Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:7

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:7, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 05/880261-18, 05/720119-18 en 05/840018-18


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/880261-18, 05/720119-18 en 05/840018-18

Datum uitspraak : 2 januari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem,
raadsvrouw: mr. I.M.F. Obers, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 mei 2018, 1 augustus 2018, 15 oktober 2018, 17 december 2018 en 20 december 2018.

ECLI:NL:RBGEL:2019:7:DOC
nl


RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/880261-18, 05/720119-18 en 05/840018-18

Datum uitspraak : 2 januari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem,
raadsvrouw: mr. I.M.F. Obers, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 mei 2018, 1 augustus 2018, 15 oktober 2018, 17 december 2018 en 20 december 2018.
1

De inhoud van de tenlastelegging is te vinden in de bijlage bij dit vonnis.

2

A. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat verdachte de aangevers heeft geworven in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.
verrichten van arbeid of diensten, dan wel iets te doen, niet te doen, of te dulden

De rechtbank zal vervolgens ingaan op de vraag welke activiteiten of welk dulden, zoals nader omschreven in de tenlastelegging, door aangever [slachtoffer 1] en/of aangeefster [slachtoffer 2] ten voordele van verdachte aan de orde zijn geweest.
-
-
-
- [slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zijn vrouw en hij thuis de hond van verdachte verzorgden. Ook [slachtoffer 2] heeft dit bij de rechter-commissaris verklaard; de kosten van deze verzorging kwamen voor rekening van het echtpaar [slachtoffers] . Dit wordt op onderdelen bevestigd door getuige [getuige 2] , die de verzorging van de hond plaatst in de woning aan de [adres 2] , in 2013 vanaf het moment dat verdachte was gedetineerd () , de getuigenverklaring van [getuige 3] en de getuigenverklaring van [naam 1] . Niet is gebleken dat verdachte ooit de kosten van de verzorging van zijn hond heeft vergoed aan het echtpaar [slachtoffers] .
tussenconclusie

beperking beslis- en bewegingsvrijheid

De rechtbank overweegt ten aanzien van de ten laste gelegde beperking van de beslis- en bewegingsvrijheid van aangevers het navolgende.
dwangmiddelen

Ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen omschrijving van gedragingen van verdachte waarmee hij aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou hebben bewogen tot de hierboven genoemde, te bewijzen arbeid / diensten / dulden, overweegt de rechtbank als volgt.
-
- -
-
- [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte spullen kapot gooide, waaronder haar stereotoren. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte onder meer bierblikken naar hem toe gooide. Ook [naam 1] heeft verklaard dat verdachte met dingen gooide. Dit vindt steun in de verklaring van [getuige 1] dat verdachte kon exploderen als iemand een opmerking maakte die verdachte niet beviel. Hij begon dan te schreeuwen en met spullen te gooien.
-
-
-
tussenconclusie

conclusies

De rechtbank constateert uit hetgeen hiervóór onder ‘De feiten’, het eerste gedachtenstreepje onder B. en het eerste gedachtenstreepje onder E. is overwogen, dat verdachte in de ten laste gelegde pleegperiode op verschillende tijdstippen en verschillende manieren contact had met aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank zal dan ook bij de beoordeling van de tenlastelegging - hierna - onderscheid maken tussen verschillende, door de aard van de contacten tussen verdachte en aangevers van elkaar te onderscheiden periodes.

Ten aanzien van parketnummer 05/880261-18
_9f0f99e3-fb92-4f93-b0f4-59871c8f32c3

De feiten

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.Het echtpaar [slachtoffer 1] (aangever) en [slachtoffer 2] (aangeefster) heeft verdachte in 2010 leren kennen. Vanaf 28 mei 2010 heeft verdachte in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de [adres 2] in Nijmegen een kamer gehuurd. Verdachte stond daar ook ingeschreven tot 13 maart 2013. Het huurcontract is per 15 augustus 2012 door de kantonrechter beëindigd. Tevens mocht verdachte tot 15 mei 2013 zich niet binnen 500 meter van voornoemde woning bevinden en mocht hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet benaderen. Sinds 17 december 2015 waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] woonachtig op het [adres 3] in Nijmegen. Verdachte heeft hen geholpen met de verhuizing en kwam regelmatig in deze woning, waar hij ook enkele malen per week bleef overnachten. [slachtoffer 2] heeft bij een psychologisch onderzoek op de gebieden ‘verbaal begrip’, ‘perceptueel redeneren’, ‘werkgeheugen’ en ‘verwerkingssnelheid’ IQ-scores laten zien van respectievelijk 66, 68, 52 en 89. Zij wordt aangemerkt als licht verstandelijk beperkt en als iemand die geneigd is om, als ze iemand mag, snel over haar grenzen heen te gaan om de ander tegemoet te komen. [slachtoffer 1] heeft bij een psychologisch onderzoek op de gebieden ‘verbaal begrip’, ‘werkgeheugen’ en ‘perceptueel redeneren’ IQ-scores laten zien van respectievelijk 79, 80 en 83. De score op het gebied ‘verwerkingssnelheid’ bleek niet consistent. Zijn cognitieve capaciteiten worden aangemerkt als beneden gemiddeld. Met betrekking tot zijn ego wordt beschreven dat dit zich heeft ontwikkeld in het conformistische stadium; hij wil het graag goed doen voor anderen en zal zich over het algemeen meewerkend opstellen. Verdachte wist dat aangevers gemakkelijk te beïnvloeden zijn.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich gedurende de ten laste gelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde mensenhandel-feit, met uitzondering van het in de tenlastelegging als ‘sub 1’ opgenomen ‘werven’.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit verdachte geheel vrij te spreken van het primair tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zowel op de [adres 2] als op het [adres 3] sprake was van een win-win situatie, waarbij verdachte en aangevers elkaar op basis van wederkerigheid diensten hebben verleend. Er was dan ook geen sprake van dwang of ongeoorloofde beïnvloeding en evenmin van uitbuiting. Daarom kan mensenhandel in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht niet worden bewezen. Ook van het subsidiair als ‘dwang’ tenlastegelegde dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de verdediging. Er is immers teveel twijfel of de gedragingen van verdachte, waarmee hij aangevers zou hebben beïnvloed, bewezen kunnen worden en of deze gekwalificeerd kunnen worden als dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht.
Beoordeling door de rechtbank

