Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:2061

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:2061, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 17 _ 1185


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 15 mei 2019 [X] , te [Z] , Zwitserland, eiserde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/1185, 17/4405 en 17/4406

in de zaken tussen

en

ECLI:NL:RBGEL:2019:2061:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 15 mei 2019 [X] , te [Z] , Zwitserland, eiserde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/1185, 17/4405 en 17/4406

in de zaken tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Met dagtekening 9 juni 2016, 17 oktober 2016 en 20 oktober 2016 heeft verweerder op naam van eiser informatiebeschikkingen genomen met betrekking tot de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2009, 2010 en 2011.

Eiser heeft hiertegen telkens tijdig bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 23 januari 2017 (2009) en 10 juli 2017 (2010 en 2011) de informatiebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 3 maart 2017 en 18 augustus 2017, telkens ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en voor elk jaar afzonderlijk een verweerschrift ingediend.

Na het indienen van de verweerschriften hebben beide partijen nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft de andere partij van deze stukken telkens een afschrift toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019.

Namens eiser zijn mr. [A] en mr. [B] , kantoorgenoten van de gemachtigde, verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en drs. [C] verschenen.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken in te dienen. Verweerder heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt. Eiser heeft op die stukken gereageerd. Nadat de rechtbank partijen daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, hebben zij niet te kennen gegeven dat zij een nadere zitting wensten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [1968] . Tot [2004 1] heeft hij in Nederland gewoond. Op die datum is hij naar Curaçao verhuisd. Op [2009 1] is eiser naar Nederland teruggekeerd. Met ingang van [2012] woont eiser in Zwitserland.
2. Op [2004 2] is de Stichting [D] (hierna: [D] ) op Curaçao opgericht. De oprichtingsrechten zijn vervolgens overgedragen aan eiser. Eiser is toezichthouder van [D] . Bestuurder van [D] is [E] N.V. (hierna: [E] ).
3. Op [2004 3] heeft [D] 33,3% van de aandelen in [F] N.V. (hierna: [F] ) verkregen.
4. Op [2004 4] is [G] Ltd opgericht (oorspronkelijk geheten [H] Ltd.; hierna: [H] ). [D] heeft bij de oprichting 25% van de aandelen van [H] verkregen.
5. Op [2007] heeft [D] 25% van de aandelen in [I] N.V. (hierna: [I] ) verkegen.
6. Op [2009 2] heeft eiser alle aandelen van [J] N.V. (hierna: [J] ) van [K] N.V. (hierna: [K] ) gekocht. De bestuurder van [J] is [K] .
7. Met dagtekening 15 december 2008 heeft [E] als “board member” van [D] het besluit genomen € 5.000.500 aan eiser te doneren. Ter uitvoering daarvan zijn de belangen in [H] , [F] en [I] aan [J] gedoneerd. Dit blijkt uit een stuk met datum 16 december 2009 dat is ondertekend door [K] als vertegenwoordiger van [J] en door [E] als vertegenwoordiger van [D] .
8. Op [2010] is [D] in liquidatie getreden met benoeming van [L] N.V. als vereffenaar.
9. Op [2014] heeft een externe partij, [M] (hierna: [M] ), de aandelen in [H] van [J] gekocht. [M] heeft ook de activa en de passiva van [F] en [I] overgenomen.
10. Op [2015 1] respectievelijk op [2015 2] zijn [F] en [I] in liquidatie getreden.
11. Op 16 mei 2011 heeft de toenmalige adviseur van eiser de aangifte IB/PVV over 2009 ingediend.
12. Op 20 mei 2011 heeft verweerder aan eiser een voorlopige aanslag IB/PVV 2009 opgelegd. De definitieve aanslag is opgelegd met dagtekening 20 juni 2012.
13. Op achtereenvolgens 12 maart 2013 en 21 april 2013 heeft eiser aangifte IB/PVV over 2010 en 2011 gedaan.
