Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:527

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 12-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:527, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 3039


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2019 [naam 1] te [woonplaats] , eiserhet college van burgemeester en wethouders Arnhem te Arnhem, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. M.J.G. Voets),

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/3039

in de zaak tussen

en

ECLI:NL:RBGEL:2019:527:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2019 [naam 1] te [woonplaats] , eiserhet college van burgemeester en wethouders Arnhem te Arnhem, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. M.J.G. Voets),
Bestuursrecht

zaaknummer: 18/3039

in de zaak tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstand van eiser met ingang van 13 september 2010 ingetrokken en per 2 mei 2016 beëindigd.

Bij besluit van 17 mei 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aan eiser verstrekte bijstand over de periode van 13 september 2010 tot en met 29 februari 2016 teruggevorderd tot een bedrag van € 65.774,31 en bepaald dat eiser dit bedrag voor 1 juli 2016 dient te betalen.

Bij besluit van 27 juli 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder het van eiser teruggevorderde bedrag verlaagd tot een bedrag van € 60.829,39.

Bij besluit van 26 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans.

overwegingen

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.
Sinds 6 oktober 2000 is eiser eigenaar van een perceel met opstal in [het buitenland] . Dit perceel heeft hij destijds samen met zijn toenmalige echtgenote [naam 2] gekocht.
1.2.
Eiser heeft op 17 september 2010 bijstand aangevraagd, welke hem per 13 september 2010 is toegekend. Op het aanvraagformulier heeft eiser bij de vraag of hij bezittingen heeft, waaronder (vakantie)woningen en ander onroerend goed, niets ingevuld.
1.3.
In juli 2015 is verweerder op verzoek geïnformeerd door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) dat eiser in het bezit zou zijn van een woning in [het buitenland] . Hierop is een onderzoek ingesteld. Omdat direct is vastgesteld dat de fraudegrens van € 50.000,- vermoedelijk werd overschreden is een opsporingsonderzoek gestart.
1.4.
Bij de primaire besluiten heeft verweerder de bijstand van eiser ingetrokken, beëindigd en teruggevorderd, omdat eiser niet heeft gemeld dat hij sinds 2000 eigenaar is van een woning met grond in [het buitenland] . Uit het rapport van de landmeter [naam 3] van 12 januari 2015, dat is uitgebracht in opdracht van het IBF, blijkt dat de marktwaarde van de woning € 123.114,- is. Eiser heeft in de periode in geding dus over meer vermogen kunnen beschikken dan het vrij te laten vermogen. Tevens heeft verweerder aan de primaire besluiten ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft gemeld dat er op de bankrekening van eiser meerdere bijschrijvingen hebben plaatsgevonden, afkomstig van zijn (ex-)vrouw en kinderen, en eiser meerdere voertuigen op zijn naam heeft (gehad).
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voor de motivering hiervan heeft verweerder verwezen naar het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie (commissie). Volgens de commissie is de bijstand van eiser terecht ingetrokken, beëindigd en teruggevorderd nu eiser, gelet op de geschatte marktwaarde van zijn woning in [het buitenland] , in de periode van 13 september 2010 tot en met 29 februari 2016 over meer vermogen heeft kunnen beschikken dan het vrij te laten vermogen.
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat door de commissie in haar advies niet is ingegaan op de gronden die door eiser in bezwaar zijn aangevoerd tegen de overige aan de primaire besluitvorming ten grondslag liggende gronden, te weten de bijschrijvingen op zijn bankrekening en de voertuigen die hij op zijn naam heeft gehad. Op de vraag van de rechtbank of verweerder deze gronden heeft laten vallen, is ter zitting namens verweerder aangegeven dat het zwaartepunt van de zaak weliswaar ligt bij de woning in [het buitenland] , maar dat verweerder de overige gronden wel heeft willen handhaven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre gebrekkig is gemotiveerd en reeds om die reden niet in stand kan blijven. In verband met een zo definitief mogelijke beslechting van het geschil, zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.
4.1.
Een besluit tot intrekking en terugvordering van het recht op bijstand is een belastend besluit. Dit brengt met zich dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan.
4.2.
Niet in geschil is dat eiser in de te beoordelen periode, die loopt van 13 september 2010 tot en met 2 mei 2016, eigenaar was van een perceel met opstal in [het buitenland] . Tevens is niet in geschil dat eiser dit niet aan verweerder heeft gemeld.
4.3.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond voor intrekking van het recht op bijstand op indien de schending tot gevolg heeft gehad dat ten onrechte bijstand is verleend of dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
5.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij feitelijk niet over vermogen beschikt of beschikt heeft. Het perceel waar eiser eigenaar van is betreft namelijk een perceel met daarop een niet als woning geregistreerde bouwval zonder bouw- en woonvergunning. Dit betekent dat het niet te gelde kan worden gemaakt en uitsluitend een theoretische waarde heeft.
5.2.
De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Reeds vanwege het feit dat in de zich onder de stukken bevindende (taxatie)rapporten, waaronder de door eiser zelf ingediende rapporten van [naam 4] van 23 juni 2016 en [naam 5] van 12 januari 2017, wel degelijk waarde is toegekend aan de onroerende zaak kan niet uitgegaan worden van onverkoopbaarheid. Bovendien blijkt uit zowel het rapport van [naam 5] als het technische rapport van landmeter [naam 3] dat de onroerende zaak voor een bedrag tussen de € 2.000,- en € 5.500,- weer verkoopbaar te maken is. Hiermee staat vast dat de onroerende zaak een bestanddeel vormde van het vermogen van eiser waarover hij daadwerkelijk beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.
6.1.
Eiser stelt voorts dat de helft van de waarde van het perceel met opstal toekomt aan [naam 2] , aangezien eiser en [naam 2] nog steeds in gemeenschap van goederen zijn gehuwd met elkaar.
6.2.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op 26 oktober 2005 is door de president van het Gerecht te [plaats] , [het buitenland] , bekrachtigd dat eiser en [naam 2] zijn gescheiden van tafel en bed. Aan deze scheiding zijn voorwaarden verbonden. Eén van deze voorwaarden was de erkenning door [naam 2] dat het betreffende perceel met opstal tot het exclusieve eigendom behoort van eiser en eiser volledig bevoegd is om over het huis te beschikken. Hierbij heeft [naam 2] tevens afstand gedaan van elk recht of aanspraak op het perceel met opstal. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser de gehele eigendom toekomt van de woning en de grond.
7.1.
Eiser stelt ten slotte dat de waarde van de onroerende zaak aanzienlijk lager is dan € 123.114,-. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar het taxatierapport van landmeter [naam 4] van 23 juni 2016.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn stelling dat verweerder ten onrechte van de bij taxatie van landmeter [naam 3] geschatte waarde is uitgegaan met een verwijzing naar de taxatie van Damiano, voldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.
7.3.
Het rapport van [naam 4] biedt voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat dit rapport anders dan het rapport van [naam 3] , de juiste weergave geeft van de waarde van de woning. [naam 4] is landmeter, ingeschreven in het register van landmeters van de provincie [plaats] , [het buitenland] . [naam 4] heeft de woning zowel van buiten als van binnen bezichtigd. Dit in tegenstelling tot [naam 3] die de woning enkel op afstand en van buiten heeft bekeken. In het rapport van [naam 4] is de methode van onderzoek en waardevaststelling beschreven, is een beschrijving van de woning en de omgeving opgenomen en zijn de kadastrale gegevens vermeld. Foto’s van de woning zijn aan het rapport gehecht. Volgens [naam 4] verkeert de constructie in zeer slechte staat. Een deel van het oorspronkelijke gebouw, waar de stallen waren, is bijna volledig ingestort. In het residentiële deel van het gebouw zitten grote barsten in de muren waardoor de muren gestut moeten worden. De buitenkozijnen zijn van hout met enkel glas en daarvoor hangen zeer versleten luiken. Het verwarmingssysteem bestaat uit traditionele radiatoren en blootgestelde pijpen. Het systeem wordt aangedreven door een thermo-open haard in de woonkamer. De elektrische en sanitaire voorzieningen functioneren, maar zijn niet in overeenstemming met de geldende voorschriften. [naam 4] heeft aangegeven dat bij het opstellen van het rapport rekening is gehouden met de waarde van soortgelijke objecten in omliggende gemeenten, gezien de afwezigheid van soortgelijke objecten in de gemeente. Tevens is rekening gehouden met onderhandelingskosten en de zeer slechte ligging en bereikbaarheid van het perceel.
7.4.
Gelet op het voorgaande onder 7.2 en 7.3 dient het vermogen van eiser te worden vastgesteld op € 40.000,-. Hierbij merkt de rechtbank op dat zij zich ervan bewust is dat het rapport van [naam 4] dateert van 23 juni 2016, dus na de periode hier in geding, zijnde de periode van 13 september 2010 tot en met 2 mei 2016. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat met het rapport van Damiano voldoende bewijs wordt geleverd dat de waarde gedurende de gehele periode in geding niet meer dan € 40.000,- heeft bedragen. De rechtbank overweegt in dit kader dat zij, gelet op de vervallen staat van de woning, geen reden heeft om te veronderstellen dat de door [naam 4] vastgestelde slechte staat waarin de woning verkeert een momentopname is. Een woning raakt immers niet van de een op de andere dag zodanig in verval. Aannemelijk is daarom dat de woning ook al in september 2010 en gedurende de gehele periode in geding in zeer slechte staat verkeerde en de marktwaarde toentertijd niet veel anders zal zijn geweest.
8. In de situatie van eiser is er sprake van een terugvordering van € 60.829,39, terwijl zijn vermogen is vastgesteld op € 40.000,-. Hiervan uitgaande kan worden aangenomen dat eiser bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting op 13 september 2010 over een bepaalde periode geen recht op bijstand zou hebben gehad, aangezien hij geacht wordt (redelijkerwijs) over het onroerend goed te kunnen beschikken en deze te gelde te kunnen maken. Vervolgens zou hem mogelijk gedurende een resterend deel van de periode wel bijstand zijn verleend.
9. Gezien het bovenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, waarin door middel van een theoretische berekening de periode dient te worden vastgesteld waarover eiser geen recht op bijstand zou hebben gehad. Bij de berekening moet worden uitgegaan van de op 13 september 2010 voor hem geldende vermogensgrens, de op die datum toepasselijke bijstandsnorm en het eveneens voor die datum vastgestelde vermogen van € 40.000,-. In dit nieuw te nemen besluit dient verweerder tevens alsnog in te gaan op de door eiser in bezwaar aangevoerde gronden gericht tegen de aan de primaire besluiten ten grondslag liggende bijschrijvingen op de bankrekening van eiser en de voertuigen die eiser op zijn naam heeft (gehad). Indien verweerder zich op het standpunt stelt dat deze gronden niet slagen, dan dient verweerder tevens aan te geven of, en zo ja, over welke maanden, deze inkomsten van eiser van invloed zijn op (de hoogte van) de aan eiser verstrekte bijstand en dit mee te nemen in de berekening.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 46,- aan hem vergoedt;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.024,-.
De rechtbank:

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr.dr.drs. E.L. de Jongh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 februari 2019
griffier
oudste rechter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
_37197d5a-f643-4cfe-96f6-d340f654c901
1

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4322.

_ad47dba4-a89e-47f0-a7c7-98d5ba8e9b28
2

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2843.

_9a75c809-66f6-4d56-95b5-5b49c9e4275b
3

Zie ook de uitspraak van de CRvB van 10 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2010:BV1024.

_59641eab-614d-466c-a00a-088dc2b934f3
4

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1688.