Zoals hiervoor reeds opgemerkt, heeft verdachte in de woning op de [adres 2] verbleven op basis van een huurovereenkomst die is ingegaan per 25 mei 2010 en die doorliep tot en met de ontbinding daarvan per 15 augustus 2012. In deze periode is verdachte, volgens het rapport ‘financiële uitbuiting’ (pag. 735) gedetineerd geweest van 28 september 2010 tot en met 29 augustus 2011. Ook zou - volgens een opmerking van een verbalisant, pag. 326 bovenste alinea - verdachte gedetineerd zijn geweest van 14 oktober 2013 tot 18 augustus 2014. Voorts leidt de rechtbank uit het dossier af dat verdachte zich na de ontbinding van de huurovereenkomst heeft laten behandelen bij IrisZorg, in welke periode hij heeft verbleven bij IrisZorg De Hulsen, waarna verdachte heeft gewoond op een adres aan de [straat] in Nijmegen. Hoe lang hij aan de [straat] heeft gewoond, wordt uit het dossier niet duidelijk; in oktober 2016 heeft hij zich laten inschrijven aan de [adres 4] te Nijmegen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat verdachte geruime tijd niet bij de aangevers in huis aan de [adres 2] heeft gewoond. In een Facebook-gesprek d.d. 16 oktober 2015 zegt verdachte tegen [slachtoffer 2] dat zij aan zijn kleding moest denken. Uit het rapport ‘financiële uitbuiting’ volgt dat begin oktober 2015 van de bankrekening van [slachtoffer 2] een pintransactie van € 5,00 heeft plaatsgevonden bij een coffeeshop in Nijmegen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat [slachtoffer 2] toen daar wiet heeft gekocht. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat alle wiet die werd gekocht voor verdachte was. [getuige 1] heeft eveneens verklaard dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zelf geen wiet rookten en dat verdachte steeds opdracht gaf om wiet te halen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [slachtoffer 2] deze wiet in opdracht of op verzoek van verdachte heeft gekocht en trekt - mede op basis van het Facebook-gesprek - de conclusie dat verdachte vanaf begin oktober 2015 weer contact met aangevers had. De rechtbank kan hier echter niet uit afleiden dat verdachte toen ook weer bij het echtpaar [slachtoffers] inwoonde.Wel staat vast dat verdachte vanaf de verhuizing naar het [adres 3] per 17 december 2015 weer regelmatig bij aangevers in die woning verbleef. De rechtbank heeft geen aanwijzingen aangetroffen dat verdachte met instemming van aangevers in de woning aan het [adres 3] heeft verbleven. Aangever [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] hebben hierover verklaard dat zij liever hadden dat verdachte weg ging, maar dat zij dat niet durfden te zeggen. Hun zoon [naam 1] heeft op 12 april 2018 verklaard dat verdachte het voorafgaande jaar bijna dagelijks in de woning was, dat zijn ouders bang waren voor verdachte en dat zij niet blij waren met verdachte, maar er niet zoveel tegen konden doen. De vader van verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bang waren voor verdachte en dat verdachte misbruik maakte van zijn overwicht op mensen. Maatschappelijk werker [naam 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bang waren voor verdachte en dat zij machteloos waren ten opzichte van hem.Dat verdachte regelmatig in de woning aan het [adres 3] verbleef en daar zelfs zijn spullen had ondergebracht, vindt voorts bevestiging in de waarnemingen op 26 januari 2018 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en het onderzoek naar de historische gegevens van de telefoon van verdachte waaruit kan worden afgeleid dat de telefoon van verdachte erg vaak een zendmast in de buurt van het [adres 3] aanstraalde.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij en [slachtoffer 2] de boodschappen voor verdachte (waaronder eten, bier en shag) betaalden en dat [slachtoffer 2] deze boodschappen moest halen. Dit vindt steun in de verklaring van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben tevens verklaard dat [slachtoffer 2] iedere dag wiet haalde voor verdachte. Getuige [getuige 1] heeft over de periode aan de [adres 2] verklaard dat verdachte de koelkast van het echtpaar [slachtoffers] leeg at, dat [slachtoffer 2] wiet en boodschappen moest halen voor verdachte, en dat [slachtoffer 1] hiervoor betaalde. Verdachte maakte volgens deze getuige de dienst uit in het huis van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dat verdachte op dwingende toon [slachtoffer 2] aanspoorde boodschappen voor hem te doen, vindt ook bevestiging in Facebook-conversaties tussen verdachte en [slachtoffer 2] . Weliswaar beschikte [slachtoffer 2] over de pincode van de bankpas van verdachte, maar de rechtbank leidt uit het financieel onderzoek af dat de boodschappen slechts zelden met die bankpas zijn betaald. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat uit een WhatsApp-gesprek tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat het kennelijk vermelding verdiende wanneer een bedrag aan verdachte hoeft te worden teruggegeven. De verklaringen van beide aangevers vinden voorts bevestiging in de getuigenverklaring van hun zoon [naam 1] en in de getuigenverklaring van de zus van [slachtoffer 2] , [naam 3] .
Uit een afgeluisterd telefoongesprek waaraan verdachte deelnam, leidt de rechtbank af dat verdachte zijn kleding liet wassen door het echtpaar [slachtoffers] . Ook heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij de was deden voor verdachte. [slachtoffer 2] heeft eveneens verklaard dat de was van verdachte gedaan moest zijn, anders werd ze uitgescholden. Dat het echtpaar [slachtoffers] zich druk maakte over het wassen van de kleding van verdachte, vindt bevestiging in een WhatsApp-gesprek tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van 11 september 2017. Uit een Facebook-conversatie tussen verdachte en [slachtoffer 2] d.d. 16 oktober 2015 leidt de rechtbank af dat verdachte op dwingende toon te verstaan gaf dat zij aan zijn kleding moest denken.Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen geld heeft gegeven voor het doen van de was.
De hiervoor omschreven arbeid / diensten / dulden acht de rechtbank bewezen, waarbij opmerking verdient dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (met betrekking tot de hond) nadrukkelijk over de periode aan de [adres 2] lijken te verklaren. Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging opgenomen arbeid / diensten / dulden heeft de rechtbank uit de in het procesdossier opgenomen bewijsmiddelen onvoldoende overtuiging bekomen dat deze door verdachte zijn begaan, dan wel zijn begaan in het kader van mensenhandel respectievelijk dwang. Van die bestanddelen zal verdachte worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat daarbij een rol speelt dat het procesdossier veel sfeertekening en vage aanduidingen bevat, maar weinig concreets en overzichtelijkheid biedt. Met name met betrekking tot de gebeurtenissen in de tijd is veel onduidelijkheid, terwijl de tenlastelegging bepaald niet selectief lijkt te zijn opgesteld.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte bepaalde wanneer zijn zoon [naam 1] naar buiten mocht en hoe laat hij terug moest zijn. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte [naam 1] bevelen heeft gegeven en dat verdachte bepaalde wat voor straf hij kreeg en hem ook daadwerkelijk straf heeft gegeven. Beide aangevers zijn op verschillende tijdstippen gehoord en verklaren daarover consistent. Voorts vinden hun verklaringen steun in de getuigenverklaring van [naam 3], de verklaring van [naam 1] en de verklaring van verdachte tijdens zijn politieverhoor. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat er een agressieve sfeer in huis () hing als verdachte er was. Verdachte kon exploderen. Verdachte bepaalde de hele dag wat er moest gebeuren, met wie mocht worden omgegaan en welke boodschappen gedaan moesten worden.Uit het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2018 volgt voorts dat [slachtoffer 2] op 4 januari 2018 aan de telefoon was met verdachte en dat zij meermalen heeft gezegd dat zij niet naar huis kon komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte ook ter controle vele malen gebeld naar [slachtoffer 2] . [getuige 4] heeft verklaard dat als [slachtoffer 2] bij haar thuis was verdachte () telkens belde om te vragen waar ze bleef en of ze nog thuiskwam. Als ze net had opgehangen belde hij alweer opnieuw. [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bestookt met telefoontjes en hen continu heeft benaderd.De rechtbank acht niet overtuigend bewezen dat verdachte aangevers heeft belet om hun woning te verlaten of heeft bepaald wat hun hond wel/niet mocht eten.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat [naam 4] heeft voorgesteld dat verdachte tijdelijk bij hen terecht kon, dat zij daarmee hebben ingestemd maar niet meer van hem af zijn gekomen. Het leek alsof verdachte aardig was. [naam 4] heeft bevestigd dat [slachtoffer 1] verdachte had aangeboden hem tijdelijk in huis te nemen en dat zij elkaar op dat moment nog niet goed kenden. [getuige 1] woonde bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toen verdachte af en toe langskwam. Hij heeft verklaard dat verdachte aanvankelijk overkwam als een aardige man, maar dat dit na drie/vier maanden omsloeg.De rechtbank trekt op grond van het vorenstaande de conclusie dat verdachte als een vriendelijke, hulpbehoevende man in het leven van het echtpaar [slachtoffers] is gekomen, maar dat leven niet meer heeft verlaten en zich meer en meer aan hen heeft opgedrongen. Gelet op de psychische gesteldheid, zoals die naar voren komt uit psychologisch onderzoek van beiden uit 2015 (zoals hierboven onder ‘De feiten’ beschreven) is het kenmerkend voor aangever [slachtoffer 1] dat hij graag goed wil doen voor anderen en zich over het algemeen meewerkend zal opstellen. Kenmerkend voor [slachtoffer 2] is dat zij snel over haar grenzen heen zal gaan om een ander tegemoet te komen. De rechtbank constateert, zoals hiervoor onder “De feiten” reeds vastgesteld, dat verdachte wist van de beïnvloedbaarheid van het echtpaar [slachtoffers] en dat hij hen binnen zijn invloedssfeer kon brengen door zijn overheersende gedrag in combinatie met hun specifieke karaktereigenschappen.
