020
Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag verdachte] 1993 te [geboorteplaats verdachte] , wonende aan [adres verdachte] ,
raadsman: mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2020.

ECLI:NL:RBGEL:2020:2013:DOC
nl



RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880310-17Datum uitspraak : 25 maart 2020
Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag verdachte] 1993 te [geboorteplaats verdachte] , wonende aan [adres verdachte] ,
raadsman: mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2020.

1

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
_01aab00e-3bb1-4ba7-927a-182b6f4058af


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.Hij op of omstreeks 12 januari 2017 te Nijkerk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (ongeveer 24502,50 euro), heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist/wisten, althans redelijkerwijs moest/hadden moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
En

Hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 23 januari 2017 te Amersfoort en/of Bunschoten en/of Hulshorst, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meerdere malen) (telkens) een voorwerp, te weten:

heeft omgezet, en/of (meerdere malen) (telkens) van een voorwerp/voorwerpen, te weten één of meerdere geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest/hadden moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2.Hij op of omstreeks 11 januari 2017 te Nijkerk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (ongeveer 767,91 euro), heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij/ en/of zijn mededader(s) wist/wisten, althans redelijkerwijs moest/hadden moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
3.Hij op of omstreeks 3 februari 2017 te Nijkerk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (ongeveer 3025 euro), heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist/wisten, althans redelijkerwijs moest/hadden moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Ten aanzien van feit 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en 2 bewezen kan worden verklaard.
Beoordeling door de rechtbank

Aangiftes

[aangever 1] heeft verklaard dat hij een hefttruck heeft gekocht bij [bedrijf 1] voor een bedrag van € 24.502,50. Op 7 januari 2017 is een factuur opgesteld door [bedrijf 1] . Op 12 januari 2017 heeft [aangever 1] een bedrag van € 24.502,50 overgemaakt op [rekeningnummer 1] , welk rekeningnummer op de factuur stond vermeld. De factuur die aangever had ontvangen bleek niet overeen te komen met de originele factuur die door [bedrijf 1] was verstuurd. Op de factuur die aangever heeft ontvangen stond namelijk een ander rekeningnummer dan op de originele factuur. [bedrijf 1] heeft het bedrag ook niet ontvangen.
[aangever 2] heeft verklaard dat hij een kachel heeft laten plaatsen door [bedrijf 2] . Op 11 januari 2017 ontving [aangever 2] daarvoor een factuur voor een bedrag van € 767,91. Het bedrag moest hij overmaken op [rekeningnummer 2] t.a.v. [bedrijf 2] . Aangever vernam van [bedrijf 2] dat zij het bedrag niet hadden ontvangen. Het bankrekeningnummer van [bedrijf 2] is [rekeningnummer bedrijf 2] .

Onderzoek naar de rekeningnummers op de ontvangen facturen

Het rekeningnummer uit de aangifte van [aangever 1] staat op naam van verdachte. Uit het onderzoek naar dit rekeningnummer blijkt dat op 12 januari 2017 het bedrag van € 24.502,50 werd bijgeschreven. Dit bedrag was overgemaakt door aangever [aangever 1] . De dagen daarna werd een deel van dit geldbedrag door middel van verschillende pintransacties contant opgenomen.
Het betreft de volgende pinopnames:

Op 13 januari 2017 werd daarnaast een geldbedrag van € 9.500,- overgeschreven naar [rekeningnummer 2] . Dit rekeningnummer blijkt ook op naam van verdachte te staan. Het bedrag van € 9.500,- werd vervolgens in een zestal pintransacties van dat rekeningnummer contant opgenomen.

