Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:451

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 06-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:451, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 3831


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 februari 2019 [X] B.V., te [Z] , eiseresde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/3831

in de zaak tussen

en

ECLI:NL:RBGEL:2019:451:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 februari 2019 [X] B.V., te [Z] , eiseresde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),
Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/3831

in de zaak tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag (aanslagnummer [000] .V.46.0112) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 179.201. Tevens is bij beschikking € 5.707 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 juni 2018 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 juli 2018, ontvangen door de rechtbank op 13 juli 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019.

De bestuurder van eiseres, [A] , is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] .

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

Eiseres heeft op verzoek van de rechtbank na afloop van de zitting een uittreksel uit het handelsregister toegezonden. De rechtbank heeft in dit stuk geen aanleiding gevonden het onderzoek ter zitting te heropenen.

Overwegingen

1. Eiseres maakte tot [2009] deel uit van een fiscale eenheid met [C] BV die alle aandelen in eiseres hield. Op [2009] is eiseres uit deze fiscale eenheid ontvoegd. Na [2009] worden de aandelen van eiseres voor 50% gehouden door [D] BV en voor 50% door [E] BV.
2. Tot [2009] had [C] BV een vordering van € 409.758 op eiseres. De vordering van € 409.758 is door beide (nieuwe) aandeelhouders afgelost waarna ieder een vordering van € 204.879 op eiseres had.
3. In de jaren 2005 tot en met 2014 heeft eiseres de volgende resultaten behaald (in euro’s). Voor de periode tot [2009] betreft het de resultaten die eiseres op zelfstandige basis heeft behaald. Voor de periode na [2009] gaat het om de belastbare bedragen:
4. De vordering die [D] BV op eiseres had, bedroeg op 15 juli 2014 € 328.113. Op 15 juli 2014 heeft [D] B.V. € 218.113 van deze vordering kwijtgescholden. De akte van kwijtschelding vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
5. Eiseres heeft in haar aangifte Vpb over 2014 een kwijtscheldingswinst van € 218.113 aangegeven. Zij heeft voor € 179.188 aanspraak gemaakt op vrijstelling van deze kwijtscheldingswinst.
6. Verweerder heeft het beroep op de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet geaccepteerd en de belastbare winst vastgesteld op € 211.067 en het belastbaar bedrag op € 179.201.
7. In geschil is de vraag of de kwijtscheldingswinst op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is vrijgesteld of dat op grond van de artikelen 8, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb de vrijstelling van kwijtscheldingswinst niet van toepassing is.
8. Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 stelt de winst vrij die wordt verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, voor zover deze voordelen de som van het verlies dat overigens mocht zijn geleden en de te verrekenen verliezen uit het verleden overtreffen. Deze vrijstelling (de kwijtscheldingswinstvrijstelling) geldt ook in de vennootschapsbelasting, maar is op grond van artikel 8, vierde lid, van de Wet Vpb niet van toepassing indien de belastingplichtige deel heeft uitgemaakt van een fiscale eenheid en sinds het ontvoegingstijdstip minder dan zes jaren zijn verstreken. Deze bepaling is niet van toepassing als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing zou zijn als hij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid. Artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb regelt de werking van de kwijtscheldingswinstvrijstelling in een fiscale eenheid en is in deze situatie van toepassing verklaard.
9. Artikel 8, vierde lid, van de Wet Vpb is met ingang van 1 januari 2003 ingevoerd als onderdeel van de herziening van het regime van de fiscale eenheid. De regeling is als volgt toegelicht (Kamerstukken II, 26 584, nr. 8, blz. 6 en 7):“In artikel 15ac, tweede lid, is een regeling opgenomen die moet voorkomen dat maatschappijen als gevolg van het feit dat zij deel uitmaken van een fiscale eenheid ruimere mogelijkheden hebben om gebruik te maken van de vrijstelling voor kwijtscheldingswinsten die is opgenomen in artikel 3.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze maatregel is uitsluitend van toepassing indien de maatschappij ten aanzien waarvan een schuld is prijsgegeven nog deel uitmaakt van een fiscale eenheid. Men zou deze regeling kunnen omzeilen door die maatschappij (tijdelijk) te ontvoegen. Dit kan worden toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld. Stel binnen een fiscale eenheid kunnen aan de dochtermaatschappij achtereenvolgens de volgende resultaten worden toegerekend: + 20 (jaar 1), – 30 (jaar 2) en – 90 (jaar 3). De fiscale eenheid als geheel is winstgevend, dat wil zeggen, de verliezen van de dochter worden volledig gecompenseerd door winsten van de overige maatschappijen. Als de dochter begin jaar 4 voor een bedrag van 125 aan niet voor verwezenlijking vatbare schulden zou worden kwijtgescholden, zou de vrij te stellen winst binnen fiscale eenheid zonder nadere regeling 125 bedragen. Binnen de fiscale eenheid staan immers geen compensabele verliezen meer open. Op grond van artikel 15ac wordt de vrij te stellen kwijtscheldingswinst echter beperkt tot 25. Indien de dochtermaatschappij geen deel zou uitmaken van de fiscale eenheid zou deze nog compensabele verliezen hebben van 100. Deze moeten worden weggestreept tegen de kwijtscheldingswinst van 125. Indien men de dochtermaatschappij met ingang van jaar 4 – al dan niet tijdelijk – ontvoegt, werkt artikel 15ac, tweede lid niet. Er staan ten aanzien van de dochtermaatschappij geen compensabele verliezen open. Indien er nog wel compensabele verliezen zouden zijn geweest, zouden deze bovendien achter kunnen blijven bij de fiscale eenheid. De vrij te stellen kwijtscheldingswinst zou dan 125 bedragen. Omdat men de fiscale eenheid eenvoudig op verzoek kan verbreken, zou dit tot onbedoeld gebruik aanleiding kunnen geven. Daarom wordt voorgesteld in artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te bepalen dat indien een belastingplichtige korter dan zes jaar geleden nog deel heeft uitgemaakt van een fiscale eenheid, geen gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling voor kwijtscheldingswinsten, behoudens voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat ook indien hij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid de kwijtscheldingswinst zou zijn vrijgesteld. De termijn van zes jaar moet lang genoeg worden geacht om evident onbedoeld gebruik tegen te gaan.”
10. Eiseres betoogt dat artikelen 8, vierde lid, en 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb in dit geval niet zouden moeten worden toegepast, omdat in dit geval geen sprake is van een waardedaling van de vordering als gevolg van de verliezen die gedurende het bestaan van de fiscale eenheid zijn geleden en die in die periode binnen de fiscale eenheid horizontaal zijn verrekend. Er moet volgens eiseres voor toepassing van de genoemde artikelen een rechtstreeks verband bestaan tussen die verliezen en de waardedaling van de vordering, want in dat geval is sprake van dubbele verliesverrekening, die de artikelen beogen te voorkomen. Van dubbele verliesverrekening is in dit geval geen sprake, volgens eiseres.
11. Dit betoog slaagt niet omdat noch uit de tekst van artikel 8, vierde lid, Wet Vpb noch uit de bedoeling van de wetgever volgt dat rechtstreeks verband tussen de geleden verliezen in de periode van de fiscale eenheid en de waardedaling van de vordering een voorwaarde is voor de toepassing van de regeling van de artikelen 8, vierde lid, en 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb. Eiseres is op [2009] uit de fiscale eenheid met [C] BV ontvoegd en tussen het tijdstip van ontvoeging en de kwijtschelding op 15 juli 2014 zit een periode van minder dan zes jaar. Deze omstandigheden zijn op zichzelf voldoende voor toepassing van de artikelen 8, vierde lid, en 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb. Het ligt dan vervolgens op het pad van eiseres om aannemelijk te maken dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing zou zijn geweest als zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid met [C] BV. Eiseres heeft ter zitting aangegeven geen beroep te doen op deze tegenbewijsregeling.
12. Verder betoogt eiseres dat de artikelen 8, vierde lid, en 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb antimisbruikbepalingen zijn die in dit geval verder gaan dan de bedoeling van de wetgever, omdat in dit geval geen sprake is van het misbruik dat in de parlementaire geschiedenis is beschreven. Eiseres is namelijk niet uit de fiscale eenheid ontvoegd met het oog op kwijtschelding van de vordering. De ontvoeging heeft in dit geval volgens eiseres plaatsgevonden in het kader van een zakelijke ontvlechting van de samenwerking van drie partijen. De kwijtschelding heeft pas op een later moment in 2014 plaatsgevonden en is ingegeven door de slechte resultaten van eiseres na 2009.
13. De rechtbank kan eiseres volgen in haar constatering dat in dit geval geen sprake is van het evidente misbruik dat in de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 8, vierde lid, van de Wet Vpb is beschreven. Dat laat echter onverlet dat de toepassing van dit artikel niet is beperkt tot het voorbeeld dat in de wetsgeschiedenis wordt gegeven. Ook wanneer geen sprake is van een tijdelijke ontvoeging, die is ingegeven door een mogelijkheid om gebruik te maken van een verruiming van de kwijtscheldingswinstvrijstelling, kan artikel 8, vierde lid, van de Wet Vpb van toepassing zijn. Om te voorkomen dat deze regeling een te ruim bereik zou krijgen heeft de wetgever de hierboven in 11 bedoelde tegenbewijsregeling in het leven geroepen. Naar het oordeel van de rechtbank is hier overigens geen sprake van een geval waarin de toepassing van de artikelen 8, vierde lid, en 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb verder gaat dan de wetgever heeft bedoeld. Tussen partijen staat namelijk vast dat eiseres, indien zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid, in de periode 2005 tot en met 2013 per saldo een verlies van € 228.040 heeft geleden. Hieruit volgt dat eiseres, als zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid met [C] BV, vanwege de door haar geleden verliezen ook geen aanspraak had kunnen maken op vrijstelling van de kwijtscheldingswinst. Zonder toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Wet Vpb zou eiseres dus aanspraak hebben op een ruimere toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling doordat de door haar geleden verliezen in de periode tot verbreking van de fiscale eenheid kennelijk binnen de fiscale eenheid zijn verrekend.
14. De conclusie uit het voorgaande is dat het gelijk aan verweerder is. Het beroep tegen de aanslag Vpb 2014 zal ongegrond worden verklaard.
15. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.
16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Feiten

“ 1. (…) [X] B.V. (…) hierna te noemen de 2. (…) [D] B.V. (…) hierna te noemen  dat geldverstrekker in 2005 gelden heeft verstrekt aan de B.V.; dat hierdoor een schuld van de B.V. is ontstaan jegens de geldverstrekker, deze schuld is op dit moment, inclusief rente en kosten groot € 328.113; dat de B.V. op dit moment op kleine schaal activiteiten verricht; dat het negatieve eigen vermogen van de B.V. gelijk is of groter is dan de kwijt te schelden schuld; dat geldverstrekker bereid is om de schuld van de B.V. kwijt te schelden per 15 juli 2014 voor een bedrag van € 218.113.
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

3. Partijen zijn het er over eens dat deze schuld niet voor verwezenlijking vatbaar is;4. Geldverstrekker scheldt derhalve de vordering die zij heeft op de B.V. per 15 juli 2014 kwijt voor € 218.113 (…)”
Geschil

Beoordeling van het geschil

2

colA

colB

2005

-3.598

2006

-137.194

2007

-20.247

2008

-35.121

2009

-87.974

2010

30.443

2011

-14.355

2012

13.698

2013

26.308

Per saldo

-228.040

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. van der Vegt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Jackson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 6 februari 2019
griffier
rechter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.