Verdachte heeft verklaard dat hij weleens discussies heeft gehad met [slachtoffer 1] waarbij de stemmen werden verheven. Hij acht het mogelijk dat hij daarbij met zijn vuist op de tafel heeft geslagen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij wel eens heel boos op [naam 1] was en hem goed de waarheid heeft verteld. [getuige 4] (zus van [slachtoffer 2] ) heeft verklaard dat het mopperen tegen [slachtoffer 1] en [naam 1] meer schreeuwen was. Ook heeft zij waargenomen dat verdachte heel erg boos was en dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afsnauwde. [naam 1] heeft verklaard dat verdachte veel schreeuwde. De rechtbank betrekt hierbij de Facebook-conversaties tussen verdachte en [slachtoffer 2] , waaruit kan worden afgeleid dat verdachte op bevelende en intimiderende toon laat weten wat hij verwacht dat de ander zal doen.De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande de overtuiging dat verdachte - die bekend was met de beïnvloedbaarheid van het echtpaar [slachtoffers] - aldus bewust beide aangevers heeft geïntimideerd om dingen van hen gedaan te krijgen.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij door verdachte tweemaal is geslagen. [slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen. De rechtbank overweegt dat deze verklaringen op elkaar aansluiten. Omdat het beschreven geweld volgens beide aangevers beperkt is gebleven tot enkele op zichzelf staande incidenten, zonder kennelijk te zijn overdreven, gaat de rechtbank ervan uit dat deze verklaringen van beide echtelieden niet zijn ‘aangedikt’ of op elkaar zijn afgestemd, zodat de rechtbank geloof hecht aan deze verklaringen.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij niets durfde te zeggen tegen verdachte, want anders werd ze uitgescholden voor “Ook heeft verdachte gezegd: . [naam 1] heeft verklaard dat verdachte naar hem schreeuwde en [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] werd uitgescholden voor “” [getuige 4] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] werd uitgemaakt voor hoer en slet.De rechtbank overweegt dat al deze verklaringen over scheldwoorden zodanig gelijkluidend zijn, dat hieraan geloof kan worden gehecht.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte een doorgeladen pistool op zijn hoofd heeft gezet en daarbij zei: [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij toen naast [slachtoffer 1] zat en dat het wapen doorgeladen was.De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] ook over andere bedreigingen door verdachte met een pistool heeft verklaard, maar daarvoor ziet de rechtbank onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Weliswaar gaat de rechtbank hierdoor uit van een eenmalige bedreiging met een pistool, maar deze bedreiging van [slachtoffer 1] strekte zich door de bewoordingen van verdachte ook uit tot [slachtoffer 2] . Bovendien ging rond diezelfde tijd (vlak voor kerst 2017) uit het door [slachtoffer 1] beschreven wapen daadwerkelijk een schot af, waarvan de sporen (een plat geslagen kogel in de vloer) ook zijn teruggevonden. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het gericht houden van het pistool op het hoofd van [slachtoffer 1] derhalve een uitermate ernstige bedreiging heeft gevormd die zeer veel indruk op het echtpaar [slachtoffers] moet hebben gemaakt.
heeft verklaard dat verdachte hem een keer beetpakte en heeft geslagen, omdat hij te laat thuiskwam. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [slachtoffer 2] . Zij heeft verklaard dat haar zoon [naam 1] te laat thuiskwam en dat verdachte hem bij zijn nek pakte, tegen de muur duwde en een klap op zijn borst gaf. Voor straf moest [naam 1] een halve dag op een stoel zitten.De rechtbank overweegt dat de mishandeling van [naam 1] weliswaar beperkt lijkt te zijn gebleven tot één incident, maar dat het hier wel ging om de minderjarige zoon van het echtpaar [slachtoffers] . De rechtbank kan zich voorstellen dat beide ouders zich uitermate geïntimideerd voelden doordat hun zoon straffeloos bleek te kunnen worden mishandeld en getuchtigd.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de mensen die bij het echtpaar [slachtoffers] op de [adres 2] voor overlast zorgden heeft weggestuurd. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de mensen die door verdachte de deur uit zijn gejaagd, zijn vriendengroep betrof. [slachtoffer 2] heeft dit eveneens verklaard. [naam 1] heeft verklaard dat vrienden van zijn ouders niet meer langskwamen vanwege verdachte. [naam 5] heeft verklaard dat het verdachte was die bepaalde wie er welkom was in de woning van het echtpaar [slachtoffers] .Ook hulpverleners voelden zich - in het bijzonder ten tijde van de bewoning van het [adres 3] - geïntimideerd door verdachte. Zo voelde een medewerker van Pluryn zich bedreigd door verbale uitingen van verdachte. De gezinsvoogd [naam 7] voelde zich telefonisch geïntimideerd door verdachte, die zich met stemverheffing bemoeide met de hulpverleningsgesprekken. Ook de begeleider van [naam 1] , [naam 8] , voelde zich geïntimideerd door verdachte. Beschermingsbewindvoerder [getuige 3] heeft op 20 maart 2018 verklaard dat verdachte vaak in de nieuwe woning aan het [adres 3] aanwezig was en dat zij in de voorafgaande twee jaren () geen huisbezoeken meer heeft gedaan, omdat verdachte er zo vaak was.
De rechtbank trekt uit het vorenstaande de conclusie dat verdachte de aangevers op diverse manieren intimideerde, bang maakte, en er in slaagde de wereld van het echtpaar [slachtoffers] steeds kleiner te maken en de bescherming van het echtpaar door vrienden en hulpverleners te doorbreken, waardoor zijn invloed op hen steeds groter werd. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat verdachte de overige ten laste gelegde gedragingen heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Zo kan allereerst worden vastgesteld dat verdachte in de periode tussen begin 2010 en mei 2010 overkwam als een vriendelijke man aan wie door [slachtoffer 1] een slaapplek werd aangeboden op de [adres 2] , terwijl verdachte daar vanaf mei 2010 tot en met augustus 2012 als kamerhuurder inwoonde bij het echtpaar [slachtoffers] en daar ook formeel stond ingeschreven. Daarna volgde een periode waarin verdachte om uiteenlopende redenen niet in de woning van het echtpaar [slachtoffers] verbleef. Bovendien zijn aangevers zelf in 2012 enige tijd hun huis uitgegaan, gevolgd door een locatie- en contactverbod voor verdachte. Hierdoor gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte vanaf de ontbinding van de huurovereen-komst weinig tot geen contact had met aangevers. Uit het procesdossier volgt niet dat dit in deze periode anders zou zijn geweest, met uitzondering van het verzorgen van de hond van verdachte in 2013 tijdens zijn detentie vanaf 14 oktober 2013. Begin oktober 2015 heeft verdachte weer contact gezocht met het echtpaar [slachtoffers] , in elk geval om [slachtoffer 2] te bewegen voor hem wiet te halen en aan zijn kleding te denken. Hij heeft vervolgens in december 2015 meegeholpen hen te verhuizen naar het [adres 3] en sindsdien heeft hij daar regelmatig, variërend van enkele dagen tot zeven dagen per week, in de woning verbleven. Dit duurde tot zijn aanhouding in januari 2018.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat verdachte in de eerste periode tot mei 2010 zich op enigerlei wijze dwingend heeft opgesteld jegens het echtpaar [slachtoffers] , waardoor hij hen heeft bewogen om dingen te doen die zij niet wilden. Ten aanzien van deze periode zal de rechtbank verdachte dan ook geheel vrijspreken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde.

