Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:3637

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:3637, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 05.100203.19


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05.100203.19Datum uitspraak : 9 augustus 2019
Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] ,thans gedetineerd in het HvB Ooyerhoekseweg – Zutphen.
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2019.

ECLI:NL:RBGEL:2019:3637:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05.100203.19Datum uitspraak : 9 augustus 2019
Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] ,thans gedetineerd in het HvB Ooyerhoekseweg – Zutphen.
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juli 2019.

1

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
_d302b3ec-0ce6-4897-8e4f-66a168ea1b66

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 juli 2019;- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 12;- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 17;- het proces-verbaal van bevindingen p. 22.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 25 april 2019 te Arnhem, althans in Nederland,-een geldbedrag van (ongeveer) 526,75 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Hotel [naam 1] heeft weggenomen uit een kassalade en/of kluis van Hotel [naam 1] , gelegen aan het [adres]met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenenwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:-dreigend met een vuurwapen Hotel [naam 1] , gelegen aan het [adres] binnen te gaan en/of-dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [naam 1] te zeggen: 'geld, ik wil geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of-een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of op een of meer (andere) medewerkers van Hotel [naam 1] te richten en/of-meermalen, althans eenmaal met het vuurwapen in de lucht te schieten en/of-dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [naam 1] te zeggen: 'geld, ik wil meer geld' en/of 'kluis, waar is de kluis', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of-die [slachtoffer 1] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, naar de kluis te escorteren en/of-dreigend aan die [slachtoffer 3] en/of aan een of meer (andere) medewerkers van Hotel [naam 1] een vuurwapen te tonen en/of-een vuurwapen op die [slachtoffer 3] en/of op een of meer (andere) medewerkers van Hotel [naam 1] te richten en/of-(terwijl hij het vuurwapen op die [slachtoffer 3] gericht heeft) dreigend tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: 'sneller, sneller' en/of-die [slachtoffer 3] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, de kluis te laten openen;
2.hij op of omstreeks 25 april 2019 te Arnhem, althans in Nederland,een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Ekol, type Firat Magnum , kaliber 9mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/ofmunitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13 patronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad;
Aanleiding van het onderzoek

Op 25 april 2019 omstreeks 14.00 uur heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op Hotel [naam 1] , [adres] .
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ter zake van feit 1 heeft de officier meer in het bijzonder gesteld dat uit de foto van pagina 137 en de getuigenverklaringen volgt dat verdachte het vuurwapen wel degelijk op medewerkers [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) heeft gericht, zodat ook dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier aangevoerd dat het enkel overleggen van een schermafbeelding van een alarmpistool door de raadsman onvoldoende is om de resultaten van het wapenonderzoek van de politie in twijfel te trekken.
Het standpunt van de raadsman

