Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:1577

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:1577, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 18 _ 6250


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBGEL:2019:1577:DOC
nl

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/6250

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2019 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 8 oktober 2018 waarbij het bezwaar van eiseres tegen de betaling op aangifte van de motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 30 januari 2018 tot en met 3 april 2018 ongegrond is verklaard.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019. Namens eiseres is verschenen [gemachtigde] . Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .
beslissing

Beslissing
De rechtbank:
-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

stelt de verschuldigde motorrijtuigenbelasting vast op € 64;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 vergoedt.

Overwegingen
1. Vanaf 30 januari 2018 is eiseres houder van een Ford Fiësta met kenteken [AA-000-B] (de auto). De auto is in 2010 in Frankrijk toegelaten tot de weg en heeft daar de kwalificatie N1 gekregen. N1 staat voor voertuigen bestemt voor het vervoer van goederen met een maximummassa van 3,5 ton. Deze kwalificatie volgt uit de Kaderrichtlijn 2007/46/EG (richtlijn van 5 september 2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen, PB L 263, blz. 1). Bij inschrijving in Nederland in 2014 is deze kwalificatie van de voertuigcategorie overgenomen door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) op het kentekenbewijs.
2. Eiseres is ondernemer voor de omzetbelasting.
3. Voorafgaande aan de aanschaf van de auto heeft eiseres met een rekenmodule op de site van de Belastingdienst haar motorrijtuigenbelasting berekend. Op die site kon op dat moment de volgende button worden aangeklikt:
4. Eiseres voldoet de motorrijtuigenbelasting per automatische incasso. Voor de eerste drie maanden van 2018 is € 163 aan motorrijtuigenbelasting geïncasseerd bij eiseres, gebaseerd op een volledig kwartaalbedrag van € 226.
5. Bij een op 30 maart 2018 uitgevoerde controle door toezichthouders van verweerder is vastgesteld dat de auto niet voldoet aan de in de Wet op de motorrijtuigenbelasting (de Wet MRB) gestelde inrichtingseisen voor een bestelauto. Van dit onderzoek zijn stukken en een aantal foto’s overgelegd door verweerder. In plaats van een achterbank heeft de auto een grote vlakke laadruimte die met een gedeeltelijk tussenschot van de voorstoelen is gescheiden. Op 3 april 2018 is eiseres met een brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de controle.
6. In geschil is het antwoord op de vraag of het lagere tarief voor een bestelauto van een ondernemer van toepassing is. Eiseres is van mening dat dit het geval is. Zij meent dat zij mag vertrouwen op de uitkomst van de rekenmodule en dat daarom het bij haar geïncasseerde bedrag aan motorrijtuigenbelasting te hoog is. Verweerder is het hier niet mee eens.
7. Volgens artikel 1, eerste lid, van de Wet MRB wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s. In artikel 3 van de Wet MRB staan de eisen waaraan een motorrijtuig dient te voldoen, wil sprake zijn van een bestelauto (de inrichtingseisen).
8. In artikel 23, eerste lid, van de Wet MRB is de hoogte van de belasting voor personenauto’s bepaald. Ingevolge artikel 24b, eerste lid, van de Wet MRB, geldt een lager tarief voor de houder (ondernemer) van een bestelauto (het bestelautotarief). Om voor het (lagere) bestelautotarief in aanmerking te komen moet de auto voldoen aan de inrichtingseisen.
9. In het onderhavige geval voldoet de auto van eiseres niet aan de inrichtingseisen uit de Wet MRB. Daarom is geen sprake van een bestelauto en is het bestelautotarief niet van toepassing. De kwalificatie N1 van de RDW is gebaseerd op bijlage II, deel A en C, van de Kaderrichtlijn 2007/46/EG. De in die bijlage gegeven definities van de voertuigcategorie N1 (de "bestelwagen") luiden: "[v]oor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 t" en "vrachtwagen met in de carrosserie geïntegreerde cabine". Deze definities zijn anders dan de inrichtingseisen uit de Wet MRB en spelen verder ook geen rol bij de vraag of aan de voorwaarden voor het verlaagde bestelautotarief is voldaan.
10. Eiseres betoogt echter dat het lagere bestelautotarief in haar specifieke geval toch moet gelden. Bij de aanschaf van de auto is zij uitgegaan van het bedrag dat uit de rekenmodule van verweerder naar voren kwam. In de rekenmodule moest eiseres het ‘soort motorrijtuig’ invullen. Daarvoor verwees de rekenmodule naar de ‘Voertuigcategorie’ op de kentekencard. Bij categorie N1 diende de gebruiker ‘Bestelauto’ in te voeren. Uit de rekenmodule volgde een bedrag van € 64. Eiseres is daarom van mening dat verweerder gebonden is aan die uitkomst.
11. Om op basis van het vertrouwensbeginsel toepassing van de wet achterwege te laten is vereist dat eiseres heeft vertrouwd op een concrete toezegging van het bestuursorgaan (verweerder) én dat deze toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing, dat eiseres in redelijkheid niet op nakoming mocht rekenen (Hoge Raad 26 september 1976, ECLI:NL:HR:1979:AM4918).
12. De rekenmodule stelde concrete vragen die eiseres op basis van haar kentekencard over de auto moest invullen. Op deze manier heeft eiseres concrete informatie gegeven en daaruit volgde zonder enige clausulering de hoogte van de belasting. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een concrete toezegging. Nu verweerder zelf heeft verwezen naar de informatie van de RDW op de kentekencard (of naar de informatie op de website van de RDW als de gebruiker nog niet over de kentekencard beschikte) en deze informatie ook voor het rekenmodel is gebruikt, is deze toezegging ook, anders dan in de uitspraak van de Hoge Raad van 20 november 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1771) toe te rekenen aan verweerder.
13. Verweerder heeft hiertegen ingebracht dat elders op de site wel duidelijk werd verwezen naar de inrichtingseisen en dat het daarom voor rekening en risico van eiseres moet komen dat zij dit niet heeft gezien. De rechtbank geeft verweerder hierin echter ongelijk, omdat het eiseres vanwege de stellige bewoordingen van de rekenmodule niet kan worden verweten dat zij alléén naar het rekenmodel heeft gekeken. Inmiddels wordt in de rekenmodule overigens wèl heel duidelijk verwezen naar de inrichtingseisen. In beginsel heeft eiseres dus vertrouwen kunnen ontlenen aan het rekenmodel.
14. Voor het antwoord op de vraag of eiseres in dit geval vertrouwen heeft mogen ontlenen aan het rekenmodel is echter ook nog van belang of voor haar aanstonds duidelijk had moeten zijn dat de rekenmodule, met als input ‘bestelwagen’, niet klopte en dus in strijd was met de Wet MRB. Anders gezegd is de vraag dus of eiseres in dit geval door moest hebben dat haar Ford Fiësta duidelijk geen bestelauto volgens de inrichtingseisen kon zijn en zij dus redelijkerwijze niet op nakoming van het gegeven bedrag kon rekenen.
15. Hoewel de auto van eiseres van buitenaf niet op een bestelauto lijkt, is deze wel gebouwd en ingericht om goederen te vervoeren. In plaats van een achterbank heeft de auto een vergrote laadruimte en er is een (laag) tussenschot geplaatst tussen de laadruimte en de voorstoelen. Gelet hierop en in combinatie met het ontbreken van enige verwijzing naar de inrichtingseisen in de rekenmodule, is de rechtbank van oordeel dat voor eiseres niet aanstonds duidelijk hoefde te zijn dat het gegeven belastingbedrag in strijd was met de Wet MRB. Daarom is bij eiseres gerechtvaardigd het vertrouwen gewekt dat de per kwartaal verschuldigde motorrijtuigenbelasting € 64 bedraagt.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard en is de verschuldigde motorrijtuigenbelasting vastgesteld op € 64.
17. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
"Hoeveel motorrijtuigenbelasting moet ik betalen?Nieuwe auto op het oog? Bereken zelf uw motorrijtuigenbelasting."
Vervolgens kwam de gebruiker op een pagina waar stond:

"Hoeveel motorrijtuigenbelasting moet ik betalen? Dat berekent u eenvoudig zelf.Het is handig om uw kentekencard bij de hand te hebben. Of de advertentie, als u de auto nog niet hebt gekocht. (…) "
Vervolgens konden de gegevens van de gebruiker worden ingegeven. In de eerste plaats kon de gebruiker aanvinken of hij in Nederland woont of niet. Vervolgens verscheen de vraag:

"Voor welk soort motorvoertuig wilt u een berekening maken?"

Daarachter stond een uitklapregel waar een keuze voor het soort motorvoertuig kon worden gemaakt. Daarachter kon een vraagteken voor meer informatie worden aangeklikt. Als informatie werd dan gegeven:

"Soort motorvoertuigKijk op uw kentekencard bij 'Voertuigcategorie':
 M1: Kies 'Personenauto' N1: Kies 'Bestelauto' N2, N3: U kunt deze rekenhulp niet gebruiken. Kijk bij tarieven voor vrachtauto's. (…)
Of vul uw kenteken in op rdw.nl. Daar vindt u ook de CO-uitstoot. "

Eiseres heeft overeenkomstig deze toelichting en vanwege de vermelding N1 op haar kentekencard "Bestelauto" gekozen. Als ondernemer voor de omzetbelasting heeft eiseres toen "Bestelauto ondernemer" ingevoerd. De rekenmodule gaf met deze ingevoerde gegevens aan dat de motorrijtuigenbelasting € 64 bedraagt per tijdvak van drie maanden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. M.W. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van E.W. Schipper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2019.
griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.