Met betrekking tot de (tweede) periode gedurende welke verdachte huurder was, constateert de rechtbank dat hij een toenemende druk uitoefende op [slachtoffer 1] en op [slachtoffer 2] om dingen te doen en te dulden die zij eigenlijk niet wilden. De rechtbank heeft evenwel niet de overtuiging dat in deze periode sprake was van (een oogmerk van) uitbuiting door verdachte. Immers, verdachte was huurder en kon aan die status verschillende rechten ontlenen. Weliswaar hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaard dat verdachte nooit de huur heeft betaald, maar verdachte heeft verklaard dat hij de huur steeds contant betaalde. De bevindingen van het financieel onderzoek, waarin op basis van onderzoek van de bankrekeningen wordt geconstateerd dat niet is gebleken dat verdachte huur heeft betaald, sluiten de lezing van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet uit. Tijdens de civielrechtelijke procedure die heeft geleid tot de ontbinding van de huurovereenkomst, is weliswaar gesteld dat er sprake was van achterstallige huur, maar uit het dossier blijkt niet dat deze stelling nader is geconcretiseerd en onderbouwd. Meer nog, uit de desbetreffende stukken volgt naar het oordeel van de rechtbank veeleer dat de achterstallige huur slechts een bijkomstigheid was. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte in deze periode wel huurbetalingen heeft gedaan, ook al is onduidelijk hoeveel. En daarmee is voor de rechtbank, mede in het licht van de getuigen-verklaring van [getuige 5] die heeft gezien dat verdachte betalingen deed (pag. 261), ook onduidelijk wat verdachte in deze periode nog meer heeft betaald en welke afspraken over de kosten van het huishouden en levensonderhoud zijn gemaakt tussen verdachte als huurder en aangevers als verhuurders. Onder deze omstandigheden ontbreekt bij de rechtbank de overtuiging dat verdachte in deze periode een oogmerk van uitbuiting heeft gehad, zodat verdachte ten aanzien van deze periode zal worden vrijgesproken van mensenhandel, zoals primair ten laste gelegd.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 28 mei 2010 tot en met 15 augustus 2012 de aangevers wederrechtelijk heeft gedwongen zijn kleding te wassen, boodschappen en wiet te halen. Voorts heeft de rechtbank de overtuiging dat verdachte de aangevers tussen 14 oktober 2013 en (in elk geval) 31 december 2013 wederrechtelijk heeft bewogen de hond van verdachte te verzorgen. Dit alles leidt tot een partiële bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit ‘dwang’ als bedoeld in het eerste lid van artikel 284 (oud) Wetboek van Strafrecht (één en ander zoals hierna in de bewezenverklaring is aangeduid).