14. Op 1 april 2015 heeft verweerder een vragenbrief gestuurd aan de adviseur van eiser. Daarbij zijn onder meer vragen gesteld over de betrokkenheid van eiser bij afgezonderde particuliere vermogens.
15. Op 12 juni 2015 heeft de gemachtigde schriftelijk gereageerd op de vragen.
16. Op 16 juli 2015 heeft verweerder een vragenbrief verzonden met aanvullende vragen over de betrokkenheid van eiser bij afgezonderd particulier vermogen, zijn betrokkenheid bij [D] en het inkomen uit aanmerkelijk belang.
17. Op 11 september 2015 heeft de gemachtigde per e-mail gereageerd.
18. Op 1 oktober 2015 heeft verweerder een e-mail naar de gemachtigde gestuurd waarin hij aangeeft dat de inhoud van de reactie namens eiser niet overeenkomt met informatie die verweerder ter beschikking staat.
19. Na een overleg op 17 november 2015 heeft verweerder eiser een termijn van vier weken gegeven om nadere vragen te beantwoorden over [D] en [J] . Ook heeft verweerder een brief opgesteld, met dezelfde dagtekening, die door eiser kan worden gebruikt om bij [E] informatie en stukken op te vragen over [D] en haar deelnemingen ( [I] , [F] en [H] ).
20. Op 4 december 2015 heeft verweerder een aankondigingsbrief navorderingsaanslag IB/PVV 2009 aan eiser gestuurd met kennisgeving van een op te leggen vergrijpboete.
21. Met dagtekening 27 december 2015 is de boetebeschikking 2009 aan eiser opgelegd. Met dagtekening 29 december 2015 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 aan eiser opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
22. Op 27 januari 2016 heeft de gemachtigde verweerder ge-e-maild. Bij deze e-mail zijn drie bijlagen gevoegd, te weten twee brieven van [E] en een brief van [K] aan de gemachtigde. In die brieven geven [E] en [K] - kort gezegd - te kennen dat zij niet onbereidwillig zijn medewerking te verlenen aan onderzoek, maar liever zien dat de informatie op de officiële wijze wordt opgevraagd.
23. Bij brief van 10 maart 2016 heeft verweerder eiser om informatie gevraagd in het kader van de behandeling van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag over 2009. In de brief wordt verzocht om inzage in de volledige administratie van [D] over de periode van oprichting tot en met 2009. Ook herhaalt verweerder het verzoek om informatie over [J] en vraagt hij nadere informatie over - onder meer - de waarde van de deelnemingen in [H] , [F] en [I] en vraagt hij om een specificatie van alle in box 3 aangegeven vermogensbestanddelen, zodanig dat uit deze specificatie volgt welke bezittingen en schulden (inclusief alle rekeningnummers en alle betreffende banken) aan de totaaltelling ten grondslag liggen, en mutatieoverzichten van buitenlandse bankrekeningen, beleggingsrekeningen en/of effectenportefeuilles.
24. Bij brief van 15 april 2016 heeft de gemachtigde gereageerd op de brief van 10 maart 2016, maar niet alle verzochte informatie verstrekt.
25. Met dagtekening 22 april 2016 heeft verweerder in reactie op de brief van 15 april 2016 een herhaald verzoek om informatie verzonden.
26. Bij brief van 13 mei 2016 heeft de gemachtigde op de brief van 22 april 2016 geantwoord dat de bestuurder van [J] de administratie niet ter beschikking stelt. [J] stelt wel bereid te zijn eenmalig een toelichting te geven. De reactie van [J] is als bijlage bij deze brief gevoegd. Tevens wordt in deze brief aangegeven dat het geen vanzelfsprekendheid is dat de opgevraagde administraties van [D] , onderliggende deelnemingen en [J] worden verstrekt, omdat eiser geen meerderheidsaandeelhouder is. In de brief wordt verder een berekening gegeven van een in 2011 gerealiseerde verkoopprijs en een nadere onderbouwing op de stelling dat de waarden van de deelnemingen veel lager zijn dan de waarden waarop de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 is gebaseerd.
27. Verweerder heeft bij brief van 20 mei 2016 onder voorwaarden een nader uitstel verleend aan eiser tot 2 juni 2016 voor het jaar 2009 en meegedeeld dat indien niet of niet volledig binnen de gestelde termijn wordt voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 47 en 49 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), dit zal worden vastgesteld in een informatiebeschikking.
28. Bij brief van 2 juni 2016 heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat het eiser niet is gelukt de gevraagde volledige administratie van [J] te krijgen. Ook van [D] is geen nadere informatie voorhanden.
29. Met dagtekening 9 juni 2016 heeft verweerder de informatiebeschikking over 2009 aan eiser opgelegd.
30. Bij brief van 12 april 2016 heeft verweerder voor de informatie die niet gaat over 2009 een brief aan eiser gestuurd die inhoudelijk grotendeels overeenkomt met de hiervoor genoemde brief van 10 maart 2016, waarbij voor box 3 is volstaan met een verzoek om een specificatie.
31. In een e-mail van 10 mei 2016 heeft de gemachtigde vier weken uitstel gevraagd voor beantwoording van de brief van 12 april 2016. In een e-mail van 12 mei 2016 heeft verweerder onder voorwaarden een nader uitstel verleend tot 7 juni 2016.
32. In een e-mail van 6 juni 2016 heeft de gemachtigde verwezen naar de brief van 2 juni 2016 die zij voor 2009 heeft verzonden.
33. Bij brief van 14 juni 2016 heeft verweerder eiser een laatste termijn tot 1 juli 2016 verleend om de vragen uit de brief van 12 april 2016 te beantwoorden en meegedeeld dat indien niet of niet volledig binnen de gestelde termijn wordt voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 47 en 49 van de AWR, dit zal worden vastgesteld in een informatiebeschikking.
34. Bij brief van 30 juni 2016 heeft de gemachtigde geschreven dat er opnieuw verzoeken zijn gedaan aan [E] , maar dat daarop nog geen reactie is gekomen. Er is wel mondeling aan eiser medegedeeld dat het nog maar de vraag is of de voormalige bestuurder wil meewerken. Omdat [D] is geliquideerd, is het onzeker of toegang tot de gevraagde administratie wordt verstrekt. Bij deze brief zijn tevens aangepaste (concept)jaarcijfers van [J] over de jaren 2009 en 2010 verstrekt.
35. Verweerder heeft bij brief van 11 juli 2016 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld de volledige administraties over te leggen. Ook heeft hij eiser erop gewezen dat hij niet heeft gereageerd op de vragen over het box 3-vermogen. Verweerder heeft eiser een nieuwe termijn gegeven tot 5 september 2016.
36. Bij brief van 4 september 2016 heeft de gemachtigde gereageerd en enkele nadere stukken ingebracht.
37. Bij brief van 10 oktober 2016 heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat een reactie is ontvangen van [L] en van [F] . [F] heeft volgens de gemachtigde geschreven dat de vereffenaar de vereffening aangaande [F] heeft afgerond en aansluitend de boeken en alle overige bescheiden heeft overgedragen aan de bewaarder. De reactie van [L] is bij de brief gevoegd. Deze luidt, voor zover hier van belang:
38. Op 22 november 2016 heeft een derdenonderzoek plaatsgevonden bij de voormalig belastingadviseur van eiser. Daarbij heeft verweerder diverse stukken ontvangen ten aanzien van eiser, waaronder een eerdere (definitieve) versie van de jaarrekening 2009 van [J] , gedateerd 3 september 2010.
39. In geschil is of de informatiebeschikkingen terecht aan eiser zijn opgelegd. Met name is de vraag of eiser aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan om over de door verweerder gevraagde gegevens te kunnen beschikken. Verder is het de vraag in hoeverre vragen zijn beantwoord, in hoeverre sprake is van een fishing expedition en of verweerder in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser heeft met betrekking tot de informatiebeschikkingen 2010 en 2011 aanvullend gesteld dat deze prematuur zijn.
40. Op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWR is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn.
41. Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt onder meer dat indien met betrekking tot een op te leggen aanslag of navorderingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 49 van die wet, de inspecteur dit kan vaststellen bij een voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).
42. Bij de toetsing van de informatiebeschikkingen moet worden beoordeeld of eiser heeft voldaan aan zijn wettelijke informatieplicht met hetgeen hij tot nog toe aan informatie heeft geleverd, en of het opvragen van de betreffende informatie door verweerder in het kader van de belastingheffing gerechtvaardigd was. Tussen partijen is niet in geschil dat de gegevens en inlichtingen die verweerder heeft gevraagd van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van eiser, maar wel heeft eiser aangevoerd dat sprake is van een zogeheten fishing expedition.
43. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat verweerder met zijn informatieverzoek niet de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden.
44. De rechtbank is van oordeel dat eiser de in de informatiebeschikking gestelde vragen niet (volledig) heeft beantwoord en de verzochte informatie niet heeft verstrekt. Dit staat voor het grootste deel tussen partijen ook niet ter discussie. De vraag is slechts of eiser over meer informatie beschikte dan wel kon beschikken en of hij zich dus voldoende heeft ingespannen om naar vermogen te voldoen aan zijn informatieplicht.
45. In de informatiebeschikkingen is - samengevat - gewezen op de eerdere verzoeken om informatie. Daarbij is gevraagd om de originele en volledige administratie van [D] over 2004 tot en met 2010, een toelichting en stukken met betrekking tot de overdracht van de belangen in [H] , [F] en [I] in 2008, 2009 of 2010, een toelichting (namens het bestuur) op de deelnemingen op de balans van [J] per 1 januari en 31 december 2009 en de transacties die in 2010 hebben plaatsgevonden, een toelichting op de gerechtigdheid en de boeking van dividenden uit de deelnemingen in [H] , [F] en [I] , inzage in hun administratie en een verklaring over het ontstaan van activa bij [D] in 2009.
46. Verweerder heeft bij brief van 27 december 2018 diverse stukken overgelegd, die hij niet van eiser maar op grond van een inlichtingenuitwisseling met Curaçao heeft ontvangen. Ter zake van deze stukken staat in elk geval vast dat deze bestaan en aannemelijk is dat die ook al bestonden op het moment dat eiser werd verzocht deze in te brengen. Eiser heeft aangevoerd dat er in zoverre geen belang meer is bij handhaving van de informatiebeschikking. Verweerder heeft er echter op gewezen dat hij niet kan controleren of de stukken volledig zijn. De rechtbank onderschrijft dat standpunt. Het feit dat verweerder uiteindelijk in staat is gebleken op andere wijze over deze stukken te beschikken doet bovendien niet af aan het feit dat hij ze ten tijde van het opleggen van de informatiebeschikkingen niet had en doet evenmin af aan de verplichting die eiser had, voor zover hij erover kon beschikken, de stukken desgevraagd over te leggen. Het is aan verweerder om te bepalen op welke wijze de gegevens aan hem dienen te worden verstrekt, mits hij de grenzen van de redelijkheid in acht neemt (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:633).
47. Voor deze stukken is nog in geschil of eiser zich voldoende heeft ingespannen deze te verkrijgen. Hij stelt dat hij verzocht heeft aan [K] en [E] om administratie van [D] en haar deelnemingen te verstrekken, maar dat zij geen medewerking hebben verleend. Ook [J] heeft hij om medewerking gevraagd maar dit heeft evenmin iets opgeleverd.
48. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser toegang heeft gehad tot de administratie en bijbehorende stukken van [D] en haar deelnemingen. In de brief van 12 juni 2015 aan verweerder heeft eiser bevestigd dat hij als insteller/oprichter en gerechtigde/begunstigde betrokken is geweest bij [D] . Uit het bij die brief gevoegde stuk volgt dat eiser weliswaar zelf geen oprichter was, maar uit het ook bijgevoegde organogram volgt dat eiser de rechten van de oprichter had, in elk geval in 2008. Verweerder heeft bij het verweerschrift over 2009 een formulier gevoegd (onderdeel van bijlage 7) waaruit volgt dat de “founder’s authorities” (oftewel de oprichtersrechten) zijn overgegaan op eiser. [E] was “director”, eiser een van de drie “supervisory directors”. Eiser is ook aangemerkt als “beneficiary” (begunstigde). Gelet op dit alles is het aannemelijk dat eiser over de desbetreffende stukken heeft kunnen beschikken (vergelijk Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 juni 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5609). Dit wordt te meer aannemelijk door het advies van [N] aan verweerder van 21 mei 2014, waaruit volgt dat in de regel met analoge toepassing van de regels voor trusts kan worden bewerkstelligd dat rekening en verantwoording wordt afgelegd. Het had in dat licht op de weg van eiser gelegen feiten te stellen en te onderbouwen waaruit volgt dat dit voor hem niet (meer) mogelijk zou zijn. Dat heeft eiser niet gedaan. Als sprake is van sindsdien gewijzigde verhoudingen, had eiser hierin inzage dienen te verschaffen aan de hand van documenten waaruit dit volgt. Als eiser door zijn eigen toedoen inmiddels niet meer zou kunnen beschikken over de stukken, maar dat op een eerder moment wel kon, blijft dat bovendien voor zijn rekening en risico (vergelijk Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:192 en de daaraan ten grondslag liggende uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 februari 2016, zoals hiervoor genoemd). De enkele stelling van eiser dat hij de stukken heeft opgevraagd en derden daaraan geen medewerking willen verlenen is in dat licht te weinig, te meer daar uit de reactie van [K] en [E] niet blijkt dat zij geen medewerking willen verlenen (zie onder 22).
49. Het voorgaande geldt op hoofdlijnen ook voor de stukken van [J] . Eiser heeft aangevoerd dat hij slechts aandeelhouder en geen bestuurder was. Hij heeft - bij wijze van vergelijking - aangevoerd dat niet elke houder van aandelen in Shell toegang heeft tot de desbetreffende gegevens van Shell. Eiser is als houder van alle aandelen in de verhouding tot de besloten vennootschap [J] echter niet te vergelijken met de gemiddelde aandeelhouder van een multinationale naamloze vennootschap als Shell. De donatie van € 5.000.500 door [D] aan eiser is uitgevoerd door overdracht van de belangen van [D] in [I] , [F] en [H] aan [J] . Hierbij had eiser klaarblijkelijk financieel belang. Het is onaannemelijk dat eiser toestaat dat een dergelijk groot bedrag dat hem toekomt op deze wijze wordt uitbetaald als hij niet de beschikking zou hebben (gehad) over de administratie van [J] . Dat geldt overigens ook voor de administratie van de overgedragen ondernemingen, omdat deze op waarde geschat moeten kunnen worden. Ook ten aanzien van [J] geldt dat als sprake is van sindsdien gewijzigde verhoudingen, eiser hierin inzage had dienen te verschaffen aan de hand van documenten waaruit dit volgt, en ook hier geldt dat als eiser door zijn eigen toedoen inmiddels niet meer zou kunnen beschikken over de stukken, maar dat op een eerder moment wel kon, dat voor zijn rekening en risico blijft. De enkele stelling van eiser dat hij de stukken heeft opgevraagd en derden daaraan geen medewerking willen verlenen is dan wederom te weinig.
