Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:4513

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:4513, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 05/720456-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBGEL:2019:4513:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720456-18Datum uitspraak : 9 oktober 2019
Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ,thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.
Raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 april 2019, 3 juli 2019 en 25 september 2019.

Verdachte wordt, kort samengevat, verweten dat hij

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.Op 27 december 2018 in de Pauwstraat in Arnhem omstreeks 04.25 uur loopt [slachtoffer 1] door een vechtpartij met een man met een donkere huidskleur een grote open wond in haar kuit op. Ter plaatse wordt een stanleymes aangetroffen. Tijdens deze worsteling werd [slachtoffer 2] door dezelfde man tegen zijn hoofd geslagen. Daarna had hij een zwelling op zijn hoofd. De man pakte [slachtoffer 3] hard bij haar keel vast. Dat deed haar veel pijn. Verdachte was hier ten tijde van de vechtpartij ook aanwezig.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (feit 1, primair). Daartoe is aangevoerd dat uit de letselbeschrijving volgt dat het letsel potentieel dodelijk is, indien de snijverwonding nog dieper was geweest. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop van [slachtoffer 1] aanvaard. Immers zwaaide hij met een stanleymes in zijn hand in het rond, terwijl [slachtoffer 1] op een korte afstand bij hem stond.Het kan eveneens wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] (feit 2) en [slachtoffer 3] (feit 3) heeft mishandeld. Niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1, primair). Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Bovendien was er op geen enkel moment de aanmerkelijke kans aanwezig dat zij aan haar opgelopen letsel zou komen te overlijden. Verdachte moet eveneens worden vrijgesproken voor de zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1, subsidiair). Daartoe is aangevoerd dat het letsel van [slachtoffer 1] niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, nu blijvend letsel niet aannemelijk is.Ten aanzien van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1) en de mishandelingen van [slachtoffer 2] (feit 2) en [slachtoffer 3] (feit 3) refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets te maken heeft met de aan hem tenlastegelegde feiten.
Beoordeling door de rechtbank

Betrokkenheid verdachte

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld wie de man was waarmee [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in gevecht zijn gekomen. Zij overweegt hierover het volgende.
Verbalisanten komen om 04.25 uur ter plaatse in de Pauwstraat in Arnhem waar op dat moment een vechtpartij aan de gang was tussen 4 personen. Zij zagen dat een negroïde manspersoon op de grond lag. Zij zagen dat er drie dames op de manspersoon aan het inslaan en duwen waren. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 1] tijdens de vechtpartij probeerden met hun handen het bovenlichaam van de man, en zijn hoofd, naar beneden te duwen. Verbalisanten zagen dat de negroïde manspersoon opstond en om zich heen begon te zwaaien en of slaan. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat de negroïde manspersoon een mes in zijn handen hield. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben vervolgens de man aangehouden. Nadat zij dit hadden gedaan, zagen zij dat er een vrouw op de grond lag. Zij zagen dat zij naar haar been greep en dat er bloed op de straat lag. De aangehouden man bleek te zijn [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte de man is die heeft gevochten met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De rechtbank acht op grond hiervan dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die, zoals reeds vastgesteld, [slachtoffer 2] op zijn hoofd heeft gestompt en geslagen (feit 2) en [slachtoffer 3] bij haar keel heeft gegrepen (feit 3). Niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] ook heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen, zodat de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreekt.

De kuitverwonding van [slachtoffer 1] (feit 1)

Zoals vastgesteld heeft [slachtoffer 1] een grote open wond in haar kuit opgelopen tijdens de vechtpartij met verdachte. Zij heeft hierover verklaard dat zij op het moment dat zij met [slachtoffer 3] de man naar beneden duwde dacht dat hij haar op dat moment heel hard sloeg op haar onderbeen. Zij viel op de grond en zag dat haar broek onder het bloed zat en dat deze ook open gescheurd was. Verdachte hield op dat moment een mes in zijn handen. Uit de letselverklaring blijkt dat sprake is van een snijverwonding in de rechterkuit van 10 centimeter lang. De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] in haar kuit heeft gestoken en/of gesneden.
Poging tot doodslag (feit 1 primair)

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het steken en/of snijden in de kuit van [slachtoffer 1] met een (stanley)mes, waardoor zij voormeld letsel heeft opgelopen, is te kwalificeren als een poging tot doodslag.
Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van dodelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet hierop is allereerst vereist dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] als gevolg van het handelen van verdachte zou komen te overlijden.