De rechtbank heeft in de bewijsmiddelen geen aanwijzingen aangetroffen dat verdachte in de (derde) periode na 31 december 2013 tot begin oktober 2015 druk of invloed heeft uitgeoefend op aangevers, zodat verdachte met betrekking tot deze periode integraal zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de (vierde) periode van begin oktober 2015 tot de verhuizing naar het [adres 3] per 17 december 2015 zijn weinig gegevens bekend geworden, behalve dat moet worden geconcludeerd dat verdachte weer in het leven van aangevers is verschenen. Voor enige bewezenverklaring levert dit onvoldoende overtuiging op, zodat verdachte ook met betrekking tot deze periode integraal zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat een grote verandering is opgetreden in de verhouding tussen verdachte en aangevers vanaf het moment dat zij op het [adres 3] te Nijmegen zijn gaan wonen. Uit al hetgeen hierboven onder B., C., D., E. en F. is overwogen, concludeert de rechtbank dat verdachte, die in oktober 2015 weer in het leven van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terugkeerde, na de verhuizing naar het [adres 3] het leven van aangevers is gaan domineren. Niet alleen verbleef hij wekelijks enkele dagen en nachten in die woning zonder enige vergoeding, maar ook heeft verdachte zijn persoonlijke bezittingen in die woning ondergebracht. Verdachte wist dat beide aangevers gemakkelijk te beïnvloeden zijn en heeft beide aangevers in de daaropvolgende periode geïsoleerd van mensen die hen hadden kunnen beschermen. Verdachte heeft de aangevers en hun kind laten zien waartoe hij in staat is, door hen te bedreigen met een doorgeladen pistool en daarmee ook daadwerkelijk te schieten, door hen en hun kind te mishandelen en/of te tuchtigen, en door hen uit te schelden en aldus te kleineren. Ook werd verdachte in het bijzijn van aangevers regelmatig kwaad op hen, waarbij hij zijn ontevredenheid kracht bijzette door met voorwerpen te gooien en/of voorwerpen te vernielen. Verdachte heeft door zijn handelen beide aangevers geïntimideerd, bang gemaakt, onder zijn invloed gebracht en de controle over hun leven overgenomen. Hij heeft hen hun bewegingsvrijheid en hun beslissingsvrijheid ontnomen. Aldus heeft hij hen dingen laten doen of dulden die op geld waardeerbaar zijn, zoals onderdak verschaffen, voedsel, drank en wiet aanschaffen en de was doen. Nu verdachte uit de eerdere periodes tussen mei 2010 en augustus 2012 en de laatste maanden van 2013 niet alleen wist dat beide aangevers beïnvloedbaar en kwetsbaar waren, maar ook wist dat hij hen voor zijn karretje kon spannen om hem voordeel te verschaffen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte gedurende de periode vanaf in elk geval 17 december 2015 het oogmerk van uitbuiting van beide aangevers heeft gehad. Ten aanzien van deze periode komt de rechtbank dan ook wel tot een bewezenverklaring van mensenhandel, zoals primair ten laste gelegd, waaruit verdachte ook daadwerkelijk voordeel heeft getrokken en waarbij hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van parketnummer 05/720119-18 - vrijspraak