50. Eiser heeft erop gewezen dat de aandelen van [H] en de activa en de passiva van [F] en [I] in 2014 zijn overgegaan naar een derde en dat [F] en [I] inmiddels niet meer bestaan. Voor zover eiser daarmee bedoelt te betogen dat hij stukken al niet meer tot zijn beschikking had op het moment dat verweerder om informatie vroeg, had hij naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid op grond van artikel 2:34, tweede lid, van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek (hierna: BW Curaçao) inzage te vragen in de boeken en bescheiden van de inmiddels ontbonden rechtspersonen. Eiser stelt met verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Gravenhage van 11 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV2117, dat die eis niet gesteld kan worden. In die zaak heeft de rechtbank overwogen (en het hof overgenomen) dat niet gevergd kan worden dat een procedure wordt begonnen tegen een derde om inzage af te dwingen. Dat is echter niet het karakter van de procedure in artikel 2:34, tweede lid, van het BW Curaçao. Het effectueren van een recht dat nu eenmaal bestaat is een minder ver strekkende procedure dan een procedure op tegenspraak tegen een andere partij met afwijkende belangen. De rechtbank is van oordeel dat de keuze van eiser de procedure van artikel 2:34 BW Curaçao niet te volgen in de gegeven omstandigheden wel degelijk aan hem mag worden tegengeworpen. Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder om originele administratie heeft gevraagd en dat inzage dan niet volstaat, maar verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat een gemotiveerde toelichting waarom alleen een kopie kan worden verstrekt aanleiding kan geven daarmee genoegen te nemen. Eiser heeft dit niet eens geprobeerd. Inzage sluit de mogelijkheid kopieën te maken niet uit. Ook om die reden ziet de rechtbank aanleiding een eventueel niet meer beschikken over stukken voor rekening en risico van eiser te laten.
51. Voor zover het gaat om andere stukken dan verweerder inmiddels in zijn bezit heeft, heeft eiser aangevoerd dat eerst moet worden vastgesteld dat die er zijn. Ter zitting is dit punt toegespitst op het e-mailverkeer. Verweerder heeft aangevoerd dat hij het e-mailverkeer mist. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat zakelijke correspondentie tegenwoordig in de regel via e-mail verloopt en dat dit deel uitmaakt van hetgeen is gevraagd. Ook als het feitelijk niet tot de administratie behoort, behoort het te worden overgelegd, aldus verweerder. Eiser heeft betwist dat er sprake is van e-mails. Volgens hem is dat met name iets van recentere jaren.
52. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat ook in de jaren 2009 tot en met 2011 veel correspondentie in de onderhavige zaken per e-mail verliep. Het is een feit van algemene bekendheid dat e-mail ook toen al een gebruikelijk communicatiemiddel was. Dit volgt voor deze zaken ook uit het feit dat er in elk geval e‑mailverkeer met de bank is geweest. Verslaglegging van overleg of communicatie tussen [E] en de supervisory directors (naast eiser betreft dit de heren [P] en [a] ) ontbreekt volledig, terwijl ondenkbaar is dat er niet werd gecommuniceerd. Omdat die communicatie voor een deel overzees plaatsvond, acht de rechtbank het aannemelijk dat dit ten minste gedeeltelijk via e-mail verliep. Bovendien heeft eiser ook niet toegelicht hoe de communicatie volgens hem dan wel verliep. Daarmee is sprake van een ongemotiveerde betwisting van de aanwezigheid van e-mails. Verder heeft verweerder een beschrijving van de organisatie gevraagd. Ook deze heeft eiser niet verstrekt. Voor zover die er niet was, had hij die kunnen (laten) opstellen. Ook op dat punt kan dus niet gezegd worden dat gevraagd is naar niet-bestaande informatie. Daarnaast moet de gang van zaken rond de overdracht van de aandelen in [I] , [F] en [H] van [D] aan [J] inhoudelijk besproken zijn. Aannemelijk is dat eiser daarbij betrokken is geweest. Ook daarover heeft eiser geen enkele informatie verstrekt. Hoewel niet precies duidelijk is wat en hoe is gecommuniceerd, is wel duidelijk dát er is gecommuniceerd. Om die reden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zogeheten fishing expedition. Verweerder had voldoende aanknopingspunten dat er informatie moet zijn en heeft er belang bij om daar nader onderzoek naar te doen. Hij heeft de grenzen van de redelijkheid niet overschreden bij het opvragen van deze stukken. Ook voor deze stukken geldt dat als informatie er inmiddels niet meer is, maar er wel is geweest, dit voor rekening en risico van eiser dient te blijven.
53. Verweerder heeft ook vragen gesteld over de bezittingen in box 3. Eiser heeft aangevoerd dat die vragen - in elk geval voor 2010 en 2011 - niet specifiek genoeg zijn. De rechtbank is van oordeel dat die vragen wel specifiek genoeg zijn.
54. Eiser heeft in de aangiften bij bank-, giro- en spaartegoeden alleen bedragen ingevuld zonder vermelding van rekeningnummers of het aantal rekeningen. Ter zake van aandelen en obligaties (niet-aanmerkelijk belang) heeft hij ook alleen totaalbedragen ingevuld, slechts uitgesplitst in de waarde van aandelen en de waarde van obligaties zonder enige verdere toelichting. Voor 2009 heeft verweerder uitvoerig gemotiveerd een nadere toelichting gevraagd. Eiser heeft geen reden gegeven waarom hij de informatie niet heeft verstrekt.
55. Voor de latere jaren heeft verweerder in de brief van 12 april 2016 enkel gevraagd om een specificatie. Die vraag is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet in het licht van hetgeen eiser in zijn belastingaangiften had opgenomen. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat de informatiebeschikkingen op dit punt prematuur zijn opgelegd, omdat hij bij brief van 4 september 2016 heeft gevraagd om een toelichting ten aanzien van welke bezittingen in box 3 opheldering of verduidelijking wordt gewenst. Hij heeft zich daarbij bereid verklaard die opheldering of verduidelijking dan alsnog te geven. Hierbij gaat eiser eraan voorbij dat hij al drie keer eerder uitstel van de reactietermijn had gevraagd zonder daarbij om een toelichting te vragen. Bovendien is de vraag overbodig, omdat uit de brief van 12 april 2016 al volgt dat het om alle bezittingen ging. Verweerder heeft dan ook mogen concluderen dat eiser niet bereid was de vragen van verweerder inhoudelijk te beantwoorden. Daarbij kent de rechtbank ook gewicht toe aan het feit dat de vraag voor 2009 meer was uitgewerkt. Dat betekent dat eiser in redelijkheid moet hebben begrepen wat van hem werd verlangd. Het feit dat eiser ook over 2009 de gevraagde specificatie niet heeft gegeven versterkt daarnaast de conclusie dat hij dit voor de jaren 2010 en 2011 evenmin wenste te doen.
56. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de informatiebeschikkingen terecht zijn opgelegd. Omdat eiser stelt dat hij niet aan nadere informatie kan komen, in elk geval niet aan andere informatie dan verweerder inmiddels tot zijn beschikking heeft, zal de rechtbank ervan afzien hem een nadere termijn te geven de informatie alsnog te verstrekken. Dit is slechts anders voor zover het de informatie over box 3 betreft. Met inachtneming van artikel 27e, tweede lid, van de AWR zal de rechtbank daarvoor een nieuwe termijn stellen. Gelet op de aard van de informatie zal de rechtbank deze termijn op vier weken bepalen.
57. De beroepen zijn ongegrond.
58. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Feiten

“In haar functie als bewaarder van de boeken van de ontbonden SPF is ondergetekende niet bevoegd om enige informatie aan een derde te verstrekken tenzij er daaraan een wettelijke grondslag ligt”.

Geschil

Beoordeling van het geschil

beslissing

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart de beroepen ongegrond;

stelt eiser een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog de in de informatiebeschikkingen gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken ter zake van (de specificatie van) het vermogen in box 3.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 15 mei 2019
griffier
voorzitter
vanwege verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste rechter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.