Ter zake van feit 1 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte het (vuur)wapen op iemand heeft gericht, zodat hij in zoverre van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft aangevoerd dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen nu verdachte dit bij de politie heeft ontkend, althans heeft verklaard dat hij het wapen in ieder geval niet bewust op de vrouwen heeft gericht, en dat de voor verdachte belastende getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op dit punt niet worden bevestigd door de camerabeelden van de overval. De raadsman heeft verduidelijkt dat zijn verweer niet het bewijsminimum betreft, maar de betrouwbaarheid van de getuigen. Voor het overige refereert de raadsman zich voor wat betreft feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Ter zake van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte weliswaar een Ekol Firats Magnum voorhanden had, maar dat dit een alarmpistool betreft en geen gaspistool zodat het wapen niet als een vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie kan worden geclassificeerd en dus vrijspraak moet volgen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman een schermafbeelding overgelegd waarop volgens de tekst een alarmpistool Ekol Magnum Brüniert 9 mm is te zien.
Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
De rechtbank moet beoordelen of tevens kan worden bewezen dat verdachte bij het plegen van de diefstal in Hotel [naam 1] het vuurwapen op een of meer medewerkers heeft gericht onder meer met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, zoals ten laste is gelegd. De verdediging heeft op dit specifieke punt immers verweren gevoerd. De rechtbank verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij aan de balie werkzaam was, toen een man een plastic tas op de balie voor haar legde met daarop een pistool. De man zei: "geld, ik wil geld". [slachtoffer 1] denkt dat zij niet snel genoeg reageerde omdat de man toen zijn wapen oppakte en dit ongeveer een seconde lang op haar richtte. Zij zag dat de loop van het wapen recht in haar gezichtsveld zat.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij samen met collega [slachtoffer 1] aan de receptie zat en zag dat er een man met een pistool bij de balie stond. [slachtoffer 2] zag dat de man het pistool op [slachtoffer 1] richtte.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat collega [slachtoffer 1] naar hem toe kwam lopen met een man achter haar aan. [slachtoffer 3] hoorde de man zeggen: "Ik wil geld, snel, want de politie wordt gebeld." Vervolgens zag [slachtoffer 3] dat de man ter hoogte van zijn navel een vuurwapen had. Terwijl [slachtoffer 3] man "sneller" hoorde zeggen, zag hij dat de man het pistool op hem richtte en een pushende beweging naar hem maakte. [slachtoffer 3] dacht dat de man zou gaan schieten als hij de kluis snel niet snel opende.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij het wapen misschien wel op de vrouwen heeft gericht toen hij wat tegen ze zei. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij zich niet herinnert dat hij het wapen doelbewust op [slachtoffer 3] heeft gericht, dat hij dat misschien per ongeluk is gebeurd. Anders dan door de verdediging is aangevoerd, kunnen dergelijke verklaringen van verdachte niet worden aangemerkt als een ontkenning. De enkele stelling van de raadsman dat de camerabeelden op dit punt geen bevestiging bieden is evenmin voldoende. De rechtbank overweegt verder dat het richten van het wapen slechts een van de vele dreigende en gewelddadige handelingen van verdachte is geweest, en dat niet in geschil is dat verdachte alle andere handelingen heeft gepleegd, waaronder het lossen van een schot. De rechtbank acht de verklaringen van de getuigen (ook) voor wat betreft het richten van het wapen specifiek en concreet, mede nu hun verklaringen ten aanzien van het volledig verloop van de overval op het niveau van de relevante bijzonderheden steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals in het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden en ook verdachtes eigen verklaringen. Er is dus geen enkele grond om de betrouwbaarheid van onderstaande getuigenverklaringen op dit ene onderdeel in twijfel te trekken. De rechtbank wijst het ter zitting door de raadsman gedane (voorwaardelijk) verzoek om alsnog een rechterlijke waarneming van de camerabeelden te doen dan ook als niet noodzakelijk af.
Op grond van bovenstaande getuigenverklaringen acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vuurwapen op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gericht met het oogmerk hen ertoe te bewegen de kassa en de kluis (zo snel mogelijk) voor hem te openen en daarmee de diefstal van het geld gemakkelijk te maken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een overval op Hotel [naam 1] , zoals in de bewezenverklaring hieronder nader uitgewerkt.

