Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:3064

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:3064, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19_2790 en 19-3046


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de voorzieningenrechter van [verzoeker 1] (AWB 19/2790) en [verzoeker 2] (AWB 19/3046), te Arnhem, verzoekers,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong)

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/2790 en AWB 19/3046

op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

en

ECLI:NL:RBGEL:2019:3064:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de voorzieningenrechter van [verzoeker 1] (AWB 19/2790) en [verzoeker 2] (AWB 19/3046), te Arnhem, verzoekers,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong)
Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/2790 en AWB 19/3046

op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2019 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend.

Hiertegen hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Kapteijns en M. van Driel.
Overwegingen

1. Op 21 januari 2019 heeft [vergunninghouder] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanleggen van een tijdelijk puinbed voor transport en opslag ten behoeve van de bouwplaatsinrichting voor de bouw van een ecovat op het perceel nabij [locatie] te Arnhem (hierna: het perceel). Hiervoor heeft verweerder bij besluit van 26 april 2019 een omgevingsvergunning verleend. Voor de bouw van het ecovat en het afwijken van het bestemmingsplan had verweerder al bij besluit van 1 februari 2019 een omgevingsvergunning verleend. Tegen deze vergunning is geen beroep ingesteld. Het ecovat wordt gerealiseerd voor ‘Het Dorp’ in Arnhem. In het ecovat wordt warm water opgeslagen waarmee de woningen in ‘Het Dorp’ verwarmd zullen worden. Het is de bedoeling dat met de verwarming van de woningen in het najaar van 2019 kan worden gestart. Verzoekers wonen in de directe omgeving van het ecovat en stellen hoofdzakelijk dat de gevolgen van de werkzaamheden voor de omgeving en voor de ondergrond onvoldoende zijn onderzocht.
2. De bezwaren van verzoekers die betrekking hebben op de omgevingsvergunning voor het ecovat kunnen geen onderdeel uitmaken van de onderhavige procedure. De termijn om beroep in te kunnen stellen tegen deze vergunning is verstreken en de vergunning is daardoor onherroepelijk geworden. Ook de bezwaren die zien op de uitweg van het perceel waarop het ecovat is voorzien, kunnen geen onderdeel uitmaken van deze procedure. Een uitwegvergunning moet nog worden aangevraagd en verleend. Na verlening van de uitwegvergunning staat voor verzoekers de mogelijkheid van bezwaar hiertegen open.
3. Verzoekers betogen dat niet duidelijk is voor welke activiteiten de omgevingsvergunning van 26 april 2019 is verleend.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) in te stellen beroep niet. De planregels van het bestemmingsplan “Het Dorp” zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3.1
In de vergunning is vermeld dat deze wordt verleend op basis van de toegevoegde documenten, die deel uitmaken van het besluit. Eén van deze documenten is de bijlage “Uit te voeren werkzaamheden voor het grondwerk t.b.v de bouwplaatsinrichting voor het Ecovat”. Uit dit document blijkt dat het gaat om het plaatsen van een damwand, het ontgraven van grond en het realiseren van een bouwweg, opslagterrein en gronddepot. Van deze werkzaamheden is in de bijlage een nadere omschrijving opgenomen. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.
4. Verzoekers betogen dat de vergunde werkzaamheden niet voldoen aan de in het bestemmingsplan genoemde voorwaarde dat ze verband moeten houden met de doeleinden die aan de bestemming zijn toegekend.

