Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:3640

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:3640, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 5260


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 augustus 2019de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/5260

in de zaak tussen

[X] B.V., [Y] B.V. c.s.

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
en

ECLI:NL:RBGEL:2019:3640:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 augustus 2019de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/5260

in de zaak tussen

[X] B.V., [Y] B.V. c.s.

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
en

procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .F.01.8210) omzetbelasting opgelegd van € 249.993, en bij beschikking een boete van € 5.278.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 augustus 2018 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 september 2018, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2019.

Namens eiseres zijn de gemachtigde en [A] verschenen. Namens verweerder zijn [gemachtigde] en [B] verschenen.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Gelijktijdig en gezamenlijk met dit beroep zijn de beroepen van [Y] B.V. met zaaknummers 18/5266 en 19/832 ter zitting behandeld.

Overwegingen

1. Eiseres is sinds 1 juli 2016 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
2. Eiseres heeft voor het eerste kwartaal 2018 op 25 april 2018 aangifte omzetbelasting gedaan naar een te betalen bedrag van € 249.993. Eiseres heeft het bedrag niet tijdig voldaan. Met dagtekening 29 mei 2018 heeft verweerder aan eiseres de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is ook op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een verzuimboete opgelegd tot het wettelijke maximum van € 5.278.
3. In geschil is of aan eiseres een boete kan worden opgelegd en zo ja, of de boete gematigd moet worden.
4. Primair kan volgens eiseres een overtreding alleen worden begaan door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon gelet op artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 67o van de AWR. Omdat een fiscale eenheid niet gelijk te stellen is met een rechtspersoon is er volgens eiseres geen wettelijke grondslag om een boete op te leggen aan haar. Op grond van het legaliteitsbeginsel moet deze boete daarom vervallen, aldus eiseres. Subsidiair is eiseres van mening dat de boete gematigd moet worden omdat door onvoorziene omstandigheden betalingsmoeilijkheden zijn ontstaan, eiseres hierover al in een vroegtijdig stadium contact heeft gezocht met de Belastingdienst en er geprobeerd is om tot een betalingsregeling te komen.
5. De rechtbank is van oordeel dat aan een fiscale eenheid wel degelijk een boete kan worden opgelegd. Daarbij heeft eiseres terecht het standpunt ingenomen dat er een wettelijke grondslag moet zijn die dit mogelijk maakt. Die kan naar het oordeel van de rechtbank in de combinatie van artikel 5:1 van de Awb en artikel 67c van de AWR worden gevonden.
6. De reikwijdte van de beboetbare entiteiten wordt in de Awb niet afgebakend door artikel 5:1, derde lid, maar door artikel 5:1, tweede lid. Daaruit volgt dat onder overtreder wordt verstaan “degene die de overtreding pleegt of medepleegt.” De keuze voor de bewoordingen “degene die” wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat de wetgever niet heeft bedoeld de mogelijkheid van het opleggen van een boete te beperken tot natuurlijke personen en rechtspersonen. De rechtbank ziet geen materieel verschil tussen deze formulering en de formulering in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, dat als daders aanmerkt “zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen” en “zij die” een feit opzettelijk uitlokken. In het derde lid van artikel 5:1, derde lid, van de Awb is weliswaar opgenomen dat overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen, maar de rechtbank leest dit niet als een beperking op het tweede lid, maar als een verduidelijking dat het tweede lid niet beperkt is tot alleen rechtspersonen of alleen natuurlijke personen. Deze bepaling is blijkens de tweede volzin de pendant van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. In de negentiende eeuw werd er nog van uitgegaan dat rechtspersonen geen strafbare feiten konden begaan. Als dat voor bepaalde delicten wel het geval was, werd dit in de bijzondere wet vermeld (zie Kamerstukken II, 13 655, nr. 3). Pas in 1976 is een algemene bepaling in het Wetboek van Strafrecht opgenomen om duidelijk te
7. In fiscale procedures is naar het oordeel van de rechtbank artikel 5:1 van de Awb niet leidend, omdat de AWR eigen regels kent. Eiseres heeft aangevoerd dat artikel 67o van de AWR evenmin een grondslag kan bieden voor het beboeten van een fiscale eenheid. Dat is op zich juist, maar dit artikel is niet van belang in deze zaak. Artikel 67o van de AWR breidt artikel 5:1 van de Awb uit, omdat behalve degene die een feit pleegt of medepleegt ook degene die doet plegen, degene die opzettelijk uitlokt en degene die medeplichtig is mede onder de overtreder worden verstaan. Eiseres is beboet als pleger. Het is artikel 67c van de AWR dat de grondslag biedt om in dit geval de boete aan eiseres op te leggen. Uit dat artikel volgt dat aan de belastingplichtige die aan de daar omschreven voorwaarden voldoet een boete kan worden opgelegd. Artikel 67c van de AWR regelt niet alleen voor welk feit een boete kan worden opgelegd, namelijk het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betaald hebben van de belasting die op aangifte moet worden voldaan, maar richt zich ook tot het rechtssubject - de normadressaat - met de specifieke kwaliteit van belastingplichtige. Bij kwaliteitsdelicten is het rechtssubject met de specifieke hoedanigheid of kwaliteit waartoe de boetebepaling zich richt, in dit geval de belastingplichtige, de pleger. Omdat in dit geval de fiscale eenheid de belastingplichtige is, is zij degene tot wie het artikel zich richt en degene die de beschreven overtreding begaat en die dus beboet kan worden. Dit artikel, gelezen in samenhang met artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de fiscale eenheid is de ondernemer) en artikel 12, eerste lid, van die wet (de belasting wordt geheven van de ondernemer) biedt dus de wettelijke grondslag om aan de fiscale eenheid de boete op te leggen.
8. Wat de hoogte van de boete betreft overweegt de rechtbank het volgende. De boete is opgelegd omdat eiseres de aangegeven omzetbelasting niet, althans niet tijdig, heeft voldaan. Verweerder heeft de boete opgelegd in overeenstemming met § 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Op grond daarvan bedraagt de boete 3% van de niet betaalde belasting, tot het wettelijke maximum. Omdat 3% van € 249.993 meer is dan het wettelijke maximum van € 5.278, is de boete vastgesteld op dat laatste bedrag.
9. Eiseres heeft zich beroepen op onvoorziene omstandigheden die hebben geleid tot betalingsproblemen. Zij heeft niet aangevoerd dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, maar stelt zich op het standpunt dat hierin een aanleiding gevonden dient te worden de boete te matigen. Financiële omstandigheden kunnen aanleiding geven de boete te matigen. Eiseres heeft hierin echter geen inzage gegeven. Ter zitting is toegelicht dat indertijd overleg met de ontvanger heeft plaatsgevonden en een beroep op betalingsonmacht is gedaan. Binnen de vennootschap is een nieuwe manager aangesteld en er is een overbruggingskrediet afgesloten.
10. Dat eiseres overleg heeft gevoerd met de ontvanger, doet op zich aan het verzuim niet af. Of de boete passend en geboden is moet de rechtbank beoordelen met inachtneming van de omstandigheden waarin eiseres ten tijde van de beroepsprocedure verkeert. Alleen wanneer sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van draagkracht, is de rechtbank gehouden zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien (zie Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685). Eiseres heeft op dit punt geen stukken overgelegd, zodat de draagkracht van eiseres niet kan worden beoordeeld. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding de boete te matigen. Zij acht de boete passend en geboden.
11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Feiten

Geschil

Beoordeling van het geschil

maken dat behalve natuurlijke personen ook rechtspersonen strafbare feiten kunnen plegen (Wet van 23 juni 1976, Stb. 1976, 377).

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 augustus 2019

de griffier is buiten staat deze uitspraakte ondertekenen
griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.