Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:3679

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:3679, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 05/105293-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBGEL:2019:3679:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/105293-19Datum uitspraak : 14 augustus 2019
Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , te [woonplaats] ,thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid,
raadsman: mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 juli 2019.

Aan verdachte wordt verweten dat hij al dan niet samen met één of meer anderen ongeveer 44,68 kilogram aan pillen, die MDMA bevatten, in zijn bezit heeft gehad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.Op 2 mei 2019 werden bij het tankstation te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, in de kofferbak van een Fiat Panda (kenteken [kenteken] ) twee sporttassen met daarin paarse/roze driehoekige pillen (logo Maybach) aangetroffen. Het netto gewicht van de pillen, die zich in tien plastic afgesloten zakken per sporttas bevonden, bedroeg totaal 43,23 kilogram. Het betrof 101861,45 pillen (berekend) van telkens 0,4244 gram. De pillen bevatten MDMA, een middel zoals vermeld op lijst І van de Opiumwet. Verdachte was op dat moment de bestuurder van de auto.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de pillen opzettelijk voorhanden heeft gehad. Er is geen bewijs dat verdachte ervan op de hoogte was dat de drugs in de kofferbak lagen, dan wel hiervan op de hoogte had moeten zijn of op enige wijze bij die drugs betrokken was. De (afgesloten) auto staat niet op naam van verdachte en als zijn gedrag al als vreemd kan worden bestempeld, zegt dit nog niets over de wetenschap van verdachte. Het is niet bekend wanneer en door wie de drugs in de auto zijn geplaatst en voorts gaat het ook om een afgesloten kofferbak en dichte tassen. Er zijn ook geen sporen van verdachte daarop aangetroffen. De omstandigheid dat een bestuurder bekend geacht dient te zijn met de inhoud van zijn auto en de omstandigheid dat goederen met een aanzienlijke waarde niet lang in een auto zullen liggen zijn niet meer dan algemene ervaringsregels. Verdachte heeft verklaard dat hij niet op de hoogte van de tassen en de drugs daarin is geweest. Hij reed een extra rondje over de rotonde, omdat er twee banen waren en hij de rotonde in verband met een auto naast hem niet kon verlaten. Hij sloeg af naar het tankstation, omdat hij de auto volgetankt terug moest geven en om een vriend/kennis te helpen met het bijvullen van het water van zijn auto. Hij had wel een pinpas bij zich. De politie vroeg hem niet naar zijn rijbewijs dan wel een ander identiteitsbewijs. Pas toen de kofferbak open was, zei hij: “Die spullen in de kofferbak zijn niet van mij”. Hij heeft geen verklaring voor de drugs in de auto.
Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot het gedrag van verdachte voorafgaand/bij het aantreffen van de drugs in de auto relateren de verbalisanten het volgende:
“(…) Toen wij de rotonde naderden zagen wij voor ons gezien van links over de Maas en Waalweg drie voertuigen naderen. (…) Wij zagen dat de middelste personenauto, een Fiat Panda, voorzien van het kenteken [kenteken] links af in de richting van Wamel reed. (…)

Toen wij de rotonde op reden zagen wij dat de Fiat Panda niet in de richting van Wamel reed, maar dat de bestuurder een plotselinge stuurbeweging maakte en van de rechter rijstrook naar de linker rijstrook reed. (…) Wij zagen dat de Fiat de rotonde meer dan helemaal rond bleef volgen en dat hij vervolgens de rotonde verliet en verder reed in de richting van Beneden-Leeuwen. Wij zagen dat de bestuurder van de Fiat zijn snelheid verhoogde op het moment dat hij de rotonde verlaten had. (…)

Op het moment dat de Fiat het tankstation naderde reden wij met ons dienstvoertuig circa 20 a 30 meter achter de Fiat. Wij zagen dat de bestuurder plotseling en zonder richting aan te geven het terrein van het tankstation op reed, zijn voertuig rechts naast een pomp zette, direct uitstapte en achter de Fiat langs naar de bijrijdersplaats liep, het rechter voorportier opende en zich in de auto bukte. (…)

(…) Ik, [verbalisant 1] , sprak de bestuurder aan en vroeg hem inzage in zijn rijbewijs. Wij hoorden dat de bestuurder, hierna genoemd de verdachte, verklaarde dat hij helemaal niets bij zich had en dus geen rijbewijs, een ander identiteitsbewijs of pinpas of iets dergelijks. (…) Wij zagen en hoorden dat de verdachte zich erg zenuwachtig gedroeg. Wij hoorden en zagen dat de verdachte erg beweeglijk was en dat hij snel sprak. (…) Ik, [verbalisant 1] , vroeg de verdachte waarom hij ineens naar het tankstation reed. Wij hoorden dat de verdachte verklaarde dat hij wilde gaan tanken. (…)