4.1
Op het perceel is het bestemmingsplan “Het Dorp” van kracht. Uit de plankaart van dit bestemmingsplan blijkt dat het perceel de bestemming “Groen, Landschap en Park” heeft. In artikel 7.1 van de planregels staat waarvoor de gronden met deze bestemming zijn bestemd en in artikel 7.4 staat wanneer een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op dergelijke gronden is vereist. In artikel 7.4.2 van de planregels is bepaald dat werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.4 slechts toelaatbaar zijn, indien:
a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende bestemming zijn toegekend;b. hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
4.2
Niet in geschil is dat voor het aanleggen van dit tijdelijke puinbed op grond van artikel 7.4 van de planregels een omgevingsvergunning is vereist. De vraag is echter of is voldaan aan de in artikel 7.4.2 genoemde voorwaarden voor het vergunnen van deze werkzaamheden.
4.3
De voorzieningenrechter leest in de overwegingen van het bestreden besluit dat uit het door verweerder ingewonnen advies blijkt dat door de werkzaamheden geen strijdigheid met de bestemmingsdoeleinden optreedt. Daarmee stelt verweerder dat is voldaan aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 7.4.2 onder a.Nog daargelaten dat het ingewonnen advies gaat over de eventuele aantasting van bepaalde waarden en niet over de verenigbaarheid met de bestemmingsomschrijving, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vergunde werkzaamheden geen verband houden met één van de onder artikel 7.1 opgesomde doeleinden van de bestemming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder de aanvraag op grond van artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo dan ook mede moeten aanmerken als een aanvraag om toestemming voor afwijkend gebruik. Deze beoordeling heeft nu niet plaatsgevonden.De omstandigheid dat voor het realiseren van het ecovat reeds toestemming is verkregen om af te wijken van het bestemmingsplan, betekent niet dat daarmee ook toestemming is verkregen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor de aanleg van het puinbed. Deze werkzaamheden vormden immers geen onderdeel van de onherroepelijke omgevingsvergunning van 1 februari 2019. Ook al is de aanleg van het puinbed tijdelijk en minder ingrijpend dan de bouw van het ecovat zelf, zal verweerder bij de heroverweging toch moeten beoordelen of ook voor deze werkzaamheden kan worden afgeweken van het bestemmingsplan en daarvoor een vergunning kan worden verleend. In zoverre slaagt het betoog van verzoekers.
5. Verzoekers betogen verder dat ter beoordeling van de in artikel 7.4.2 onder b. genoemde voorwaarde, verweerder een te beperkte toets heeft gehanteerd. Volgens verzoekers heeft verweerder uitsluitend gekeken naar de gevolgen voor de bomen, maar heeft hij nagelaten een integrale beoordeling van de eventuele aantasting van landschappelijke- en natuurwaarden en kwaliteiten van de gronden uit te voeren.

5.1
De voorzieningenrechter overweegt dat het advies dat verweerder heeft ingewonnen, en dat in diverse e-mails is opgenomen, voornamelijk gaat over de te verwachten gevolgen voor de bomen en de maatregelen die noodzakelijk zijn om schade te beperken of te compenseren. Voor een bredere toets, zoals bedoeld door verzoekers, verwijst verweerder op zitting naar de ruimtelijke onderbouwing die in het kader van de omgevingsvergunning voor het ecovat is opgemaakt. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt echter geen onderdeel uit van deze omgevingsvergunning, en ziet hoogstwaarschijnlijk ook niet op de gevolgen van de aanleg van het puinbed. In de beslissing op bezwaar zal verweerder dan ook een nadere onderbouwing dienen toe te voegen die ziet op de gevolgen van de hier vergunde werkzaamheden op de landschappelijke – en natuurwaarden en kwaliteiten van de gronden. Het betoog slaagt.
6. Verzoekers betogen ook dat de status en het rechtsgevolg van de aan de omgevingsvergunning gekoppelde ‘Aandachtspunten’ onduidelijk is. Volgens verzoekers moeten het voorschriften zijn zodat handhaving hiervan mogelijk is.

6.1
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de aandachtspunten inderdaad bedoeld zijn als voorschriften. Bij de beslissing op bezwaar zullen de aandachtspunten alsnog als voorschriften in de omgevingsvergunning worden opgenomen.
7. Verzoekers betogen tot slot dat er in de omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschrift is opgenomen dat de vergunning slechts geldt voor een bepaalde periode.

7.1
In de bijlage “Uit te voeren werkzaamheden voor het grondwerk t.b.v de bouwplaatsinrichting voor het Ecovat” van de omgevingsvergunning staat onder 12.70.02 en 12.70.04:
“Nadat het Ecovat gereed is verwijdert de aannemer alle elementen van de bouwplaatsinrichting zoals de stalen damwanden, geotextiel, menggranulaat en overige bijbehorende elementen van het depot, de bouwweg, de opslagplaats en de werkruimte worden door de aannemer van de bouwplaats afgevoerd.

De aannemer zal het gehele terrein dat voor de bouw van het Ecovat is gebruikt volledig in de originele staat opleveren. …”

Hieruit blijkt dat de omgevingsvergunning geldt tot het moment waarop het ecovat gereed is. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de tijdelijkheid van de omgevingsvergunning voldoende bepaald, ook al had het de voorkeur verdiend het tijdelijke karakter in de vergunning zelf tot uitdrukking te brengen. Het betoog van verzoekers slaagt niet.

8. Uit het voorgaande volgt dat de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven. Er zal eerst nog een vergunning om af te wijken van de bestemming “Groen, Landschap en Park” moeten worden verleend. Alleen al hierom komen de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen voor inwilliging in aanmerking. De voorzieningenrechter schorst de omgevingsvergunning tot 1 week na bekendmaking van de beslissing op de bezwaren van verzoekers.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in twee samenhangende zaken vast op € 1024 (1 punt voor (de nadere onderbouwing van) het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Verweerder dient dan ook per verzoeker € 512 aan proceskosten te voldoen.
10. Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
beslissing

Beslissing

€ 174 aan elk van hen vergoedt.
De voorzieningenrechter:

-

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;

schorst de omgevingsvergunning tot 1 week na bekendmaking van de beslissing op de bezwaren van verzoekers;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 1024 (per verzoeker € 512);

gelast dat verweerder het door verzoekers per persoon betaalde griffierecht groot

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.S.T. Belt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van W.C. Knoester, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzieningenrechter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Bestemmingsplan “Het Dorp”

Artikel 7 Groen - Landschap en park

7.1
Bestemmingsomschrijving
a. het behoud of herstel van de op deze gronden voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke-, ecologische- en natuurwaarden. b. park- en groenvoorzieningen, waaronder speel- en ontmoetingsvoorzieningen;c. volkstuinen en een kinderboerderij;d. fiets- en wandelpaden;e. een hoofdontsluiting met maximaal twee rijstroken ten behoeve van een verkeersaansluiting op de Amsterdamseweg ter plaatse van de aanduiding 'os'.; f. ontsluitingswegen ten behoeve van aangrenzende bestemmingen;g. watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding;
De voor Groen - Landschap en park aangewezen gronden zijn bestemd voor:

7.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a. het vellen, rooien en beschadigen van houtgewassen;b. het aanplanten van houtgewassen;c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse leidingen, constructies, installaties of het apparatuur; andere apparatuur;d. het aanleggen of aanbrengen van beschoeiingen en puinstortingen;e. het graven, dichten, verdiepen of verbreden van greppels, sloten, vijvers, beken en andere watergangen;f. het verlagen van de bodem of het afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;g. het ophogen van gronden;h. het ophogen van de gronden;i. het verlagen van het waterpeil;j. het aanleggen, verbreden of verharden van voet- en rijwielpaden.k. het aanleggen van parkeervoorzieningen;l. het aanbrengen van recreatie- en speelvoorzieningen;
Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

7.4.1
Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht
a. werken of werkzaamheden ter realisering van de bestemming, zoals aangegeven in lid 7.1;b. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn;c. werken of werkzaamheden die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud betreffen.
Het in lid 7.4 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

7.4.2
Toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden
a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende bestemming zijn toegekend;b. hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.4 zijn slechts toelaatbaar, indien: