Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:3524

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:3524, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 17 _ 3499


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 augustus 2019 [X] , te [Z] , eiserde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/3499, AWB 17/3500, AWB 17/3502, AWB 17/3503, AWB 17/3504 en AWB 17/3505

in de zaken tussen

en

ECLI:NL:RBGEL:2019:3524:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 augustus 2019 [X] , te [Z] , eiserde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/3499, AWB 17/3500, AWB 17/3502, AWB 17/3503, AWB 17/3504 en AWB 17/3505

in de zaken tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser (burgerservicenummer [000] ) (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar de volgende belastbare inkomens en heeft daarbij de volgende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente/belastingrente opgelegd:

Daarnaast heeft verweerder aan eiser (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd berekend naar de volgende bijdrage-inkomens en heeft daarbij de volgende beschikkingen heffingsrente/belastingrente opgelegd:

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 13 juni 2017 de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikking 2011 en beschikkingen heffingsrente/belastingrente gehandhaafd. De boetebeschikking 2012 heeft verweerder verminderd tot € 2.449.

Eiser heeft daartegen bij brief van 5 juli 2017, ontvangen door de rechtbank op 6 juli 2017, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door [A] , zijn gemachtigde en door mr. [B] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [C] .

De beroepen met nummers AWB 17/3487, AWB 17/3488, AWB 17/3489, AWB 17/3490, AWB 17/3491, AWB 17/3492, AWB 17/3493, AWB 17/3494, AWB 17/3495, AWB 17/3496, AWB 17/3497, AWB 17/3498, AWB 17/3499, AWB 17/3500, AWB 17/3502, AWB 17/3503, AWB 17/3504, AWB 17/3505, AWB 17/3506, AWB 17/3507, AWB 17/3508, AWB 17/3509 en AWB 17/3510 zijn vrijwel gelijktijdig behandeld.

Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

6

colA

colB

colC

colD

colE

colF

Jaar

Dagtekening

Belastbaar inkomen werk en woning

Belastbaar inkomen sparen en beleggen

Vergrijpboete

Heffingsrente/Belastingrente
2011

22-10-2016

€ 31.145

€ 35.039

€ 162

€ 137

2012

22-10-2016

€ 46.383

€ 27.045

€ 6.801

€ 1.246

2013

26-10-2016

€ 41.047

€ 41.676

€ 862

4

colA

colB

colC

colD

Jaar

Dagtekening

Bijdrage inkomen

Heffingsrente/Belastingrente

2011

22-10-2016

€ 25.746

€ 18

2012

22-10-2016

€ 40.876

€ 165

2013

26-10-2016

€ 35.270

€ 115

Overwegingen

1. Eiser is gehuwd met [Y] . Zij wonen aan de [A-straat 1] in [Z] .
2. [A] is gehuwd met [D] . Zij wonen aan de [A-straat 2] in [Z] .
3. Eiser en [A] zijn broers.
4. Eiser, [A] en [D] drijven een onderneming in de vorm van een maatschap. In deze (hoofd)maatschap – maatschap [E] c.s. (hierna te noemen: de maatschap) – worden ondernemingsactiviteiten uitgeoefend. Eiser en [Y] vormen een ondermaatschap, maatschap [X] / [Y] . Deze ondermaatschap is opgericht in verband met de verdeling tussen eiser en [Y] van het winstdeel van eiser uit de hoofdmaatschap.
5. De ondernemingsactiviteiten van de maatschap worden uitgeoefend op de adressen [A-straat 1] en [A-straat 2] en bestonden aanvankelijk alleen uit een landbouwbedrijf en uit een loonwerkbedrijf. Het landbouwbedrijf bestaat hoofdzakelijk uit het houden van vleesvee, de verkoop van gras, het uitrijden van mest en het inscharen van vee. Het loonwerkbedrijf is ook agrarisch van aard.
6. In de loop van de tijd kwamen bedrijfsruimten (voormalige stallen) van het landbouwbedrijf leeg te staan. Die werden verbouwd tot opslagruimte, boxen en delen van loodsen variërend van 9 tot meer dan 25 m². Deze werden vervolgens verhuurd aan derden (zowel particulieren als ondernemers). De activiteiten van de maatschap bestaan sindsdien aldus uit het landbouwbedrijf, het loonwerkbedrijf én uit de verhuur van opslagruimte.
7. De opslagruimte is voor de belastingheffing aangemerkt als ondernemingsvermogen.
8. Eiser en [A] hebben in 1994 [F] B.V. (hierna: de BV) opgericht. De BV was gevestigd aan de [A-straat 2] in [Z] . De BV dreef een landbouwonderneming (een kalvermesterij).
9. De BV had de economische eigendom van 3.000 m² grond en van drie stallen. Deze vermogensbestanddelen werden gebruikt in de landbouwonderneming van de BV. [A] had de juridische eigendom van de 3.000 m² grond en de drie stallen.
10. De BV heeft – vanwege de verslechtering van haar bedrijfsresultaten – de economische eigendom van de 3.000 m² grond en de drie stallen overgedragen aan eiser en [A] . Daarbij heeft de BV een winst behaald. De BV heeft de behaalde vervreemdingswinst verwerkt in haar aangifte vennootschapsbelasting 2010. De BV heeft in die aangifte een beroep gedaan op de landbouwvrijstelling voor een bedrag van € 61.387. De BV is in 2014 geliquideerd.
11. De 3.000 m² grond en de drie stallen zijn, na de hiervoor omschreven overdracht, geschikt gemaakt voor de verhuur aan derden (hierna tezamen aangeduid als: de voormalige BV-panden). De drie stallen zijn omgebouwd tot opslagruimte.
12. Zowel de opslagruimte van de maatschap als de opslagruimte in de voormalige BV-panden worden voor de verhuur aangeboden via de website www. [G] .
13. Eiser, [A] en [D] hebben de voormalige BV-panden in hun aangiften IB/PVV over de jaren 2011 tot en met 2013 steeds aangegeven in box 3 (privévermogen).
14. De aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 van eiser zijn zonder nadere controle overeenkomstig de aangiften opgelegd.
15. Op 1 april 2015 heeft verweerder aangekondigd dat de Belastingdienst voornemens is een boekenonderzoek in te stellen bij eiser, [A] , [D] , [Y] , de maatschap en de BV. De aanleiding voor het boekenonderzoek was onder meer gelegen in de door eiser, [A] , [D] en [Y] ingediende aangiften IB/PVV over het jaar 2013. Het boekenonderzoek was onder meer gericht op het vaststellen van de aanvaardbaarheid van die aangiften. Het boekenonderzoek is gaandeweg uitgebreid met de jaren 2011 en 2012.
16. De boekenonderzoeken hebben geresulteerd in controlerapporten ten aanzien van eiser, [A] , [D] en [Y] . Die controlerapporten waren elk gedateerd 16 september 2016.
17. Blijkens de opgestelde controlerapporten heeft eiser in de jaren 2012 en 2013 ook inkomsten genoten uit ‘losse handel’.
18. Verweerder heeft zich, naar aanleiding van het boekenonderzoek, op het standpunt gesteld dat de voormalige BV-panden moeten worden aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen. Verweerder heeft zich verder, eveneens naar aanleiding van het boekenonderzoek, op het standpunt gesteld dat de hiervoor in onderdeel 17 genoemde inkomsten van eiser uit ‘losse handel’ in de jaren 2012 en 2013 dienen te worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.
19. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de (navorderings)aanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd. Eiser beantwoordt die vraag ontkennend. Verweerder is de tegenovergestelde mening toegedaan. De boetebeschikkingen zijn niet in geschil.
20. Het geschil heeft, meer specifiek, betrekking op de volgende vragen:
21. De rechtbank zal het geschil behandelen in de volgorde van de hiervoor in onderdeel 20 omschreven vragen. Dit betekent dat de rechtbank in de eerste plaats dient te beoordelen of de vermogensbestanddelen terecht zijn aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen. Vervolgens gaat de rechtbank in op het vereiste van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en op het vertrouwensbeginsel.
22. Eiser stelt dat de voormalige BV-panden niet kunnen worden aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen. Hij meent dat de voormalige BV-panden verplicht privévermogen dan wel keuzevermogen vormen. Eiser voert daartoe aan dat de voormalige BV-panden zelfstandig worden verhuurd en dat die verhuur geheel losstaat van de verhuur van opslagruimte door de maatschap. Volgens eiser vertonen de ruimten in de voormalige BV-panden grote verschillen met de ruimten die door de maatschap worden verhuurd. Onder deze laatste opslagruimten bevinden zich nog steeds mestkelders. Dit is bij de voormalige BV-panden niet het geval. Bovendien zijn de ruimten in de voormalige BV-panden vuiler (meer stof). De verschillende ruimten in de voormalige BV-panden zijn ook groter dan die in de opslagruimte van de maatschap. De ruimten in de voormalige BV-panden worden vaak verhuurd aan zzp’ers en bedienen dus ook een andere markt. Er wordt gebruik gemaakt van andere facturen en een andere bankrekening. Van de door de maatschap verhuurde ruimten worden soms huurovereenkomsten opgemaakt, namelijk als sprake is van BTW-belaste verhuur. De ruimten in de voormalige BV-panden worden alleen onbelast verhuurd en er worden geen huurovereenkomsten opgemaakt. Er zijn dus volgens eiser grote verschillen in de wijze waarop de verhuur plaatsvindt, zowel in administratief, organisatorisch als financieel opzicht. Eiser meent dat de verhuur van onroerend goed – zoals de voormalige BV-panden – enkel als ondernemingsactiviteit kan worden aangemerkt indien sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer. Indien daarvan geen sprake is, moet die verhuur, aldus eiser, worden aangemerkt als een activiteit die plaatsvindt in box 3.
23. Verweerder is van mening dat de voormalige BV-panden moeten worden aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen (van de maatschap). Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verhuur van opslagruimte een belangrijke bedrijfsactiviteit van de maatschap is. Hij heeft verder gewezen op de forse investeringen (in arbeid en in geld) die nodig waren om de voormalige stallen van zowel de maatschap als de BV om te bouwen tot opslagruimte. Verweerder heeft verklaard dat eiser en zijn broer tijdens het boekenonderzoek hebben gezegd dat zij met de nieuwe opslagruimten meer mogelijkheden hebben om klanten die meer ruimte nodig hebben te verplaatsen. Verweerder wijst erop dat met betrekking tot de verhuur van de opslagruimte gebruik wordt gemaakt van één website, zowel voor de verhuur van de opslagruimte van de maatschap als voor de verhuur van de voormalige BV-panden. Verweerder is van mening dat de voormalige BV-panden door eiser en [A] zijn verworven met de intentie om het bestaande aanbod van opslagruimte van de maatschap te vergroten. De verschillen tussen enerzijds de opslagruimte die door de maatschap wordt verhuurd en anderzijds de voormalige BV-panden, acht verweerder niet relevant in het kader van de vermogensetikettering van de voormalige BV-panden. Verweerder meent dat de voormalige BV-panden worden gebruikt ten behoeve van de onderneming van de maatschap, in aanvulling op de reeds door de maatschap verhuurde opslagruimte. Volgens verweerder is er vanuit fiscaal perspectief geen verschil tussen de (reeds eerder) door de maatschap verhuurde opslagruimte en de voormalige BV-panden.
24. Bij de beantwoording van de vraag of een vermogensbestanddeel deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige dan wel van zijn privévermogen, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid te buiten zouden zijn gegaan (zie HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:477, rechtsoverweging 2.3 en de daar aangehaalde jurisprudentie).
25. Bij de beoordeling van de vraag hoe een bepaald vermogensbestanddeel moet worden geëtiketteerd dient acht te worden geslagen op de aard van het vermogensbestanddeel, de intentie waarmee het vermogensbestanddeel is verworven, de wijze waarop het wordt geëxploiteerd (gebruik en functie binnen de onderneming) en of de verwerving van het vermogensbestanddeel past binnen de normale bedrijfsuitoefening. Deze omstandigheden dienen in onderling verband en samenhang te worden beschouwd.
26. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij van mening is dat als doorslaggevend criterium om te bepalen hoe de voormalige BV-panden moeten worden geëtiketteerd, heeft te gelden of de activiteiten ter zake van die panden, op zichzelf beschouwd, kunnen worden aangemerkt als meer dan normaal actief vermogensbeheer. Dit standpunt is niet juist. Zelfs indien de activiteiten met betrekking tot de voormalige BV-panden, op zichzelf beschouwd, niet kunnen worden aangemerkt als meer dan normaal actief vermogensbeheer, kunnen de voormalige BV-panden, gelet op alle overige relevante omstandigheden, worden aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de voormalige BV-panden, gelet op hun functie, uitsluitend tot het ondernemingsvermogen kunnen worden gerekend omdat ze (nagenoeg) geheel dan wel uitsluitend in de onderneming worden gebruikt. De rechtbank zal bij de beoordeling van de vraag hoe de voormalige BV-panden moeten worden geëtiketteerd daarom niet als criterium hanteren of ter zake van de voormalige BV-panden sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer. Bij de beoordeling van de etiketteringsvraag zal de rechtbank de hiervoor in onderdeel 25 omschreven omstandigheden in acht nemen.
27. De rechtbank is, gelet op alle feiten en omstandigheden, van oordeel dat de voormalige BV-panden dienen te worden aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen. Vast staat dat de door de maatschap verhuurde ruimten tot het ondernemingsvermogen behoren en dat de verhuuropbrengsten een substantieel deel van de inkomsten van de maatschap vormen. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van de controlerend ambtenaar dat eiser en zijn broer tegen hem hebben verklaard dat zij met de voormalige BV-panden het bestaande aanbod van opslagruimte van de maatschap wilden vergroten. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat de voormalige BV-panden ook daadwerkelijk binnen de onderneming van de maatschap worden gebruikt met die intentie. Het gebruik van één website voor de verhuur van zowel de opslagruimte van de maatschap als die in de voormalige BV-panden onderschrijft dat het gaat om een gezamenlijk aanbod van huurmogelijkheden, waarbij cliënten, naar gelang hun wensen, kunnen kiezen welke ruimte zij wensen te huren. Dat er juist ten aanzien van de opslagruimten in de voormalige BV-panden geen behoefte zou zijn aan BTW-belaste verhuur acht de rechtbank onwaarschijnlijk gelet op eisers verklaring dat in deze panden veelal ruimten (werkplaatsen) worden gehuurd door ondernemers (zzp’ers). Deze hebben – mogelijk – recht op aftrek van voorbelasting en belang bij BTW-belaste verhuur. De rechtbank merkt verder op dat, anders dan eiser naar voren heeft gebracht, niet steeds sprake is van een administratieve, financiële en organisatorische scheiding tussen de verhuur van de opslagruimte van de maatschap en de verhuur van de opslagruimte van de voormalige BV-panden. Er zijn geen registers of lijsten bijgehouden waaruit blijkt welke huurder welke opslagruimte huurt. Huuropbrengsten van opslagruimten van de maatschap blijken voor een deel te zijn ontvangen op de bankrekening die was geopend voor de verhuur van de voormalige BV-panden. Slechts op basis van de kennelijke wetenschap van eiser en/of zijn broer zijn die huuropbrengsten achteraf alsnog geduid als betrekking hebbend op de opslagruimte van de maatschap. Gelet op al het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijk ondernemingsgewijs aanbod van ruimten voor de verhuur, dat administratief, financieel en organisatorisch in elkaar overloopt. De voormalige BV-panden moeten daarom, evenals de opslagruimten van de maatschap, worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. De omstandigheid dat er tussen de opslagruimte van de maatschap en de opslagruimte van de voormalige BV-panden verschillen bestaan in fysieke zin (formaat, aanwezigheid mestopslag, vuilheid), kan daaraan niet afdoen.
28. Eiser stelt dat verweerder uit contacten met meerdere inspecteurs, op eerdere momenten, wetenschap had van de etikettering (als privévermogen) van de voormalige BV-panden. Eiser wijst onder meer op het overleg met de inspecteur ( [H] ) die de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2010 heeft behandeld en het overleg met inspecteur [I] , die vragen heeft gesteld aangaande de BV. Ook in het verzoek om taxatie staat duidelijk vermeld dat het doel van de taxatie was de overdracht naar het privévermogen. Eiser stelt dat daarmee de kwestie van de etikettering van de voormalige BV-panden voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen IB/PVV en ZVW over de jaren 2011 en 2012 uitdrukkelijk en inhoudelijk aan de orde is geweest. Verweerder beschikt daarom niet over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1958, ECLI:NL:HR:1958:AY1185, BNB 1958/255.
29. Verweerder betwist het standpunt van eiser. Hij meent dat hij wél beschikt over een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de AWR. Het nieuwe feit betreft, aldus verweerder, de bevinding die is gedaan gedurende het boekenonderzoek met betrekking tot het feitelijk gebruik van de voormalige BV-panden. Dat feitelijke gebruik was niet in overeenstemming met de wijze waarop de voormalige BV-panden in de aangiften waren verwerkt. Verweerder betwist dat de etikettering van de voormalige BV-panden uitdrukkelijk en inhoudelijk aan de orde is geweest.
30. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de door eiser ingediende aangiften over de jaren 2011 en 2012, ook wat betreft de wijze waarop de voormalige BV-panden in die aangiften waren verwerkt (te weten als privévermogen). Dat verweerder uit contacten met inspecteurs voor de Vpb, dan wel uit het verzoek om taxatie, wetenschap had van het feit dat de voormalige BV-panden zouden worden overgedragen naar privé, kan niet tot de conclusie leiden dat verweerder niet beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR. Nog daargelaten dat verweerder niet gehouden was tot een onderzoek naar het Vpb-dossier hoefde de etikettering als privévermogen ook niet onjuist te zijn. Juist de feitelijke omstandigheid dat sprake is van een gezamenlijk ondernemingsgewijs aanbod van ruimten voor de verhuur, administratief, financieel en organisatorisch in elkaar overlopend, maakt dat de voormalige BV-panden tot het ondernemingsvermogen moeten worden gerekend. Deze feitelijke omstandigheid kon verweerder redelijkerwijs niet kennen bij het vaststellen van de aangiften IB/PVV 2011 en 2012, zodat verweerder beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit.
31. Voor zover eiser stelt dat de in geschil zijnde (navorderings)aanslagen niet in stand kunnen blijven, omdat verweerder het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat hij de voormalige BV-panden zou aanmerken als verplicht privévermogen (dan wel als keuzevermogen) kan deze beroepsgrond evenmin slagen. Eiser meent dat gelet op het hiervoor bedoelde overleg met [H] en [I] sprake is van een expliciete standpuntbepaling van verweerder. Nog daargelaten dat niet gebleken is van een ondubbelzinnige uitlating van verweerder, waarmee deze onmiskenbaar heeft beoogd zich zonder voorbehoud te binden, is voor een expliciete standpuntbepaling (in de vorm van een toezegging) vereist dat verweerder heeft kennisgenomen van alle bijzonderheden van het geval (vgl. HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918). Daartoe behoren naar het oordeel van de rechtbank ook de hiervoor bedoelde feitelijke omstandigheden rondom de wijze waarop de voormalige BV-panden verhuurd worden. Omdat verweerder, zoals hiervoor onder 30 is overwogen, met deze feitelijke omstandigheden niet bekend was, kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.
32. Eiser verwijst verder naar de omstandigheid dat de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de (latere) jaren 2014 (eiser, [A] en [D] ) en 2015 (eiser en [A] ) zijn opgelegd in overeenstemming met de ingediende aangiften, in welke aangiften de voormalige BV-panden zijn opgegeven in box 3. Volgens eiser kan ook hieraan een in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend.
33. De rechtbank merkt op dat de in geschil zijnde (navorderings)aanslagen zijn opgelegd met dagtekening 22 oktober 2016 en 26 oktober 2016. De hiervoor genoemde aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 en 2015 zijn alle daarna pas opgelegd (op 2 november 2016, 16 maart 2017, 11 mei 2017 en 3 juni 2017). Naar het oordeel van de rechtbank valt – gelet op deze tijdsvolgorde – niet in te zien hoe die aanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 en 2015 bij eiser het vertrouwen hebben kunnen wekken dat verweerder de voormalige BV-panden in de in geschil zijnde (navorderings)aanslagen over de jaren 2011 tot en met 2013 zou aanmerken als verplicht privévermogen dan wel als keuzevermogen.
34. Eiser wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1116. Volgens eiser leidt dit arrest, en de daarin volgens eiser gegeven algemene rechtsregel, ertoe dat ervan moet worden uitgegaan dat verweerder – vanwege het opleggen van de aanslagen over de jaren 2014 en 2015 – zijn standpunt met betrekking tot de vermogensetikettering over de jaren 2011 tot en met 2013 heeft herzien. De rechtbank volgt eiser niet in zijn interpretatie van dit arrest. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door eiser gestelde rechtsregel niet in het arrest gelezen worden. Het arrest leidt evenmin tot de conclusie dat verweerder met het opleggen van de aanslagen 2014 en 2015 zijn standpunt aangaande de vermogensetikettering heeft herzien.
