Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:464

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 06-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:464, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 05/840824-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBGEL:2019:464:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840824-18Datum uitspraak : 6 februari 2019
Tegenspraak

verkort vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,thans gedetineerd in het PPC te Vught,
raadsman: mr. E. Yilmaz, advocaat te Lent.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2019.

Aan verdachte is -kort gezegd- ten laste gelegd dat:

1. De inhoud van de tenlastelegging
_9d03fd01-61ed-4039-8348-d7336c7ace3d

1. hij op 12 oktober 2018 in Nijmegen [slachtoffer 1] (brigadier van de politie) heeft bedreigd door een mes naar hem toe te houden en in zijn richting te gooien en daarbij te zeggen: “ik steek je neer”;2. hij op 10 oktober 2018 in Nijmegen bij supermarkt [naam 1] een blikje drinken heeft gestolen;3. hij op 3 oktober 2018 in Nijmegen bij supermarkt [naam 2] bier heeft gestolen;4. hij op 18 augustus 2018 in Nijmegen [slachtoffer 2] heeft bedreigd door tegen hem te zeggen: “ik maak je kapot”, “ik steek je dood” en “ik trek de kop van [slachtoffer 2] eraf”; 5. hij op 5 september 2018 in Nijmegen [slachtoffer 3] heeft bedreigd door, terwijl hij een honkbalknuppel vasthield, te zeggen: “ik maak je dood”, “ik sla je dood” en “ik maak je kapot”; 6. hij op 12 oktober 2018 in Nijmegen [slachtoffer 1] (brigadier van de politie), terwijl deze [slachtoffer 1] aan het werk was, heeft beledigd door te zeggen: “kanker mongool” en “ik heb je dochter net geneukt, ik neuk je dochter”.
2

De zaak is op 23 januari 2019 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E. Yilmaz, advocaat te Lent.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 tot en met 6 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.

3

5.
6.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 12 oktober 2018 te Nijmegen [slachtoffer 1] (brigadier) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door een mes te houden naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en (voorafgaand/daarbij/daarna) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik steek je neer";

2.

hij op 10 oktober 2018 te Nijmegen in een winkel aan de [adres 2] ) een blikje drinken, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan supermarkt [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; (parketnummer: 05-200633-18)
3.

hij op 3 oktober 2018 te Nijmegen, bier, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan de [naam 2] (gevestigd aan de [adres 3] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; (parketnummer: 05-196047-18)
4.

hij op 18 augustus 2018 te Nijmegen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je kapot en ik steek je dood en ik trek de kop van [slachtoffer 2] eraf"; (parketnummer: 05-191891-18)

hij op 5 september 2018 te Nijmegen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door, terwijl verdachte een (honkbal)knuppel vasthield, die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood" en "ik sla je dood" en "ik maak je kapot"; (parketnummer: 05-176691-18)

hij op 12 oktober 2018 te Nijmegen opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (brigadier), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Kanker mongool" en "Ik heb je dochter net geneukt, ik neuk je dochter".
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 2 en feit 3, telkens:

diefstal

Ten aanzien van feit 4 en feit 5, telkens:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 6:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

5

De feiten zijn strafbaar.

6

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht ten aanzien van alle aan hem tenlastegelegde feiten en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch onderzoek, gedateerd 2 januari 2019, opgemaakt door dr. [naam 3] , psychiater. Dit rapport houdt onder meer het volgende in: “
De rechtbank heeft ook kennis genomen van een psychologisch onderzoek, gedateerd 2 januari 2019, opgemaakt door drs. [naam 4] , psycholoog. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:
“Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type, met daarnaast antisociale persoonlijkheidstrekken. (…) Ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, mits bewezen, was er bij betrokkene sprake van (…) paranoïde schizofrenie, met daarnaast antisociale persoonlijkheidstrekken. (…) Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde kan rapporteur melden dat betrokkene zich tijdens een contact met een politieagent ineens onheus bejegend voelde, waarna er acuut een verergering van de paranoïd-psychotische symptomatologie optrad. Betrokkende meende zich te moeten verdedigen, riep daarbij de hulp in van anderen en pakte impulsief een mes dat hij ergens zag liggen. Rapporteur adviseert om dit ten laste gelegde feit, indien bewezen, niet toe te rekenen. Over de andere ten laste gelegde feiten kan rapporteur geen advies geven met betrekking tot de mate waarin dit naar de mening van rapporteur toegerekend kan worden. Betrokkene ontkent het onder 5 ten laste gelegde en met betrekking tot de andere drie ten laste gelegde feiten beschikt rapporteur over onvoldoende gegevens; met name ontbreken de gerechtelijk stukken van deze ten laste gelegde feiten. (…)”