Feit 2

De politie heeft op 25 april 2019 in Arnhem bij verdachte een wapen met munitie aangetroffen en in beslag genomen. De politie heeft het wapen onderzocht en vastgesteld dat het gaat om een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool van het merk Ekol, type Firat magnum, kaliber, 9 mm PAK, alsmede om munitie van categorie III, te weten 13 patronen van het kaliber 9mm, geschikt om met bovenstaand pistool te verschieten.
De rechtbank ziet in de door de raadsman overgelegde afbeelding voorzien van algemene informatie, geen grond om de betrouwbaarheid van het door een inspecteur van politie van de afdeling wapens, munitie en explosieven ambtsedig opgemaakte proces-verbaal wapenonderzoek in twijfel te trekken. Het verweer wordt daarom verworpen.De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op 25 april 2019 te Arnhem, ,-een geldbedrag van (ongeveer) 526,75 euro, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Hotel [naam 1] heeft weggenomen uit een kassalade enkluis van Hotel [naam 1] , gelegen aan het [adres]met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenenwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld vanbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door:-dreigend met een vuurwapen Hotel [naam 1] , gelegen aan het [adres] binnen te gaan en/-dreigend tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: 'geld, ik wil geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en-een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en- eenmaal met het vuurwapen in de lucht te schieten en-dreigend tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: 'geld, ik wil meer geld' en 'kluis, waar is de kluis', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en-die [slachtoffer 1] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, naar de kluis te escorteren en-dreigend aan die [slachtoffer 3] een vuurwapen te tonen en-een vuurwapen op die [slachtoffer 3] te richten en-(terwijl hij het vuurwapen op die [slachtoffer 3] gericht heeft) dreigend tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: 'sneller, sneller' en-die [slachtoffer 3] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, de kluis te laten openen;
2.hij op 25 april 2019 te Arnhem, ,een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Ekol, type Firat Magnum , kaliber 9mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool enmunitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13 patronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
4

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 2:

(vuurwapen)
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

(munitie)
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5

De feiten zijn strafbaar.

6

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

overwegingen

7

- een uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 20 juni 2019;- een trajectconsult van het NIFP, gedateerd 25 juni 2019;- reclasseringsadviezen, gedateerd 26 april, 20 mei en 16 juli 2019.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Verder heeft de officier gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, bestaande uit een meldplicht, deelname aan de gedragsinterventie CoVa of soortgelijke training en beschermd of begeleid wonen.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit. Daartoe heeft hij erop gewezen dat uit onderzoek volgt dat verdachte een zwakbegaafde tot beneden gemiddelde intelligentie heeft. Verdachte heeft impulsief gehandeld, wat wordt bevestigd door zijn strafblad waarop geen soortgelijke vermogensdelicten voorkomen. Voorts heeft de raadsman, ongeacht of verdachte volgens het jeugdstrafrecht of het commune strafrecht wordt berecht, verzocht geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt. Daarbij heeft hij verwezen naar de jonge leeftijd en de persoon van verdachte en voorts aansluiting gezocht bij de toepasselijke “LOVS-oriëntatiepunten jeugd”. Verdachte heeft oprecht spijt betuigd en is gemotiveerd om zijn gedrag te verbeteren, aldus de raadsman. De verdediging verzet zich niet tegen oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, noch tegen een forse taakstraf naast een vrijheidsstraf.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gezien de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank onder meer rekening gehouden met:
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een hotel, waarbij hij een geldbedrag heeft buitgemaakt. De overval vond plaats midden op de dag in het hart van de stad. Daarbij heeft verdachte een vuurwapen (gaspistool) gebruikt en op twee medewerkers gericht. Ook heeft verdachte met het wapen in de lucht geschoten, toen het personeel naar zijn zin niet of niet snel genoeg reageerde op zijn geldeis. De hotelmedewerkers voelden zich zeer angstig door het handelen van verdachte; sommigen vreesden voor hun leven. Ter zitting heeft een van hen op heldere wijze verwoord welke invloed de overval op haar heeft gehad en hoe zij – drie maanden later – daarmee nog iedere dag kampt. Zij slaapt slecht, heeft flashbacks, is erg angstig bij harde geluiden en voelt zich onveilig als zij alleen is. Er is PTSS bij haar vastgesteld en zij staat hiervoor onder medische behandeling. Daarnaast heeft het hotel in de periode direct na de overval extra personeel en professionele beveiliging moeten inzetten om de hevige gevoelens van onveiligheid bij de medewerkers en hotelgasten zoveel mogelijk weg te nemen en de medewerkers in staat te stellen hun werk te doen. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij uitsluitend heeft gehandeld uit eigen financieel gewin en geen enkel oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor de medewerkers. Bovendien dragen overvallen als deze bij aan in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden bezit van een gaspistool met bij bijbehorende munitie. Gelet op de ernst van het feiten past alleen een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur.

Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit bovenstaand trajectconsult van het NIFP volgt onder meer dat de intelligentie van verdachte wordt ingeschat als zwakbegaafd tot beneden gemiddeld. Er zijn geen aanwijzingen dat het tenlastegelegde impulsief is gepleegd. Evenmin zijn er aanknopingspunten voor grove pathologie, zoals een psychotische stoornis of antisociale persoonlijkheidsstoornis. De reclassering kan een inschatting kan maken of toepassing van het jeugdstrafrecht is aangewezen, aldus het NIFP.

De reclassering heeft onder meer gerapporteerd dat verdachte op verschillende leefgebieden praktische problemen ondervindt zoals op het terrein van huisvesting en financiën en dat hij kampt met onverwerkte heftige ‘life events’. Indrukken uit gesprekken die verdachte heeft gevoerd met een gevangenispsycholoog en het NIFP pleiten voor een ambulante behandeling. De reclassering is van mening dat de psychische dan wel psychiatrische problematiek van verdachte niet in verband is te brengen met het tenlastegelegde. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt om het commune strafrecht toe te passen.

De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en ook overigens geen reden om af te wijken van bovenstaand advies om het commune - volwassenen - strafrecht toe te passen en zal daartoe dan ook overgaan.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij het feit heeft begaan terwijl hij in een proeftijd liep in verband met een voorwaardelijk sepot voor een (gering) geweldsfeit.

Verdachte was tijdens het plegen van de overval 20 jaar oud. Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank hierin geen reden om bij de staftoemeting enigszins aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten uit het jeugdstrafrecht. Daarbij kent de rechtbank doorslaggevend gewicht toe aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft begaan. Zoals hierboven reeds is opgenomen, heeft verdachte niet alleen met het vuurwapen gedreigd, maar heeft hij het wapen tevens op medewerkers gericht en hiermee in de lucht geschoten. Ook na het lossen van het schot heeft verdachte de overval doorgezet richting de kluis. Verder heeft verdachte verklaard dat hij langere tijd (een week) heeft nagedacht of hij de overval zou plegen voordat hij hiertoe daadwerkelijk over is gegaan. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte de overval weloverwogen heeft gepleegd. De door de raadsman bepleite straf doet naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Rekening houdend met de toepasselijke LOVS-oriëntatiepunten uit het commune strafrecht en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest. Anders dan de officier, ziet de rechtbank bij deze strafoplegging geen ruimte meer voor een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, bestaande uit een meldplicht, CoVa-training en beschermd of begeleid wonen, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet zonder meer het meest geëigend zijn om het recidiverisico voldoende in te perken. Bovendien biedt het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling ruime(re) mogelijkheden om bijzondere voorwaarden op te leggen toegespitst op de dan actuele situatie van verdachte.