Ik, [verbalisant 2] , heb de verdachte gevraagd of ik in zijn auto mocht kijken. Wij hoorden dat de verdachte hierop antwoordde: "Ja, dat is goed". (…) Vervolgens heb ik de verdachte

gevraagd of ik ook in de kofferbak mocht kijken en of de verdachte de kofferbak voor

mij wilde openen. Wij hoorden dat de verdachte hierop zenuwachtig antwoordde: "Die

spullen in de kofferbak zijn niet van mij!!". Hierop heb ik, [verbalisant 2] , gevraagd wat er dan in de kofferbak lag. Wij hoorden en zagen dat de verdachte hierop niet antwoordde maar dat hij mij, [verbalisant 2] , zenuwachtig zwijgend aan bleef kijken. (…) Hierop heb ik, [verbalisant 2] , zelf de kofferbak geopend. Ik zag dat er in de kofferbak twee grote sporttassen lagen. (…) Toen ik de rits circa 20 centimeter geopend had zag ik, [verbalisant 2] , direct een plastic zak vol met paarse pillen. (…)”.
_54e48f8c-537a-413d-9f71-3f82bb53024a

Verdachte heeft verklaard dat hij de Fiat Panda met kenteken [kenteken] van zijn vader heeft gebruikt. Het klopt dat hij op 2 mei 2019 tegenover de verbalisanten de naam van zijn broer heeft genoemd. De vader van verdachte, [getuige] , heeft op de vraag wie er allemaal in de auto rijden verklaard: “Al mijn kinderen. Ik rijd zelf niet in deze auto. (…)”. Daarbij verklaart de getuige dat hij negen kinderen heeft die allemaal gebruik maken van de auto.

Uit al dit voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte één van de kinderen is geweest die de auto in gebruik heeft gehad en de auto op 2 mei 2019 ook daadwerkelijk heeft gebruikt. De rechtbank gaat ervan uit dat de bestuurder, de gebruiker van een auto, wetenschap heeft van de aanwezige goederen in de auto waarvan hij gebruik maakt en dat deze goederen zich ook in zijn machtssfeer bevinden. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit anders is. Zo is niet gebleken van het gebruik van de auto door derden buiten de familie en verdachte heeft ook zelf geen alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van de drugs gegeven.De bewijsmiddelen bieden daarentegen wel concrete aanknopingspunten dat verdachte ervan op de hoogte is geweest. Het gaat om een hoeveelheid van ruim 101800 pillen, waarvan het een feit van algemene bekendheid is dat deze totale hoeveelheid een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt. Zelfs als de rechtbank uitgaat van een verkoopwaarde van slechts € 1.00 per pil, gaat het nog om een waarde van meer dan € 100.000,-. Van illegale goederen van deze waarde kan naar algemene ervaringsregels worden aangenomen dat men deze goederen niet onbeheerd in een auto laat liggen, zeker niet als meerdere mensen van deze auto gebruik maken.Verder duidt het (rij)gedrag van verdachte op vluchtgedrag. Hij maakt op de rotonde een plotselinge stuurbeweging en verhoogt zijn snelheid op het moment dat het politievoertuig nadert. Bij het tankstation bukt hij vervolgens in zijn auto. Als de verbalisanten hem aanspreken, gedraagt hij zich zenuwachtig en noemt hij bij de vraag naar zijn gegevens niet zijn eigen naam. De verklaringen die verdachte aflegt over onder meer zijn aanwezigheid bij het tankstation zijn wisselend. Ter terechtzitting verklaart verdachte voor het eerst over het bijvullen van het water van de auto van een vriend in combinatie met het tanken. Over het tanken heeft verdachte eerder verklaard de auto te moeten aftanken, maar er is gebleken dat de tank van de auto op dat moment al helemaal vol was (proces-verbaal van aanhouding, p. 7). Verdachte heeft ter terechtzitting verder ook verklaard dat hij niet is gevraagd naar zijn identiteitsbewijs, wel een pinpas bij zich heeft gehad en de kofferbak open was toen hij tegenover de verbalisanten aangaf dat hij de spullen in de kofferbak niet van hem waren. De rechtbank ziet ook tegen de achtergrond van het overige gedrag van verdachte geen enkele aanleiding om aan de inhoud van het ambtsedige proces-verbaal te twijfelen en zal ook meewegen dat verdachte – voordat de kofferbak open was – aangaf dat “die spullen in de kofferbak” niet van hem waren en verdachte vervolgens de verbalisanten zenuwachtig zwijgend bleef aan kijken. Dit laatste duidt naar het oordeel van de rechtbank, zeker tegen de achtergrond van verdachte als bestuurder van de auto in combinatie met ook zijn gedrag, op wetenschap van verdachte van de spullen – drugs – in de kofferbak.
Gelet op al dit voorgaande in samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat de drugs op dat moment in ‘zijn auto’ en daarmee in zijn machtssfeer bevonden. Daarmee kan het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen.