Uit de letselverklaring blijkt dat indien er letsel was ontstaan aan een bloedvat lopend aan de achterzijde van het rechter onderbeen, dan had dit tot gevolg kunnen hebben dat er een ernstig en levensbedreigend bloedverlies was opgetreden. Wanneer het betreffende bloedvat een slagader was geweest had dit beloop van optredend levensbedreigend bloedverlies circa 30 minuten kunnen zijn. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat geen aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanwezig was. Het steek incident vond immers plaats in het uitgangsgebied van Arnhem op een moment dat medische hulp snel ter plaatse kon zijn.

Ter overvloede overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte niet gericht in een deel van het lichaam van heeft gestoken en/of gesneden waar potentieel levensgevaarlijk letsel kan ontstaan. Hij heeft immers gezwaaid en geslagen met zijn armen terwijl hij een mes in zijn handen had. Hieruit concludeert de rechtbank dat niet kan worden bewezen verdachte willens en wetens een aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het zodanig verwonden van die [slachtoffer 1] dat dit tot haar dood zou leiden.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Zware mishandeling (feit 1 subsidiair)

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of het letsel van [slachtoffer 1] , veroorzaakt door verdachte, kan worden gekwalificeerd als “zwaar lichamelijk letsel” en overweegt daartoe het volgende. Voor het behandelen van het letsel was operatief ingrijpen noodzakelijk. Het letsel is vervolgens gehecht met 14 hechtingen. Er zal dan ook een blijvend litteken van 10 cm op het onderbeen van [slachtoffer 1] zichtbaar blijven. Voor de pijn heeft [slachtoffer 1] langdurig, tot vier maanden na de vechtpartij, medicatie ingenomen. Zij heeft tot slot langer dan zes weken haar dagelijkse bezigheden niet kunnen uitoefenen, omdat zij haar been niet kon belasten.
Gelet op het voorgaande, waarbij de rechtbank nadrukkelijk in overweging neemt dat door het handelen van verdachte een blijvend litteken op het onderbeen van [slachtoffer 1] zichtbaar zal blijven, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte heeft tijdens een vechtpartij terwijl hij op de grond lag en er meerdere mensen in zijn directe omgeving stonden, met een scherp mes op zich heen gezwaaid en/of geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het toebrengen van steek en/of snijwonden met een scherp stanleymes zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. Door onder deze omstandigheden met een mes op zich heen te zwaaiden en/of te slaan heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk zou toebrengen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer 1] .

1. De inhoud van de tenlastelegging
_a7e6ed33-a84f-41a8-96c1-c5d155e8fb32

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
_1f850990-bf60-4f40-992e-9ba45a41cbaa

arabic

op 27 december 2018 in Arnhem gepoogd heeft [slachtoffer 1] te doden door haar met een (stanley)mes in haar kuit te steken/stoten/snijden tijdens een worsteling met haar (primair), dan wel dat hij haar daardoor zwaar lichamelijk letsel, een grote open wond in de kuit, heeft toegebracht (subsidiair). Indien dit niet kan worden bewezen wordt verdachte verweten dat hij geprobeerd heeft aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meer subsidiair);

op 27 december 2018 in Arnhem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem in zijn gezicht te stompen en/of te slaan;

op 27 december 2018 in Arnhem [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar met kracht bij haar keel te pakken en/of grijpen en/of haar met kracht te duwen, waardoor zij viel.

3

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feiten 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiairhij op 27 december 2018, in Arnhem, , aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote open wond in de kuit, , heeft toegebracht door plotseling en ongericht enongecontroleerd) met een (stanley)mes, in de kuit, te steken/te snijden
stekende en/of zwaaiende bewegingen met dat mes in de richting van het lichaam van die Pleij te maken

2.

hij op 27 december 2018, te Arnhem, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die Pleij in het gezicht te stompen en te slaan;

3.

hij op 27 december 2018, te Arnhem, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door met kracht bij de keel heeft gepakt en/of gegrepen .

4

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 (subsidiair):

Zware mishandeling

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

Mishandeling

5

Noodweer

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan en verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich bedreigd voelde doordat hij uit het niets werd aangevallen door een persoon uit de andere groep. Hij kon zich niet aan deze situatie onttrekken en mocht zichzelf verdedigen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij na de vraag of de persoon een fijne kerstavond heeft gehad, ineens twee vuisten in zijn gezicht kreeg van die persoon. Vervolgens kwam er ook nog een andere persoon op hem afgerend om hem aan te vallen.
De rechtbank overweegt dat het door de verdediging aangevoerde scenario geen enkele steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Zij is dan ook van oordeel dat op grond van het onderliggende dossier niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, eerbaarheid of goed of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Er was derhalve geen sprake van een noodweersituatie. De rechtbank verwerpt gelet daarop het beroep op noodweer. Nu er geen sprake was van een noodweersituatie wordt het beroep op noodweerexces ook afgewezen.