35. Eiser stelt dat zijn inkomsten uit ‘losse handel’ moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming, en niet als resultaat uit overige werkzaamheid. De ‘losse handel’ betreft de verkoop van sloopmateriaal. Eiser stelt dat die handel plaatsvindt vanuit de maatschap. Hij heeft de inkomsten uit ‘losse handel’ alleen kunnen behalen vanwege zijn activiteiten binnen de onderneming van de maatschap.
36. Verweerder is van mening dat de inkomsten terecht zijn aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid. De inkomsten zijn niet behaald binnen het verband van de onderneming van de maatschap. Er is sprake van bedrijfsvreemde activiteiten. Verweerder wijst erop dat de inkomsten niet zijn opgenomen in de administratie van de maatschap, dat er geen facturen zijn verstuurd door de maatschap en dat de inkomsten niet zijn ontvangen op de bankrekening van de maatschap.
37. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij de inkomsten uit ‘losse handel’ heeft genoten. Het geschil betreft slechts de vraag of die inkomsten moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid dan wel als winst uit onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de inkomsten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid. De activiteiten waarmee eiser de inkomsten uit ‘losse handel’ heeft behaald (verkoop van sloopmateriaal), vallen buiten de normale bedrijfsuitoefening van de maatschap. Die normale bedrijfsuitoefening behelst immers het landbouwbedrijf, het loonwerkbedrijf én de verhuur van opslagruimte. De omstandigheid dat eiser als loonwerker (dus bij ondernemingsactiviteiten van de maatschap) tegen de sloopmaterialen aanliep, en die vervolgens meenam om te verhandelen, vormt op zichzelf onvoldoende grond om de inkomsten uit die handel als winst uit onderneming aan te merken (HR 15 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY4121).
38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door eiser tegen de belastingaanslagen aangevoerde gronden niet kunnen slagen. De rechtbank zal de beroepen tegen de belastingaanslagen daarom ongegrond verklaren. Nu eiser geen zelfstandige gronden tegen de beschikkingen heffingsrente/belastingrente heeft aangevoerd zal de rechtbank ook die beroepen ongegrond verklaren.
39. De boetebeschikkingen zijn niet in geschil. Wel ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de boeten gematigd moeten worden wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In beginsel is daarvan sprake als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan. Dat blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Deze termijn is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de aankondiging van de boeten op 12 november 2015. Van een eerdere aanvang van de termijn is de rechtbank niet gebleken. In de tijd tot deze uitspraak zijn drie jaar en acht maanden verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van 20 maanden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de boetebeschikking 2012 met 15% te verminderen tot € 2.081. De boetebeschikking 2011 bedraagt minder dan € 200. De rechtbank zal ten aanzien van deze boete volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, maar deze niet verder verminderen.
40. Omdat de matiging van de boetebeschikking 2012 ambtshalve plaatsvindt, dient de rechtbank de beroepen ongegrond te verklaren, de uitspraken op bezwaar voor wat betreft de boetebeschikking 2012 te vernietigen, en deze boete te verminderen. Er is dan ook geen plaats voor vergoeding van het griffierecht voor de behandeling van dat beroep of voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, zie onder meer HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053.
41. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
42. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Feiten

Geschil

1. Zijn de voormalige BV-panden terecht aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen?2. Zo ja, beschikt verweerder over een navordering rechtvaardigend nieuw feit en – bij bevestigende beantwoording van deze vraag – beroept eiser zich terecht op het vertrouwensbeginsel?3. Zijn de inkomsten van eiser (‘losse handel’) in de jaren 2012 en 2013 terecht aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheid?4. Heeft eiser recht op een integrale proceskostenvergoeding?
Beoordeling van het geschil

Etikettering van de voormalige BV-panden - materieelrechtelijk

Nieuw feit

Vertrouwensbeginsel

Resultaat uit overige werkzaamheid of winst uit onderneming?

Overschrijding redelijke termijn

Conclusie

Proceskostenvergoeding

beslissing

Beslissing

- verklaart de beroepen ongegrond;- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking 2012;- vermindert de boetebeschikking 2012 tot € 2.081;- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar, voor zover deze is vernietigd.
De rechtbank:

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. J.J. Westerbaan en mr. M. Akhloufi, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 augustus 2019
griffier
voorzitter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.