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de deskundigen en maakt die tot de hare. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde onder feit 1, 5 en ook feit 6, gelet op de samenhang met feit 1, niet aan verdachte kan worden toegerekend. Ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten overweegt de rechtbank het volgende. Deze feiten zijn in dezelfde periode zijn gepleegd als de feiten 1, 5 en 6. In die periode was volgens de deskundigen de schizofrenie aanwezig en was verdachte ernstig psychotisch en ontremd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Verdachte is gelet op het bovenstaande niet strafbaar en dient ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

overwegingen

7

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 28 november 2018;- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 10 januari 2019;- een multidisciplinair rapport van dr. [naam 3] , psychiater, gedateerd 2 januari 2019 en van drs. [naam 4] , psycholoog, gedateerd 2 januari 2019.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst, zoals bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is het eens met het standpunt van de officier van justitie en heeft verzocht de plaatsing te gelasten binnen twee weken na vonnisdatum in een instelling gevestigd in Nijmegen of Arnhem.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
Verdachte heeft onder invloed van een stoornis een zestal strafbare feiten gepleegd. Feiten 1, 4, 5 en 6 in het bijzonder hebben impact gehad op de slachtoffers. Aan verdachte worden de feiten niet toegerekend omdat hij onder invloed van een stoornis verkeerde. Om die reden kan aan verdachte geen straf worden opgelegd. De rechtbank kan wel bepalen dat een maatregel zal worden toegepast.

Uit bovenvermelde Pro Justitia rapportages volgt dat het recidiverisico als (zeer) hoog moet worden ingeschat. Hieraan liggen voornamelijk de psychotische overschrijdingen ten grondslag die het gevolg zijn van de schizofrene stoornis van verdachte. Op het moment dat verdachte zich belaagd of aangevallen voelt, verhoogt dat de recidivekans en de antisociale persoonlijkheidstrekken vergemakkelijken het voor verdachte om in een dergelijk geval agressief te reageren. Om het recidiverisico te verlagen is het van belang dat verdachte psychiatrisch wordt behandeld op een plek waar zijn antisociale en overlast gevende gedrag kan worden gehanteerd, zoals een forensisch psychiatrische afdeling van een GGZ-instelling. Beide deskundigen adviseren om die reden een maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen.

De rechtbank is op basis van de Pro Justitia rapportage tot de conclusie gekomen dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis eist. De rechtbank zal daarom gelasten dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één jaar. De rechtbank merkt daarbij op dat zij enkel de plaatsing kan gelasten, maar daarbij geen termijn en locatie kan bepalen, zoals door de raadsman is verzocht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 304,75, bestaande uit € 300,- aan immateriële schade en € 4,75 aan reiskosten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel de vordering af te wijzen, nu verdachte het bewezenverklaarde feit onder invloed van een ziekelijke stoornis heeft gepleegd en dat feit aan hem niet kan worden toegerekend.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat een benadeelde partij ingevolge artikel 361 lid 2 onder a van het Wetboek van Strafvordering ontvankelijk is in de vordering indien aan verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd. Van dit laatste geval is in deze zaak sprake. Een niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij zoals door de verdediging is bepleit, gaat dus niet op.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De kosten worden gevorderd ter zake van een bedreiging. Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek houdt in, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam zijn door de benadeelde partij niet gesteld. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, is het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft gesteld dat zij als gevolg van de bedreiging kampt met gevoelens van angst, agressie en onveiligheid. Deze stelling heeft benadeelde onderbouwd met een brief van de huisarts. Uit deze brief volgt echter niet rechtstreeks dat benadeelde als gevolg van de bedreiging in behandeling is bij de praktijkondersteuner. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering zover het de immateriële schade betreft. Zij kan de vordering slechts nog aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Ten aanzien van de gevorderde reiskosten is de rechtbank van oordeel dat, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bedreiging € 4,75 aan schade in de vorm van reiskosten heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor deze kostenpost dus voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 5 september 2018.

8

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37, 63, 266, 267, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

9

 het bevel tot ;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 5 tot betaling van aan de , van een bedrag van (vier euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
 verklaart de in haar vordering;
 legt aan veroordeelde de op , ten behoeve van de benadeelde partij , een bedrag (vier euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. S. Boot (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Diebels, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2019.
De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor ;

 ;

 gelast dat verdachte wordt voor de duur van

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

mr. S. Boot is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen
_9d03fd01-61ed-4039-8348-d7336c7ace3d
1

De gehele tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.