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woordelijke bedreiging van [slachtoffer 3] . De officier van justitie heeft verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het deel van de bedreiging dat ziet op het ter hand nemen van een mes, nu dat niet onomstotelijk is komen vast te staan.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er niet voldoende overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte een mes ter hand heeft genomen.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de woordelijke bedreiging het navolgende. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte dergelijke bewoordingen in de mond heeft genomen. Maar voor een bewezenverklaring van bedreiging is vereist dat de gedraging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de ander de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Nu [slachtoffer 3] zelf bij zijn aangifte van 22 maart 2018 heeft verklaard dat hij slechts aangifte doet omdat zijn vriendin bang is en later heeft verklaard dat hijzelf totaal niet bang was voor verdachte (volgens aanvullend proces-verbaal d.d. 12 juni 2018 bij het voorgeleidingsproces-verbaal, pagina 142), ontbreekt bij de rechtbank de overtuiging dat de woorden ” bij [slachtoffer 3] die vrees hebben kunnen doen ontstaan. De rechtbank zal verdachte dan ook geheel vrijspreken van deze bedreiging.
Ten aanzien van parketnummer 05/840018-18
_1cd4b812-bd7e-4c05-8a02-d713734365be

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 5 januari 2018 zijn in de woning aan het [adres 3] te Nijmegen een doosje met 35 patronen en een vuurwapen met een met 8 patronen gevuld munitiemagazijn aangetroffen. Dit wapen is een pistool van het merk [naam 9] , zijnde een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De munitie betreft in totaal 43 volmantelpatronen van kaliber .45 ACP en is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich in de periode vanaf 1 december 2017 tot en met 4 januari 2018 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van zowel het pistool als de munitie.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte geheel vrij te spreken, omdat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat het wapen aan verdachte toebehoorde. Zowel het wapen als de munitie is immers in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangetroffen, waar ook anderen kwamen. Voorts is er geen dactyloscopisch en/of DNA-onderzoek verricht waaruit de betrokkenheid van verdachte blijkt.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het voorhanden hebben van het wapen en de munitie het navolgende.Zoals bij de beoordeling van de feiten met parketnummer 05/880261-18 reeds is overwogen, verbleef verdachte in 2017 regelmatig in de woning van het echtpaar [slachtoffers] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte voor de kerst in 2017 een zilverkleurig wapen met een zwart handvat tegen zijn hoofd heeft gehouden. Tevens heeft [slachtoffer 1] op diezelfde dag verklaard dat verdachte rond diezelfde periode met dit wapen 8 verschillende schoten heeft gelost op straat, in de achtertuin en in de woonkamer. [slachtoffer 2] moest de hulzen opruimen, zodat zij volgens verdachte medeplichtig zou zijn. In de woonkamer is daardoor een gat in de laminaatvloer ontstaan. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij dit provisorisch heeft afgeplakt. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het wapen van verdachte ergens voor de kerst in 2017 in hun huis is terechtgekomen. Er zijn verschillende schoten mee gelost en [slachtoffer 2] moest de hulzen opruimen, zodat zij volgens verdachte medeplichtig zou zijn. [naam 1] heeft in april 2018 verklaard dat hij ongeveer een half jaar daarvoor voor het huis een keer heeft geschoten met het zwarte wapen van verdachte.De politie heeft geconstateerd dat het in de woning aangetroffen wapen zwart- en zilver-kleurig was. Eveneens heeft de rechtbank, op basis van de foto’s op pagina’s 26 en 27 van het desbetreffende procesdossier, ter terechtzitting waargenomen dat het wapen zowel zwart als zilverkleurig is.In de woning is door de politie een gaatje in de vloer aangetroffen, dat – overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer 1] – provisorisch was afgeplakt. In dat gaatje is een afgeschoten kogel aangetroffen. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft gerapporteerd dat het 100 tot 1000 maal waarschijnlijker is dat de kogel uit de vloer is afgeschoten met het in beslag genomen vuurwapen dan met een ander pistool van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.De rechtbank acht het door de verdediging geschetste scenario dat het wapen van een ander dan verdachte is, niet aannemelijk. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedetailleerd zijn en steun vinden in de andere hiervoor genoemde bewijsmiddelen. De rechtbank heeft de overtuiging dat het aangetroffen vuurwapen aan verdachte toebehoort en dat verdachte dit wapen in de periode vanaf (in elk geval) 1 december 2017 tot en met 4 januari 2018 voorhanden heeft gehad. Gelet op de omstandigheden dat verdachte, volgens de aangehaalde getuigenverklaringen, met dit wapen heeft geschoten, dat alle munitie hetzelfde kaliber had en dat de munitie deels in het pistool(magazijn) aanwezig was, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte ook de aangetroffen munitie voorhanden heeft gehad.
3

- zijn hond in huis te nemen en te verzorgen
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/880261-18
A.hij in of omstreeks de periode van 17 december 2015 tot en met 4 januari 2018 te Nijmegen anderen, te weten [slachtoffer 2] (roepnaam: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (roepnaam: [slachtoffer 1] )
(telkens) door dwang, geweld of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

en/of

(telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, anderen, te weten [slachtoffer 2] (roepnaam: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (roepnaam: [slachtoffer 1] ) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte

 terwijl hij wist dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verstandelijk beperkt en/of kwetsbaar en/of gemakkelijk te beïnvloeden waren en  terwijl hij zich in de omgang met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of hun zoon [naam 1] schreeuwend en/of (telkens) agressief en/of boos en/of intimiderend heeft opgesteld en terwijl hij die [slachtoffer 2] en haar zoon [naam 1] heeft geslagen en terwijl hij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gekleineerd door hen uit te schelden en/of te intimideren met woorden als "kutwijf" en/of en/of "jullie deugen niet" en/of "jullie sporen niet" en  terwijl hij voorwerpen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (kapot) heeft gegooid/gesmeten en terwijl hij die [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een (doorgeladen) vuurwapen, en dreigend heeft gezegd dat hij voor het zelfde geld [slachtoffer 2] dood schiet en terwijl hij de zoon van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lijfstraffen heeft gegeven door hem te slaan en/of langdurig op een stoel plaats te laten nemen en terwijl hij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geïsoleerd van hulpverleners en/of door te bepalen wie wel en wie niet welkom waren in hun huis en/of
(telkens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

 hem onderdak heeft/hebben laten bieden in hun huis, aan het [adres 3] te Nijmegen (zonder dat daar voor die [slachtoffer 1] en een vergoeding tegenover stond) en   boodschappen (weed, bier, shag en etenswaren) voor hem laten halen en/of laten betalen en zijn was laten doen en/of laten strijken en   
(telkens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] beperkt in hun beslis- en bewegingsvrijheid, door hen

 te laten toestaan dat hij hun zoon [naam 1] strafte en  te controleren, door als zij niet in hun woning waren, veelvuldig te bellen naar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]  ,
terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] personen in een kwetsbare positie waren, omdat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over beperkte geestvermogens beschikken (verstandelijk beperkt en zwakbegaafd), gemakkelijk te beïnvloeden zijn, graag goed willen doen voor hun omgeving , in welke overwichtssituatie en/of afhankelijkheidssituatie die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (telkens) geen weerstand aan verdachte hebben kunnen bieden en geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze hebben gehad dan voornoemde (financiële) uitbuiting te ondergaan en/of zich te verzetten en/of zich te onttrekken tegen/aan de hen (opgedragen) (huishoudelijke) arbeid en/of diensten;

en dat:B.hij op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 mei 2010 tot en met 31 december 2013 te Nijmegen anderen, te weten [slachtoffer 2] (roepnaam: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (roepnaam: [slachtoffer 1] ) (meermalen) door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die anderen en derden (te weten vrienden/kennissen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ), (telkens) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,
immers heeft verdachte die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in de periode van 28 mei 2010 tot en met 15 augustus 2012 gedwongen

    boodschappen (weed, bier, shag, etenswaren) te halen en zijn was te doen 
en die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in de periode van 14 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 gedwongen

    
welk geweld of welke feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of feitelijkheid hierin bestond(en) dat hij, verdachte

 misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (wetende dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verstandelijk beperkt en/of kwetsbaar en/of gemakkelijk te beïnvloeden waren) en/of  die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de veronderstelling heeft laten verkeren dat hij een (huis)vriend en/of een bonafide huurder was, en zodoende die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder zijn invloedssfeer heeft gebracht en/of     (telkens) voorwerpen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (kapot) heeft gegooid/gesmeten en/of   die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geïsoleerd van vrienden en/of bekenden door deze (al dan niet met geweld of dreiging met geweld) de deur uit te jagen en/of door te bepalen wie wel en wie niet welkom waren in hun huis  .
Ten aanzien van parketnummer 05/840018-18, dat
hij in de periode van 1 december 2017 tot en met 4 januari 2018, in de gemeente Nijmegen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk/type [naam 9] ), en munitie van categorie III, te weten 43 patronen (kaliber .45 ACP), voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
4

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/880261-18 :

Mensenhandel, terwijl degene ten aanzien van wie de feiten als bedoeld in het eerste lid van artikel 273f Wetboek van Strafrecht worden gepleegd een persoon is bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt, meermalen gepleegd.

en

Een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 05/840018-18:

(ten aanzien van de munitie)

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

(ten aanzien van het vuurwapen)Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
5

De feiten zijn strafbaar.