1. De inhoud van de tenlastelegging
_22206050-fe5c-47e8-b1a5-9682e4f32baa

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
_de5fb53f-c623-4879-935a-f32623c04377

3

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het feit heeft begaan, te weten dat:

hij op 2 mei 2019, te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal 43,23 kilogram, i van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5

Het feit is strafbaar.

6

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

overwegingen

7

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 4 juli 2019;- een voorlichtingsrapportage van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gedateerd 29 mei 2019.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Hiertoe is aangevoerd dat het gaat om het bezit van een grote hoeveelheid harddrugs. Verder is rekening gehouden met de OM-richtlijnen en landelijke oriëntatiepunten van de rechtbank, welke laatste bij een hoeveelheid van meer dan twintig kilo een gevangenisstraf van 36 maanden voorschrijven.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan geëist. Hiertoe is aangevoerd dat MDMA een goedkopere variant drugs betreft en verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Verder heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, nu de recidivegrond in verband met de vrijspraak in de eerder openstaande Opiumwet-zaak niet langer kan worden aangenomen.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een grote hoeveelheid drugs, namelijk meer dan 100.000 pillen die MDMA bevatten. Het gaat totaal om 43,23 kilogram die verdachte heeft vervoerd. MDMA is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De hoeveelheid was van dien aard, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze pillenbestemd waren voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding en handel in MDMA gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. De rechtbank is van oordeel dat het gaat om een ernstig feit dat – in het bijzonder gelet op de grote hoeveelheid MDMA die ook een forse straatwaarde vertegenwoordigt – oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De omstandigheid dat het hierbij mogelijk gaat om een “goedkopere variant drugs” doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Het uitgangspunt voor het bezit van meer dan 20 kilo harddrugs bedraagt een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden gevangenisstraf.
Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen en heeft tegenover de reclassering aangegeven niet open te staan voor hulp. Het risico op herhaling kan door de houding van verdachte niet worden ingeschat. Wel wordt in het geval van een veroordeling tot uitgangspunt genomen dat verdachte omgaat met mensen die zich met criminele activiteiten bezig houden. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder voor drugsdelicten is veroordeeld.

Op grond van al dit voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van het voorarrest, zoals geëist, passend. Zij zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, nu haar oordeel op basis van al het voorgaande de recidivegrond nog altijd van toepassing is, om deze reden afwijzen.

8

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

beslissing

9

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van ;

3

colA

colB

colC

colA
colC

Dit vonnis is gewezen door mr. R.S. Croll (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. F.E. Venema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2019.

colA
colC

Mrs. R.S. Croll en F.E. Venema zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

3

colA

colB

colC

colA
colC

BIJLAGE

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 mei 2019, te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) (ongeveer) 44,68 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid (pillen verpakt in 20 plastic zakken) van een materiaal bevattende MDMA, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

_22206050-fe5c-47e8-b1a5-9682e4f32baa
1

De volledige tenlastelegging is in de bijlage te vinden.

_de5fb53f-c623-4879-935a-f32623c04377
2

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019190577, gesloten op 28 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

_a936260b-a0cd-4fd2-82ea-a0d3fd9f59ec
3

Het proces-verbaal van aanhouding, p. 5 t/m 7, het proces-verbaal van bevindingen, p. 22 en het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 31-32.

_54e48f8c-537a-413d-9f71-3f82bb53024a
4

Het proces-verbaal van aanhouding, p. 5 t/m 7.

_c07df6b0-9895-4665-8d8c-60781e99de6c
5

De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 31 juli 2019.

_af109032-8623-40e7-bbff-2c68ac5703ab
6

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 26-27.