Het rekeningnummer uit de aangifte van [aangever 2] staat op naam van verdachte. Uit onderzoek naar dit rekeningnummer blijkt dat op 11 januari 2017 een geldbedrag van € 767,91 werd bijgeschreven. Dit bedrag werd overgemaakt door [aangever 2] . Op 13 januari 2017 werd vervolgens een geldbedrag van € 700,- van dat rekeningnummer contant opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte ontvangen geldbedragen afkomstig zijn uit een misdrijf. Immers zijn de door [aangever 1] en [aangever 2] ontvangen facturen vervalst door de rekeningnummers op de facturen te vervangen door het rekeningnummer van verdachte. De verdachte heeft de geldbedragen van de aangevers ook op zijn rekeningnummers ontvangen. Hij had vanaf dat moment de geldbedragen verworven en voorhanden. De geldbedragen zijn vervolgens omgezet doordat een geldbedrag deels werd overgemaakt van de ene rekening van verdachte naar een andere rekening van verdachte, dan wel doordat uiteindelijk de geldbedragen volledig contant zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Medeplegen en wetenschap

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer anderen. De camerabeelden van de pintransacties uitgevoerd op 13 januari 2017, 14 januari 2017, 15 januari 2017 en 23 januari 2017 zijn uitgekeken door de politie. Uit de camerabeelden blijkt dat twee van de pintransacties door één en dezelfde persoon zijn uitgevoerd, te weten de pintransactie op 13 januari 2017 om 19:45 uur en de pintransactie op 15 januari 2017 om 01:15 uur. De persoon op beide beelden had dezelfde huidmarkering op zijn vinger. Deze persoon is een ander dan de man zichtbaar op de beelden tijdens de pinopnamen op 13 januari 2017 om 16:31 uur. De rechtbank is daarom van oordeel dat de pinopnamen door tenminste twee verschillende personen zijn uitgevoerd.Een onderzoek naar de historische verkeersgegevens van het mobiele nummer van verdachte, laat ook zien dat meerdere personen betrokken waren bij de pinopnamen. [Telefoonnummer 1] was in de periode 9 januari 2017 tot en met 28 januari 2017 door verdachte in gebruik. Dit mobiele nummer was tijdens een aantal pintransacties, in de directe omgeving van de betreffende pinautomaten. Tevens had dit mobiele nummer meerdere malen, kort voor, tijdens en kort na de uitgevoerde pintransacties telefonisch contact met een viertal mobiele nummers. Uit voorgaande blijkt dat tenminste vier andere personen betrokken zijn geweest bij het contant opnemen van het geld, dus bij het witwassen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, zodanig dat gezegd moet worden dat verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gehandeld.
Uit het gebruik van verdachtes bankrekening, de opname van het geld met verdachtes bankpas door vermomde personen en de telefonische contacten tussen verdachte en een viertal anderen rondom het tijdstip van de opname van de geldbedragen, leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 3. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 tenlastegelegde. Hiertoe is aangevoerd dat de bankpas van het rekeningnummer waarop het geldbedrag door aangever werd gestort, was geblokkeerd. Verdachte heeft hierdoor niet over het geldbedrag kunnen beschikken.
Beoordeling door de rechtbank

[aangever 3] heeft verklaard dat hij op 5 januari 2017 een factuur heeft verzonden aan [bedrijf 3] met een bedrag van € 3.025,-. Nadat [aangever 3] het bedrag niet had ontvangen, nam hij contact op met [bedrijf 3] . Het bedrag was door [bedrijf 3] overgemaakt op [rekeningnummer 2] . Dit bleek niet het rekeningnummer te zijn van [aangever 3] .
Zoals hierboven reeds is vastgesteld staat [rekeningnummer 2] op naam van verdachte. Uit onderzoek naar dit rekeningnummer blijkt dat op 3 februari 2017 het geldbedrag van € 3.025,- is bijgeschreven. Dit bedrag werd overgemaakt door [bedrijf 3] . Uit de bij de ABN AMRO Bank gevorderde gegevens bleek dat het geldbedrag van € 3.025,- wegens vermoedens van overboekingsfraude door de ABN AMRO Bank was veilig gesteld.

Uit de opgevraagde gegevens bij ABN AMRO Bank is gebleken dat de bij [rekeningnummer 2] behorende bankpas vanaf 17 januari 2017 was geblokkeerd.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte ontvangen geldbedrag afkomstig is uit een misdrijf. De door [aangever 3] verzonden factuur is vervalst door het rekeningnummer op de factuur te vervangen door het rekeningnummer van verdachte. De verdachte heeft het door [bedrijf 3] overgemaakte bedrag op zijn rekening ontvangen. Hij heeft vanaf dat moment het geldbedrag verworven en voorhanden gehad en wist dat dit geen legale afkomst had. Dat een bankpas is geblokkeerd, neemt niet weg dat de rekeninghouder nog altijd beschikt over de op die rekening gestalde gelden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de opzetvariant van witwassen. Dat de ABN AMRO bank – op enig moment na het storten – het geld wegens een vermoeden van fraude naar een tussenrekening van de bank heeft overgemaakt, doet hier niet aan af.

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank heeft, gelet op de werkwijze onder feit 1 en 2 het sterke vermoeden dat verdachte ook ten aanzien van feit 3 nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer anderen. Het dossier bevat hiervoor echter onvoldoende wettig bewijs, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het medeplegen onder feit 3.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

-

Een geldbedrag van 1250 euro en/of

Een geldbedrag van 1750 euro en/of

Een geldbedrag van 1750 euro en/of

Een geldbedrag van 1500 euro en/of

Een geldbedrag van 750 euro en/of

Een geldbedrag van 1750 euro en/of

Een geldbedrag van 1500 euro en/of

Een geldbedrag van 1750 euro en/of

Een geldbedrag van 1750 euro en/of

Een geldbedrag van 320 euro,

-

op 13 januari 2017 om 16:31 uur: € 1.250,- bij een Rabobank pinautomaat te Bunschoten;

op 13 januari 2017 om 19:45 uur: € 1.750,- bij een Rabobank pinautomaat te Bunschoten;

op 13 januari 2017 om 19:46 uur: € 1.750,- bij een Rabobank pinautomaat te Bunschoten;

op 13 januari 2017 om 19:47 uur: € 1.500,- bij een Rabobank pinautomaat te Bunschoten;

op 14 januari 2017 om 01:28 uur: € 1.750,- bij een Rabobank pinautomaat te Amersfoort;

op 14 januari 2017 om 01:45 uur: € 1.750,- bij een Rabobank pinautomaat te Amersfoort;

op 14 januari 2017 om 01:46 uur: € 1.500,- bij een Rabobank pinautomaat te Amersfoort;

op 15 januari 2017 om 01:15 uur: € 1.750,- bij een Rabobank pinautomaat te Bunschoten;

op 15 januari 2017 om 01:15 uur: € 1.750,- bij een Rabobank pinautomaat te Bunschoten;

op 23 januari 2017 om 03:37 uur: € 320- bij een Rabobank pinautomaat te Noord-Veluwe.

3

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.Hij op 12 januari 2017 te Nijkerk, , tezamen en in vereniging met anderen, , een voorwerp, te weten een geldbedrag ( 24502,50 euro), heeft verworven, voorhanden gehad terwijl hij en/of zijn mededaderswisten, dat dat voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
En

Hij in de periode van 13 januari 2017 tot en met 23 januari 2017 te Amersfoort en Bunschoten en Hulshorst,, tezamen en in vereniging met anderen, , meerdere malentelkens een voorwerp, te weten:

heeft omgezet,meerdere geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt()()althans redelijkerwijs moest/hadden moeten vermoedenof gedeeltelijkof middellijk
2.Hij op 11 januari 2017 te Nijkerk, , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, , een voorwerp, te weten een geldbedrag ( 767,91 euro), heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij/ en/of zijn mededaderswisten, dat dat voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
3.Hij op 3 februari 2017 te Nijkerk, , alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag ( 3025 euro), heeft verworven, voorhanden gehad terwijl hij wist, dat dat voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

-

Een geldbedrag van 1250 euro en

Een geldbedrag van 1750 euro en

Een geldbedrag van 1750 euro en

Een geldbedrag van 1500 euro en

Een geldbedrag van 1750 euro en

-

Een geldbedrag van 1750 euro en

Een geldbedrag van 1500 euro en

Een geldbedrag van 1750 euro en

Een geldbedrag van 1750 euro en

Een geldbedrag van 320 euro,

4

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 2:

telkens

Medeplegen van witwassen

Ten aanzien van feit 3:

Witwassen

5

De feiten zijn strafbaar.

6

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

overwegingen

7

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 10 februari 2020;- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 23 januari 2020.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De officier van justitie houdt hierbij rekening met het tijdsverloop.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een werkstraf op te leggen met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is aangevoerd dat het voor verdachte zeer lastig is om aan werk te komen, waardoor het behoud van zijn huidige baan van groot belang is.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
Verdachte heeft zich, onder andere samen met een of meerdere personen, schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 28.295,41, waarvan € 3.025,- werd veilig gesteld door het ingrijpen van de ABN AMRO Bank. Door crimineel geld in het legale betalingsverkeer te brengen, werkte verdachte mee aan verhulling van criminele activiteiten en de inkomsten daaruit. In het algemeen kan worden gesteld dat hierdoor crimineel gedrag in de hand wordt gewerkt, omdat daarmee de indruk kan worden gewekt dat het illegaal verwerven van inkomsten loont. Verder vormt witwassen een ernstige bedreiging van de legale economie en tast het de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

De rechtbank is van oordeel dat het gaat om ernstige feiten die de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. Hij is niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft daaruit afgeleid dat verdachte andere prioriteiten heeft gesteld en ervoor heeft gekozen geen verantwoording af te leggen. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank echter wel het lange tijdsverloop mee.

Alles in samenhang bezien, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opleggen. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht.

8

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

9


De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een voor de duur van 4 (vier);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. de Vries, griffier.

Dit vonnis is ondertekend door mr. J.J.H. van Laethem en door hem in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.

Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak met ingang van 17 maart 2020 genomen maatregelen is de rechtbank voor medewerkers slechts zeer beperkt toegankelijk en is het openbare gedeelte gesloten.

Mrs. R.S. Croll, rechter, M. Hoedeman, rechter en mr. J.J. de Vries, griffier, zijn daarom buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De openbaarheid van dit vonnis wordt geborgd doordat het vonnis aan de raadsman van verdachte (en eventuele andere procesdeelnemers) kenbaar wordt gemaakt en overigens door spoedige publicatie op www.rechtspraak.nl”

_01aab00e-3bb1-4ba7-927a-182b6f4058af
1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018376800, gesloten op 8 november 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

_5f691c2e-2f28-4335-bfbb-e35de4b89573
2

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen, p. 114-118.

_f1ef16f7-0d7e-4187-a74c-685264ae22f4
3

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen, waaronder een kopie van de factuur van [bedrijf 2] p. 255-262.

_3be85e2a-1def-4c5b-bf0d-a1b33d4de7d8
4

Proces-verbaal van bevindingen, p. 123.

_00a85dee-727a-4814-b6c4-43f1071f5beb
5

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 125-128.

_a2cb3512-ad14-4c16-a30d-ff7a8468077b
6

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 125-128.

_a677c053-8741-4e0e-a8a8-886d6150ada3
7

Proces-verbaal van bevindingen met bijlage, p. 140-141.

_ee6ab3ce-2eae-419d-9787-50d0dc635b70
8

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 145.

_6d993678-4fc7-4db5-b527-c468327a08d9
9

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 145-148.

_8bb0e016-81ce-4309-852a-08d092723ed2
10

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 169-198.

_dcacd164-fd73-4dbe-a7ce-d40194a6257e
11

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 199-201.

_3d0cca16-ebb2-47e0-9155-df80e2e4d860
12

Proces-verbaal van bevindingen, p. 228-229 en proces-verbaal van bevindingen, p. 230-232.

_dff18516-41a3-4d8e-b59d-d33980b4ed8a
13

Proces-verbaal van aangifte met bijlagen, p. 263-264.

_c8b9d8e5-ea71-4d49-8cca-37ecb01e2249
14

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 145-148.

_ae6ba9da-bd15-44ca-95e5-b33ad7ddc319
15

Proces-verbaal van bevindingen, p, 149.

_8e51dacd-67b3-4e98-a168-5da8bb4afd93
16

Proces-verbaal van bevindingen, p. 249.

_65264902-0bcf-4035-b3c5-5a9e7be0bb3e
17

In de tenlastelegging staat een bedrag van 750,- Euro i.p.v. 1.750,00 Euro. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke verschrijving, gelet de behandeling ter terechtzitting en de inhoud van het dossier, zie dossierpagina 127.