De feiten zijn strafbaar.

6

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

overwegingen

7

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 23 mei 2019;- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 6 februari 2019 met aanvulling van 9 juli 2019;- een Pro Justitia rapportage na observatie in het Pieter Baan Centrum van drs. G.M. Jansen, psycholoog en dr. M. van Berkel, psychiater, gedateerd 5 juli 2019.
totaal: € 934,22.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte, gelet op de ernst van de feiten en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, ter zake van het onder feit 1 primair en feiten 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 287 dagen met aftrek en een maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS-maatregel met dwangverpleging).
Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Subsidiair stelt de verdediging dat de eis van de officier van justitie moet worden gevolgd.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Zij heeft hierdoor een groot en ontsierend litteken op haar been. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat zij door het litteken nog dagelijks wordt herinnerd aan het handelen van verdachte. Door wat haar is overkomen is zij ook haar algemene gevoel van veiligheid kwijtgeraakt. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] mishandeld. De feiten vonden plaats in een openbaar uitgaansgebied. Feiten als de onderhavige veroorzaken onrust en versterken de in de samenleving aanwezige gevoelens van onveiligheid en onbehagen. . De rechtbank neemt verdachte zijn handelen zeer kwalijk.

Verder weegt de rechtbank mee dat verdachte in het verleden vaker voor geweldsdelicten – waaronder mishandeling, wederspannigheid en bedreiging – is veroordeeld. In 2012 is aan verdachte voor onder meer een mishandeling een PIJ-maatregel voor de duur van twee jaren opgelegd, welke maatregel zes keer is verlengd tot 15 november 2018.

Door de rapporteurs is beschreven dat verdachte uit het onderzoek naar voren komt als een beperkte, wantrouwende man die zich snel miskend voelt en over weinig coping vaardigheden beschikt. Er is sprake van complexe problematiek, waarbij een beperkte intelligentie, ernstige persoonlijkheidsproblematiek en middelengebruik ongunstig op elkaar inwerken en elkaar versterken. Op de voorgrond staat een zogenaamde lichte verstandelijke beperking, die echter wel een bepalende invloed op zijn gewoonlijke functioneren heeft. Verdachte heeft moeite om de wereld om zich heen te begrijpen, zijn gedrag te organiseren, de gevolgen van zijn gedrag te overzien en hij heeft veel externe structuur nodig. Bij verdachte is eveneens sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis die zich heeft ontwikkeld vanuit een reactieve hechtingsstoornis op de kinderleeftijd. Vanuit deze hechtingsproblematiek staat de achterdocht centraal bij verdachte. Er is sprake van een basaal wantrouwen waardoor verdachte anderen niet vertrouwt en hij zich snel benadeeld voelt door anderen. Verdachte is erg op zichzelf gericht en hij heeft weinig oog voor de gevoelens van een ander in sociale interacties. Er is nauwelijks sprake van empathische vermogens. Verder is de impulscontrole van verdachte gebrekkig te noemen, waardoor hij, als hij zich benadeeld voelt, makkelijk overgaat tot agressie. Concluderend is er sprake van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en een stoornis in het gebruik van middelen.

Voormelde stoornissen waren aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Bovendien was verdachte onder invloed van alcohol en cannabis. De verstandelijke beperking van betrokkene, die bijna niet los gezien kan worden van de persoonlijkheidsstoornis, speelde zeker ook een rol omdat betrokkene ook hierdoor minder goed in staat moet worden geacht om signalen binnen de sociale interactie goed te begrijpen en hiernaar te handelen en de gevolgen van zijn handelen te overzien. Alles bij elkaar genomen wordt geconcludeerd dat er sprake was van een aanzienlijke doorwerking van de stoornis(sen) van betrokkene op de ten laste gelegde feiten en wordt geadviseerd om hem de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt hem tot de hare.

Verdachte toont nauwelijks inzicht in zijn ziekten, er is sprake van symptomen van een ernstige psychische stoornis en er is sprake van instabiliteit. Verdachte is niet gemotiveerd voor een behandeling. Er is sprake van geen enkele beschermende factor wanneer verdachte vrij zou komen. Ook binnen de eerder aan hem opgelegde PIJ-maatregel was in de instelling sprake van terugkerend agressief gedrag, ondanks een klinische behandeling. Ook tijdens de afgelopen observatie kwam naar voren dat verdachte in dagelijkse sociale situaties vanwege zijn beperkte begrip en achterdocht makkelijk in conflict komt met zijn omgeving waarop hij snel met (verbale) agressie reageert. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een hoog risico op recidive van geweldsdelicten met (ernstig) lichamelijk letsel wanneer betrokkene onbehandeld blijft. Gebleken is zelfs dat recidive zich ondanks een behandelkader kan voordoen. Wanneer betrokkene zonder behandeling vrij zou komen, wordt ingeschat dat het risico op recidive al op de zeer korte termijn hoog is.

