Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:3022

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:3022, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 1548


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 juli 2019 [X] , te [Z] , eiserde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/1548

in de zaak tussen

en

ECLI:NL:RBGEL:2019:3022:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 juli 2019 [X] , te [Z] , eiserde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/1548

in de zaak tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Met dagtekening 16 november 2016 heeft verweerder aan eiser een informatiebeschikking afgegeven in verband met de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2014.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 februari 2018 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 16 maart 2018, ontvangen door de rechtbank op 20 maart 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2019.

Namens eiser is verschenen mr. [A] , kantoorgenoot van de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [B] . Namens eiser is tijdens de zitting een pleitnota voorgedragen en zijn exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft tijdens de zitting een aantal stukken overgelegd.

overwegingen

Overwegingen

Feiten
1. Eiser, geboren op [1954] , is gehuwd met [Y] . Hij is woonachtig in [Z] .
2. Op 23 juli 2015 heeft de Belastingdienst in een groepsverzoek informatie opgevraagd bij de Zwitserse Belastingdienst over rekeninghouders bij de Zwitserse UBS-bank (UBS). De Zwitserse Belastingdienst heeft op 22 september 2015 in het Bundesblatt een officiële aankondiging over het informatieverzoek gepubliceerd. Het Zwitserse Bundesgericht heeft op 12 september 2016 bepaald dat Zwitserland de gevraagde informatie met Nederland mocht delen. Verweerder heeft in december 2016 een usb-stick ontvangen van UBS met daarop gegevens van bankrekeninghouders.
3. Op een van de bestanden op de usb-stick is de naam [C] vermeld, geboren op [1954] , wonende in [Z] en houder van een rekening met nummer [000] . Het saldo van deze rekening bedroeg op 1 februari 2013 CHF 185.815 en op 1 januari 2014 CHF 197.083. Het saldo op 31 december 2014 was niet bekend.
4. Verweerder heeft eiser bij brief van 9 februari 2016 bericht dat hem uit onderzoek is gebleken dat eiser houder is of is geweest van een bij UBS aangehouden bankrekening met nummer [000] . Hij heeft eiser verzocht om de vragen te beantwoorden die in de bijlage “Verklaring vermogen in het buitenland” zijn gesteld en om bankafschriften en een openingsverklaring te verstrekken. Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 49 van de AWR.
5. Bij brief van 21 maart 2016 heeft eisers gemachtigde aan verweerder laten weten dat eiser geen gehoor zal geven aan het verzoek, tenzij verweerder op voorhand kan garanderen dat eventuele (verstrekte) informatie niet voor punitieve doeleinden zal worden gebruikt.
6. In de periode maart tot en met september 2016 heeft verweerder eiser diverse malen verzocht om de gestelde vragen te beantwoorden en om gegevens te verstrekken. Aan het verzoek is geen gehoor gegeven. Vervolgens heeft verweerder op 16 november 2016 de informatiebeschikking gegeven.
7. In geschil is ten eerste of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht. Verder is in geschil of de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder eiser om informatie mocht vragen over de jaren 2003 tot en met 2011 en of de informatiebeschikking in strijd is met het verbod op zelfincriminatie omdat verweerder daarin geen garantie heeft opgenomen dat de af te geven informatie niet zal worden gebruikt om eiser te straffen.
8. Eiser stelt dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie (nemo-teneturbeginsel) zich er tegen verzet dat hij gedwongen kan worden om de gevraagde gegevens en inlichtingen af te geven. Verweerder mag wilsafhankelijk materiaal niet gebruiken voor fiscale beboeting of strafvervolging (zie Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130). In dat verband is van belang dat het niet leveren van de gevraagde wilsafhankelijke informatie - en in het verlengde daarvan het doen van een onjuiste aangifte - een strafbaar feit vormt.
9. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting aanvullend betoogd dat voor 2003 geen aanslag meer kan worden opgelegd, zodat de informatiebeschikking voor dat jaar niet in stand kan blijven. Verweerder mocht verder geen informatie opvragen over de jaren 2004 tot en met 2011 nu het renseignement slechts bankgegevens bevat over 2013 en 2014 en een eventueel daaraan te ontlenen bewijsvermoeden slechts mag worden gehanteerd vanaf het jaar 2012 (vgl. Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63).
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven omdat, ook na herhaaldelijke verzoeken en verlenging van de reactietermijn, geen informatie is verstrekt door eiser. Verweerder heeft een uitstel van 15 maanden verleend voor het indienen van de aangifte, zodat op de datum van de informatiebeschikking de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 nog kon worden opgelegd. De vragen die zijn gesteld in de vragenbrief kunnen voorts van belang zijn voor de belastingheffing over alle jaren zodat eiser op grond van artikel 47 van de AWR verplicht is om de gevraagde informatie te verstrekken. De informatiebeschikking is geen ‘criminal charge’. Een eventuele discussie over de vraag of er sprake is van wilsafhankelijk of wilsonafhankelijk materiaal en of dit materiaal al dan niet gebruikt mag worden voor de fiscale beboeting is niet relevant voor de belastingheffing en de in dat kader gegeven informatiebeschikking. De vraag of het nemo-teneturbeginsel is geschonden kan alleen aan de orde komen in een procedure over eventuele fiscale beboeting of strafvervolging.
11. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting betoogd dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend. Verweerder had het document Memo Project Duitse Informatie (UBS), het over eiser bijgehouden logboek en alle interne afstemmingsstukken aan de rechtbank moeten sturen. Verder heeft verweerder in de stukken, die wel in het geding zijn gebracht, diverse passages zwart gelakt hetgeen ook in strijd is met artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Memo Project Duitse Informatie (UBS) geen op de zaak betrekking hebbend stuk is aangezien het geen rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van de informatiebeschikking. Het memo bevat informatie over Nederlandse bankrekeninghouders bij UBS, die van de Duitse autoriteiten is ontvangen. De informatie betrof alleen rekeningnummers en het saldo in 2006 en 2008 op die rekening, maar geen namen van de rekeninghouders. Sommige van deze rekeningnummers kwamen overeen met de van de Zwitserse autoriteiten verkregen informatie zodat alsnog de naam van de houder kon worden achterhaald. In deze zaak is er echter geen overlap tussen de van de Duitse autoriteiten verkregen informatie en de informatie van de Zwitserse autoriteiten.
13. Tijdens de zitting heeft verweerder het logboek over gelegd. Volgens verweerder is alle informatie in het logboek ook in het verweerschrift opgenomen zodat dit stuk geen nieuwe informatie bevat. Verweerder is verder niet bekend met afstemmingsstukken. Er zijn geen interne e-mailberichten of andere interne stukken, anders dan die zijn over gelegd, waarin informatie is opgenomen die voor deze zaak van belang kan zijn. Ten slotte zijn in de over gelegde stukken alle namen van ambtenaren en andere bankrekeninghouders en hun bankrekeningnummers zwart gelakt. Ook deze informatie is niet van belang voor de beoordeling van de onderhavige informatiebeschikking.
13. De rechtbank stelt vast dat het logboek de gegevens bevat uit verweerders digitale dossier op naam van eiser. In dit dossier kan via een tabblad het renseignement worden ingezien en via een ander tabblad de gemaakte notities. De overgelegde documenten bevatten een schermafdruk waaruit blijkt dat het renseignement is toegevoegd aan het dossier. Verder zijn er zeven schermafdrukken van de gemaakte notities. Er zijn notities gemaakt van alle brieven aan en van eiser en zijn gemachtigde, van de (voorgenomen) besluitvorming en het bezwaar daartegen, van de ontvangst van een ambtsedige verklaring en van het opvragen van bankgegevens in Zwitserland. Tijdens de zitting heeft de rechtbank een leespauze ingelast zodat de gemachtigde van eiser kennis kon nemen van de inhoud van het overgelegde logboek. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank vervolgens verzocht om het onderzoek te schorsen voor een nadere bestudering van het logboek en voor overleg met eiser. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat duidelijk is dat alle gegevens die in het logboek zijn opgenomen ook in het verweerschrift staan en het logboek dus geen nieuw licht op de zaak kan werpen.
14. De rechtbank acht vervolgens aannemelijk dat het Memo Project Duitse Informatie (UBS) geen informatie bevat over eiser. Ook omdat eiser de toelichting van verweerder niet heeft betwist, bestaat geen aanleiding om op dit punt te twijfelen aan de verklaring van verweerder. Daarmee is ook aannemelijk dat het geen rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van onderhavige informatiebeschikking. Het is dus geen op de zaak betrekking hebbend stuk zodat verweerder dat niet alsnog moet indienen. Eiser heeft verder, tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat er interne e‑mailberichten of andere documenten bestaan die relevant zijn voor de beoordeling van de informatiebeschikking en die nog niet zijn ingediend. De algemene stelling dat er afstemmingsstukken kunnen zijn, is onvoldoende om aan te nemen dat dergelijke stukken in deze zaak bestaan.
15. De rechtbank stelt vast dat verweerder delen van ingediende stukken heeft weggelakt. De rechtbank overweegt dat verweerder hiervoor een beroep had moeten doen op beperkte kennisname als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten. De rechtbank verbindt echter, op grond van artikel 8:31 van de Awb, geen gevolgen aan deze schending van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb omdat aannemelijk is dat uitsluitend namen en bankrekeningnummers van andere personen dan eiser, zijn weggelakt. Daarmee zijn de weggelakte passages niet relevant voor de beoordeling van de informatiebeschikking.
16. Verweerder heeft tijdens de zitting informatie overgelegd uit het digitale systeem Centrale Verwerking Uitstelregeling. Volgens verweerder blijkt hieruit dat aan eiser uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2003 tot 1 april 2005. Eiser heeft dit niet betwist zodat de rechtbank vaststelt dat hem een uitstel van 15 maanden is verleend. Dat betekent dat verweerder - met toepassing van de verlengde navorderingstermijn - op het moment dat de informatiebeschikking werd afgegeven op 16 november 2016 bevoegd was om na te vorderen over 2003. Nu sprake was van een mogelijk heffingsbelang voor 2003, was verweerder in beginsel bevoegd om voor 2003 een informatiebeschikking af te geven.
17. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR is een ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a van de AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan. Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.
18. De rechtbank stelt vast dat het renseignement gegevens bevat waaruit volgt dat bij UBS in 2013 en 2014 banktegoeden aanwezig waren op een rekening, waarbij de correcte voornaam, achternaam, adres en geboortedatum van eiser als (vermeende) rekeninghouder waren vermeld op de naam van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet hierop zich in redelijkheid op het standpunt stelt dat de gevraagde gegevens, inlichtingen en documenten over de banktegoeden bij UBS - naast 2013 en 2014 - ook in de periode 2003 tot en met 2011 van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van eiser. Met het renseignement zijn aanwijzingen gegeven dat eiser mogelijk in de jaren 2003 tot en met 2014 beschikte over vermogen in het buitenland, dat deel uitmaakt van de heffingsgrondslag van box 3. De door eiser genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder geen informatie mocht opvragen over de periode 2003 tot en met 2011. De bevoegdheid tot het vragen van de informatie bestaat reeds bij aanwezigheid van een redelijk vermoeden dat deze van belang kan zijn voor de belastingheffing. Het is derhalve niet vereist dat verweerder in het kader van de onderhavige procedure - al dan niet aan de hand van bewijsvermoedens - aannemelijk maakt dat eiser houder van de UBS-rekening was/is.
19. In zijn uitspraak van 17 december 1996 (no. 43/1994/490/572, Saunders tegen Verenigd Koninkrijk, BNB 1997/254), heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (wilsonafhankelijk materiaal). Uit latere rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het van dit uitgangspunt is teruggekomen. Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting en het vaststellen van een informatiebeschikking ter zake daarvan geen schending van artikel 6 EVRM opleveren, ook niet indien het onherroepelijk worden van die beschikking gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast.
20. Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (EHRM 3 mei 2001, J.B. tegen Zwitserland, ECLI:NL:XX:2001:AL1323), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien.
21. In een arrest van 8 augustus 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2144) heeft de Hoge Raad overwogen dat een informatiebeschikking geen maatregel vormt waarmee de verstrekking van gevraagde gegevens en inlichtingen wordt afgedwongen. De informatiebeschikking bevat uitsluitend de constatering dat niet is voldaan aan de inlichtingenplicht. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter in zijn oordeel over die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Mocht het gevraagde en afgegeven materiaal vervolgens toch in handen komen van de inspecteur en ook gebruikt worden voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt een oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal èn over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan de schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist. Het EHRM heeft deze rechtspraak in zijn arrest van 16 juni 2015 niet in strijd geoordeeld met artikel 6 EVRM (het arrest Van Weerelt tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2015:0616DEC000078414).
22. Op grond van de hiervoor opgenomen rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was om een garantie in de informatiebeschikking op te nemen dat de te verstrekken gegevens en inlichtingen niet gebruikt zullen worden voor sanctiedoeleinden.
23. Het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:130) is niet van toepassing op het geval van eiser. Dat arrest handelde over informatiebeschikkingen die waren gegeven aan een belastingplichtige die niet in staat was om mondeling of schriftelijk een verklaring af te leggen. Dat was grond voor het oordeel dat de informatiebeschikkingen (deels) niet in stand konden blijven. Niet gesteld is dat eiser niet in staat is om verklaringen af te leggen zodat het beroep van eiser op dit arrest faalt.
24. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Met inachtneming van artikel 27e, tweede lid, van de AWR zal de rechtbank daarvoor een nieuwe termijn stellen. Gelet op de aard van de informatie zal de rechtbank deze termijn op zes weken bepalen.
25. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.
26. Gelet op de uitkomst van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Ook bestaat geen aanleiding om eiser in de proceskosten te veroordelen. Dat er twee jaar zijn verstreken sinds de afgifte van de informatiebeschikking en eiser de informatie nog niet heeft verstrekt, is geen grond om te oordelen dat sprake is van misbruik van procesrecht.
Geschil

Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Informatiebeschikking 2003

Informatiebeschikking 2003 tot en met 2011

Nemo-teneturbeginsel

beslissing

Beslissing

16 november 2016 gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.
De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

stelt eiser een termijn van zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog de in de beschikking van

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 juli 2019
griffier
voorzitter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.