6

De rechtbank is van oordeel dat hierdoor de kans groot is dat verdachte, zonder adequate psychiatrische en/of psychologische behandeling, in de toekomst wederom op soortgelijke wijze slachtoffers zal maken.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op: het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 9 november 2018; een reclasseringsadvies van IrisZorg, gedateerd 15 juni 2017; een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 7 februari 2018; een reclasseringsadvies van IrisZorg, gedateerd 26 maart 2018; een reclasseringsadvies van het Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gedateerd 5 juni 2018; een reclasseringsadvies ven Reclassering Nederland, gedateerd 13 december 2018; een triple rapportage van drs. [naam 10] , GZ-psycholoog, gedateerd 6 december 2018 en van dr. [naam 11] , psychiater/psychoanalyticus, gedateerd 8 december 2018 en van [naam 12] , rapporteur milieuonderzoek (ongedateerd).
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte een zeer uitgebreide strafrechtelijke documentatie heeft en vele malen is veroordeeld, ook voor geweldsdelicten. Het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende scherpe patronen acht de rechtbank zonder meer een zeer ernstig strafbaar feit. Maar het voorhanden hebben door verdachte van het met scherpe patronen geladen pistool in combinatie met diens justitiële verleden levert een gevaarlijke combinatie op. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij – nadat hem vele mogelijkheden zijn geboden om zijn leven te beteren – zich heeft voorzien van deze gevaarlijke en verboden voorwerpen, waarmee verdachte naar het oordeel van de rechtbank niets positiefs in de zin kan hebben gehad. Kennelijk koos verdachte er bewust voor op het criminele pad te blijven voortgaan.

Met betrekking tot de gedragingen van verdachte jegens de familie [slachtoffers] overweegt de rechtbank dat de ernst van het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt zeer verschillend is per bewezen verklaarde periode. In de periode van 28 mei 2010 tot en met 15 augustus 2012 heeft verdachte als huurder op de [adres 2] te Nijmegen ingewoond bij het echtpaar [slachtoffers] . Uit de vele getuigenverklaringen komt het beeld naar voren dat verdachte gaandeweg de huurperiode heeft gemerkt dat beide echtelieden beperkte verstandelijke vermogens hebben en daardoor gemakkelijk te manipuleren waren. Hiervan heeft verdachte misbruik gemaakt door hen op verschillende manieren te beïnvloeden en hen voor zijn karretje te spannen om praktische dingen voor hem te laten doen. Niet alleen heeft verdachte hiermee op een kwalijke manier misbruik gemaakt van de zwaktes van beide slachtoffers, maar ook heeft verdachte het echtpaar [slachtoffers] het leven zo zuur gemaakt dat zij in 2012 hun eigen huis zijn ontvlucht. Dat levert het strafbare feit van artikel 284, eerste lid, Wetboek van Strafrecht op dat gewoonlijk wordt aangeduid als ‘dwang’ en dat in deze periode nog een maximale gevangenisstraf kende van 9 maanden. Nadat verdachte en het echtpaar [slachtoffers] kennelijk enige tijd geen contact meer hadden, is verdachte in elk geval vanaf oktober 2015 weer teruggekeerd in het leven en in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Uit het dossier volgt dat verdachte in die tijd [slachtoffer 2] (weer) zover heeft weten te krijgen dat zij wiet voor hem ging kopen, maar vanaf hun verhuizing naar het [adres 3] te Nijmegen heeft verdachte zijn greep op beide echtelieden en op hun dagelijks leven weten te versterken. Hij heeft zich bij hen in huis geïnstalleerd, met verschillende van zijn bezittingen, heeft hen geïntimideerd en geïsoleerd van mensen die hen hadden kunnen beschermen en aldus heeft hij hen meer en meer van hem afhankelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hierbij geraffineerd te werk ging. Hij wist immers uit zijn eerdere ervaringen met beide slachtoffers hoe kwetsbaar zij waren en hoe gemakkelijk zij te beïnvloeden waren. Verdachte wist dat de slachtoffers geen partij voor hem waren en hij wist dat zij beschikten over geld uit de verkoop van hun woning aan de [adres 2] . Daardoor wist hij ook dat hij van hen zou kunnen profiteren. In zijn gedragingen ging verdachte telkens ver genoeg om te bereiken dat de slachtoffers zouden doen wat hij wilde, maar niet zover dat hij veel sporen zou achterlaten. Tekenend voor dit gedrag vindt de rechtbank niet alleen de kleinerende en intimiderende wijze van aanspreken van beide slachtoffers, maar ook de wijze waarop verdachte zijn macht over de zoon van de slachtoffers, [naam 1] , liet gelden. Zo heeft hij [naam 1] een keer geslagen, maar kennelijk zonder zichtbaar letsel. Ook heeft verdachte [naam 1] gestraft op een wijze die is voorbehouden aan ouders, waarmee verdachte zijn superioriteit aan beide slachtoffers heeft getoond. Voorts heeft hij [naam 1] het pistool van verdachte laten hanteren, ongetwijfeld wetend dat dit bij de ouders angst zou oproepen voor hetzij de veiligheid van hun kind, hetzij de toekomst van hun kind. Door zijn pistool te richten op het hoofd van [slachtoffer 1] en daarbij de opmerking te maken dat hij [slachtoffer 2] zou kunnen raken, heeft verdachte gehandeld op een wijze die bij iedereen angst zou oproepen, maar die kwetsbare mensen als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weerloos maakte. Hierdoor heeft verdachte het leven van beide slachtoffers kunnen controleren.
Door aldus te handelen heeft verdachte kunnen parasiteren op het leven van zijn slachtoffers, waarbij hij slechts oog heeft gehad voor zijn eigen voordeel en waarbij hij volledig voorbij is gegaan aan het recht op zelfbeschikking van de slachtoffers. Het lijkt er sterk op dat verdachte daarbij steeds verder ging en dat hij zich niet geremd heeft gevoeld door spijt, mededogen of zijn geweten.

Verdachte is onderzocht door twee gedragsdeskundigen, onder wie een psychiater. Aan het onderzoek heeft verdachte goed meegewerkt. De gedragsdeskundigen hebben beiden onder meer een antisociale persoonlijkheidsstoornis geconstateerd bij verdachte, welke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ook tijdens het begaan van het feit onder parketnummer 05/880261-18 bestond. Desondanks hebben de deskundigen geadviseerd de bewezen feiten volledig toe te rekenen aan verdachte, om welke reden zij geen concreet advies voor behandeling hebben gegeven.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het - steeds grenzelozer en het leven van zijn slachtoffers in toenemende mate bepalende - gedrag van verdachte noodzakelijk maakt dat hij wordt behandeld. Immers, bij het begaan van de bewezen verklaarde feiten heeft de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis ongetwijfeld een rol gespeeld, hetgeen kan worden geconcludeerd uit de bevindingen van de psychiater die stelt (pagina 32 van diens rapport) dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door:

De rechtbank stelt vast dat het onder parketnummer 05/880261-18 als mensenhandel bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat, mede gezien de ernst van het begane feit en de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eisen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
In het bijzonder gelet op het gebruik van en dreigen met een geladen vuurwapen acht de rechtbank het onder parketnummer 05/880261-18 als mensenhandel bewezen verklaarde delict te zijn een misdrijf dat een gevaar oplevert voor of een krenking van de lichamelijke integriteit van een of meer personen.

Behalve oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, welke gevangenisstraf aanzienlijk lager zal zijn dan gevorderd door de officier van justitie omdat de rechtbank aanzienlijk minder bewezen verklaart dan de officier van justitie voor ogen stond. De rechtbank acht oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht niet aan de orde, nu een niet-gemaximeerde maatregel van TBS met dwangverpleging wordt opgelegd.
7b. Beslissing omtrent het beslag

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Dit betreft een pistool (kleur zilver, [naam 9] ) en munitie, kaliber .45 (SIN AAKT5075NL).
7c. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] [slachtoffers] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder parketnummer 05/880261-18 bewezen verklaarde feit. Gevorderd is (oorspronkelijk) voor beide benadeelde partijen een gezamenlijke vergoeding van 105.664,27 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente, welke vordering bij schrijven van 20 december 2018 is gewijzigd. Vergoeding van proceskosten wordt niet gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet kan worden toegewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd en niet meer dan een schatting betreft op basis van onduidelijke aannames. De immateriële schade kan eveneens niet worden toegewezen aangezien de verklaring met betrekking tot de psychische schade van de benadeelde partijen te algemeen en te summier van aard is, en bovendien onvoldoende is onderbouwd. Voorts dient in het geval de rechtbank een schadevergoedingsmaatregel zou opleggen, daaraan geen vervangende hechtenis te worden verbonden, nu al vaststaat dat verdachte deze schade niet zal kunnen betalen en hechtenis daardoor, in strijd met de wet, het karakter van een vrijheidsstraf zal hebben.
Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.
Ten aanzien van de vraag naar de hoogte van de geleden en te vergoeden schade constateert de rechtbank allereerst dat de gemachtigde advocaat van de benadeelde partijen, na onder-breking van het onderzoek ter terechtzitting op 17 december 2018, bij schrijven van 20 december 2018 de vordering heeft aangepast aan hetgeen is besproken ter zitting van 17 december 2018. De (gemachtigde advocaat van de) benadeelde partijen is/zijn niet ter zitting van 20 december 2018 verschenen, zodat een toelichting op de aanvulling niet is gegeven en vragen niet konden worden beantwoord. De verdediging heeft aangegeven zich niet te kunnen verweren tegen deze aanvulling.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat de wet de procedure tussen de benadeelde partij en de verdachte heeft geregeld als een eenvoudige procedure, die in het kader van het strafproces plaatsvindt en waarin ingevolge art. 334 Wetboek van Strafvordering slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering, en die aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen biedt als een gewone civielrechtelijke procedure. Hierin wordt echter in afdoende mate voorzien door artikel 361 lid 3 Wetboek van Strafvordering, welke bepaling in het licht van artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voorzover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren (Hoge Raad 15-09-2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654). Nu de aanvulling van de vordering in een zodanig laat stadium in het strafgeding is gevoegd en bovendien slechts schriftelijk is gedaan, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat hiertegen geen verweer gevoerd kan worden. De rechtbank zal dan ook de benadeelde partij ten aanzien van de aanvulling van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen zich met betrekking tot dit onderdeel van de vordering slechts wenden tot de burgerlijke rechter.

Voorts overweegt de rechtbank dat de vordering tot vergoeding van materiële schade in alle opzichten onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek naar de hoogte van de geleden materiële schade zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen derhalve hun vordering(en) slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank allereerst dat een verklaring van een “Zorgcoördinator slachtoffers mensenhandel” niet volstaat als bewijs van geestelijk letsel. Dit onderdeel van de vordering is dan ook niet voldoende onderbouwd. Bovendien overweegt de rechtbank dat het persoonlijke karakter van het recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, Burgerlijk Wetboek niet zonder meer toelaat een immateriële schadevergoeding gelijkelijk over beide benadeelde partijen te verdelen. Ook op dit punt ontbreekt een nadere toelichting. Nader onderzoek naar de hoogte van de geleden immateriële schade - per benadeelde partij - zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat de benadeelde partijen ook ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen derhalve hun vordering(en) slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank zal derhalve elk der benadeelde partijen ten aanzien van de gehele vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Tegelijkertijd overweegt de rechtbank dat niet buiten twijfel staat dat beide benadeelde partijen schade hebben geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Nu de rechtbank de bevoegdheid heeft om een maatregel tot vergoeding van schade op te leggen en daartoe de hoogte van de schade te schatten, zal de rechtbank gebruik maken van deze bevoegdheden. De rechtbank schat de schade die niet in vermogensschade bestaat, voor zover deze is ontstaan door de beperking van de bewegingsvrijheid en de beslissingsvrijheid van elk der beide benadeelde partijen, op een bedrag van 4.000 euro aan de zijde van [slachtoffer 1] en op een bedrag van 4.000 euro aan de zijde van [slachtoffer 2] . Tot deze bedragen zal de rechtbank de maatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht opleggen. Anders dan verzocht door de verdediging zal de rechtbank daarbij wel ‘vervangende’ hechtenis opleggen, nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte een totaalbedrag van 8.000 euro niet zal kunnen betalen
arabic

een gebrekkige impulscontrole, een gebrekkige emotietolerantie, een gebrekkige emotieregulatie, een gebrekkige regulatie van het gevoel van eigenwaarde met daardoor gemakkelijke krenkbaarheid en een gebrekkige frustratietolerantie;

beperkingen in de remmende functie van het geweten.

8

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 273f , 284 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

beslissing

9

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een voor de duur van
 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de u