De benadeelde partij [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ), medewerkster van Hotel [naam 1] , heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. Gevorderd wordt een totaalbedrag van € 1.063,55, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat uit loonderving en is beraamd op € 63,55. De immateriële schade is begroot op € 1.000,-. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ook Hotel [naam 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.372,38, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade bestaat uit kosten voor de inzet van extra personeel en professionele beveiligers na de overal in de periode van 25 april tot en met 5 mei 2019.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade van zowel [benadeelde] als Hotel [naam 1] rechtstreeks is veroorzaakt door het bewezenverklaarde en voldoende is onderbouwd. Gelet hierop moeten beide vorderingen volledig worden toegewezen met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, aldus de officier.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van benadeelde [benadeelde] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ter zake van de vordering van Hotel [naam 1] heeft de raadsman gesteld dat uit rechtspraak volgt dat de kosten voor de inzet van extra personeel en beveiliging niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade zodat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering dan wel de vordering moet worden afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen verder ter zitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken vast dat benadeelde [benadeelde] , die tijdens de overval in het hotel aanwezig was en het feit van zeer nabij heeft meegemaakt, rechtstreeks schade heeft ondervonden door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Ook is de vordering voldoende onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering volledig toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij zal zij de aanvangstermijn van de wettelijke rente voor de materiële schade bepalen op de datum van de vordering, 16 juli 2019, en voor de immateriële schade op de datum van het feit, te weten 25 april 2019. Om te bevorderen dat de schade wordt vergoed zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van bovenstaande ingangsdata.
Ook benadeelde partij Hotel [naam 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks schade geleden door het bewezenverklaarde handelen van verdachte waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Daarbij overweegt zij dat het bewezenverklaarde is gepleegd in een openbaar toegankelijke ruimte, dat tijdens de gewapende overval personeel en hotelgasten aanwezig waren en dat het, gelet op de aard en de omstandigheden van het bewezenverklaarde aannemelijk is dat het feit dermate grote psychische gevolgen heeft gehad voor het personeel en de overige aanwezigen dat benadeelde noodgedwongen extra personeel en beveiliging in moest zetten gedurende de eerste 10 dagen na het feit om operationeel te blijven. Ook acht de rechtbank de schade voldoende onderbouwd en komt de hoogte van de schade evenals de periode waarop deze betrekking heeft, de rechtbank niet onredelijk voor. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering volledig toewijzen met toekenning van de wettelijke rente met ingang van de datum van de vordering, te weten 28 mei 2019. Voorts ziet de rechtbank reden om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 mei 2019.

8. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

9

Beoordeling door de rechtbank

Voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank bepalen dat het onder verdachte in beslag genomen gaspistool Ekol, type Firat Magnum met bijbehorende munitie (13 stuks) (PLO600-2019180255-1977163), worden onttrokken aan het verkeer, nu verdachte hiermee het bewezenverklaarde heeft gepleegd en de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet.
10

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

beslissing

11

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van aan de van een bedrag van vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Daarbij vangt de ingangsdatum van de wettelijke rente van de materiële schade van € 63,55 aan op 16 juli 2019 en van de immateriële schade van € 1.000,- op 25 april 2019;
 legt aan veroordeelde de op , ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] een bedrag vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt. Daarbij vangt de ingangsdatum van de wettelijke rente van de materiële schade van € 63,55 aan op 16 juli 2019 en van de immateriële schade van € 1.000,- op 25 april 2019;
 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van aan de van een bedrag van vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil,
 legt aan veroordeelde de op , ten behoeve van de benadeelde partij Hotel [naam 1] bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 43 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
De rechtbank:

 wijst af het (voorwaardelijk) verzoek van de raadsman tot het verrichten van nader onderzoek (rechterlijke waarneming);

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een voor de duur van ;

 beveelt de van het onder verdachte in beslag genomen gaspistool Ekol, type Firat Magnum, met bijbehorende munitie (13 stuks, G1977592, zie ((PLO600-2019180255-1977163), voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden.
3

colA

colB

colC

colA
colC

Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, mr. L.C.P. Goossens en mr. M.C. van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juli 2019.
Mr. Goossens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
colA
colC

colA
colC


_d302b3ec-0ce6-4897-8e4f-66a168ea1b66
1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 2] van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer 2019180255, gesloten op 28 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

_66418b6a-cd46-43e0-8ad6-9450d7b1f025
2

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 17.

_b04dc20d-f3a3-47e3-be9c-8f19322ab54c
3

Proces-verbaal van verhoor getuige p. 32.

_f42ae004-5c6c-4e41-9e3e-fbb68ca17967
4

Proces-verbaal van aangifte p. 11-12.

_9897a919-7dcb-475a-8345-8dce516295b9
5

Proces-verbaal van aanhouding verdachte p. 108.

_66482654-4bcc-4f78-91b2-1ef5342e6a5c
6

Proces-verbaal van onderzoek wapen p. 103 en 103.