Verdachte zal een langdurige klinische behandeling nodig hebben binnen een hoog gestructureerde en beveiligde omgeving waarbij hij de tijd moet krijgen om een goede behandelrelatie op te bouwen met zijn omgeving. Verdachte heeft geen ziektebesef en is niet gemotiveerd voor een behandeling, wat maakt dat een behandeling in een voorwaardelijk kader niet mogelijk wordt geacht. Gezien de aard en ernst van de bovenbeschreven pathologie en het daarmee samenhangende hoge recidiverisico wordt geadviseerd om aan verdachte een TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

De rechtbank vindt dat het gaat om dusdanig ernstige feiten dat – ondanks de problematiek van verdachte – uit oogpunt van vergelding een gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank acht het daarnaast, met name met het oog op de beveiliging van de maatschappij, ook van belang dat verdachte zo snel mogelijk behandeld wordt voor zijn problematiek.

Aan de vereisten voor oplegging van de TBS-maatregel wordt voldaan. Het gaat immers om misdrijven waarvoor aldus artikel 37a Wetboek van Strafrecht oplegging van een TBS-maatregel mogelijk is, er is tijdens de feiten sprake geweest van een stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling en tot slot eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van deze nieuwe TBS-maatregel met dwangverpleging. De duur van deze maatregel zal gelet op de feiten (nu deze waren gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam) onbeperkt kunnen worden verlengd.

Alles overziend zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 287 dagen, en een TBS-maatregel met dwangverpleging opleggen. Dit betekent dat verdachte direct na het uitzitten van de voorwaardelijke veroordelingen met een behandeling voor zijn problematiek kan beginnen. Dit past bij de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, de ernst van de feiten en het biedt de samenleving voldoende bescherming tegen het gevaar dat verdachte voor haar vormt. De rechtbank zal de ten uitvoerlegging van de twee voorwaardelijke veroordelingen bevelen, om verdachte (nogmaals) duidelijk te maken dat crimineel gedrag gevolgen voor hem heeft.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.289,10 te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, nu deze goed is onderbouwd en redelijk voorkomt.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost ‘inkomstenderving’ enigszins moet worden gematigd. Daartoe is aangevoerd dat benadeelde een nul-urencontract had en geen rekening is gehouden met vakantiedagen die zouden moeten worden opgenomen bij een geplande skivakantie in februari. Voor het overige kan de vordering voor wat betreft de materiële schade volledig worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de verdediging dat deze moet worden gematigd, gelet op de letsellijst schadefonds en het uiteindelijke fysieke letsel van benadeelde is een bedrag van € 1.000,- passend als immateriële schadevergoeding.
Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

Nu de volgende materiële schadeposten door de verdediging niet inhoudelijk zijn betwist en deze naar het oordeel van de rechtbank voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen, is zij van oordeel dat de vordering voor wat betreft onderstaande bedragen kan worden toegewezen:
Met betrekking tot de schadepost inkomstenderving, € 1.604,88, is de rechtbank van oordeel dat ook deze volledig kan worden toegewezen. Zij overweegt daartoe dat deze schadepost voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt. De rechtbank zal hierbij, anders dan de verdediging, geen rekening houden met een geplande skivakantie in februari waardoor benadeelde mogelijk minder had kunnen werken. De gevorderde schade is immers een schatting gebaseerd op het inkomen in eerdere maanden waarin ook vrije dagen vallen.

Immateriële schade

Benadeelde heeft als gevolg van het feit zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een diepe vleeswond van ruim 10 centimeter in haar kuit. Benadeelde ondervindt hier tot op de dag van vandaag – bijna een jaar na het feit – nog steeds hinder van. Voorts heeft zij een blijvend litteken op haar kuit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan benadeelde een vergoeding voor de geleden immateriële schade moet worden toegewezen. De rechtbank zal hierbij gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en ziet geen reden om de gevorderde immateriële schade te matigen. De rechtbank zal dan ook het volledige gevorderde bedrag aan immateriële schade toewijzen, te weten € 1.750,-.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot een bedrag van € 4.289,10 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is tot dit bedrag toewijsbaar.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

7a. De beoordeling van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de rechtbank te Gelderland van 8 december 2017 (parketnummer 05/840386-17) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen ten uitvoer gelegd te worden.

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van politierechter te Rotterdam van 11 april 2018 (parketnummer 10/712083-17) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen ten uitvoer gelegd te worden.

-

reiskosten ter hoogte van € 102,46;

medische kosten ter hoogte van € 738,39;

resterende materiële kosten ter hoogte van € 93,37;

8

De beslissing is gegrond op de artikelen , 36f, 37a, 37b, 56, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

9

 van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Gelderland te Zutphen van 8 december 2017 uitspraak voorwaardelijke straf, te weten van: .
 van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 11 april 2018 uitspraak voorwaardelijke straf, te weten van: .

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van ;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling (05/840386-17)

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling (10/712083-17)

BIJLAGE I

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primairhij op of omstreeks 27 december 2018, in Arnhem, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, hebbende hij verdachte, (plotseling en/of ongericht en/of ongecontroleerd) met een (stanley)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de kuit, althans in het (onder)been gestoken/gestoten/gesneden en/of tijdens een worsteling met die [slachtoffer 1] een of meer stekende en/of zwaaiende bewegingen met dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
Subsidiairhij op of omstreeks 27 december 2018, in Arnhem, in ieder geval in Nederland, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een grote open wond in de kuit, althans het onderbeen, heeft toegebracht door (plotseling en/of ongericht en/of ongecontroleerd) met een (stanley)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de kuit, althans in het (onder)been te steken/ te snijden en/of tijdens een worsteling met die [slachtoffer 1] een of meer stekende en/of zwaaiende bewegingen met dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] te maken;
Meer Subsidiairhij op of omstreeks 27 december 2018, in Arnhem, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hebbende hij verdachte, (plotseling en/of ongericht en/of ongecontroleerd) met een (stanley)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de kuit, althans in het (onder)been gestoken/gesneden en/of tijdens een worsteling met die [slachtoffer 1] een of meer stekende en/of zwaaiende bewegingen met dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
2.

hij op of omstreeks 27 december 2018, te Arnhem, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die Pleij in het gezicht te stompen en/of te slaan;

3.

hij op of omstreeks 27 december 2018, te Arnhem, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door met kracht bij de keel heeft gepakt en/of gegrepen en/of die Wensink met kracht heeft geduwd, waardoor die Wensink kwam te vallen.

-

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

gelast dat verdachte wordt en beveelt dat de ter beschikking gestelde .

-

veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot betaling van aan de , van een bedrag van (vierduizendtweehonderdnegenentachtig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

legt aan veroordeelde de op , ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag (vierduizendtweehonderdnegenentachtig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. F.E. Venema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 oktober 2019.

colA
colC

colA
colC


_a7e6ed33-a84f-41a8-96c1-c5d155e8fb32
1

De volledige inhoud van de tenlastelegging is te vinden in Bijlage I.

_1f850990-bf60-4f40-992e-9ba45a41cbaa
2

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost Nederland, districtsrecherche Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2018580687, gesloten op 13 februari 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

_0dd413c7-5d8c-484e-bb4f-ade721519e65
3

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 28 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 12.

_1bc5eb7c-128f-4c08-956e-49246d318739
4

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 14.

_dc80dbee-be41-4a09-b006-b7a809c734fc
5

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 58.

_2981c7b5-5f08-4c51-a6bb-ac37de535b91
6

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 52.

_fb550e2d-1b06-41e0-b6b1-51540e7e6499
7

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 58.

_62aacfd6-e86b-4a14-b422-5b4abb57517c
8

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 111.

_8f7821b5-1946-4ef5-9919-115720a6b208
9

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 12.

_ed88daa1-d54b-4f3b-9dc1-bab5af190a60
10

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 58.

_a8259de3-6833-4139-90db-e2db7635bcf8
11

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 12.

_f0da700c-330f-4ddd-be1e-87549ff9d16a
12

Het proces-verbaal van aanhouding, p. 80 en 81.

_f730197b-006f-4d78-90f0-24bff17dd1ef
13

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 28.

_b6e5dcdb-d9b8-4311-a0b3-d725ead386ba
14

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 12.

_bac3561b-eaf0-49de-ac61-525a8ff9ad8c
15

De letselverklaring, p. 38.

_949bdc34-91a3-47a1-88a3-8fd061e2fbf4
16

De letselverklaring, p. 40 en 41.

_925b35f5-0542-4d56-98ac-fcebab139d59
17

De letselverklaring, p. 40.

_45e46bbc-0e30-48f7-922d-725ba8b89293
18

De toelichting bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .