Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:1086

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 15-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:1086, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 05/720018-17


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720018-17Datum uitspraak : 15 maart 2019
Tegenspraak (279 Sv)

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats,thans gedetineerd te P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.
raadsman: mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Duivendrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingenvan 24 januari 2019 en 1 maart 2019.

ECLI:NL:RBGEL:2019:1086:DOC
nl


RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720018-17Datum uitspraak : 15 maart 2019
Tegenspraak (279 Sv)

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats,thans gedetineerd te P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.
raadsman: mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Duivendrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingenvan 24 januari 2019 en 1 maart 2019.
1

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
_c7f226f5-7efa-46fe-801e-f470fa892685

De vraag is of verdachte de persoon is geweest die de gestolen creditcard op deze tijdstippen en locaties heeft gebruikt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primairhij op of omstreeks 27 april 2016 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] , heeft weggenomen één of meer horloge(s) en/of siera(a)d(en) en/of bankpas(sen) met bijbehorende code(s) en/of creditcard(s) en/of album(s) met een muntenverzameling en/of een portefeuille met daarin 800 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
Subsidiairhij op of omstreeks 27 april 2016 in de gemeente Oss en/of 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, een creditcard heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
2.

hij op of omstreeks 27 april 2016 in de gemeente Oss, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van 3000 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (zonder toestemming) gebruik te maken van de creditcard van die [benadeelde 2] en/of de (bij die creditcard horende) pincode;

3.

hij op of omstreeks 27 april 2016 in de gemeente Oss en/of 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op één of meer tijdstip(pen), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat heeft weggenomen (telkens) een geldbedrag van 1500 euro, in elk geval enig geldbedrag, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (telkens) (zonder toestemming) gebruik te maken van de creditcard van die [benadeelde 2] en/of de (bij die creditcard horende) pincode, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.Op 27 april 2016 is tussen 10.15 uur en 19.08 uur diefstal gepleegd uit een woning aan de [adres 1] in Dodewaard. Hierbij is onder andere de creditcard ABN eindigend op [rekeningnummer] met code weggenomen.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de feiten 1 primair, 2 en 3. Met betrekking tot de feiten 2 en 3 stelt de officier van justitie dat gelet op de herkenningen van verdachte op de camerabeelden door verbalisanten wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij degene is die het geldbedrag heeft gepind en daartoe twee keer een poging heeft gedaan.Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat de tijdspanne tussen de diefstal uit de woning, met vertrekpunt 10.15 uur, en de eerste pintransactie om 16.17 uur op die dag zo kort is dat het niet anders kan dan dat verdachte ook degene is die de diefstal uit de woning heeft gepleegd, waarbij de creditcard is weggenomen. Dit geldt te meer nu verdachte geen enkele verklaring over de feiten heeft afgelegd.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Daartoe is aangevoerd dat er een onverklaarbaar groot gat in de tijd zit tussen de diefstal uit de woning en de eerste pintransactie, waarin niet uit te sluiten valt dat een ander de woning is binnen gegaan en de diefstal heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 – met betrekking tot de mislukte pintransactie in Oss – “refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank”. De mislukte pintransactie in Den Bosch in feit 3 kan volgens de verdediging niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu het gezicht van de persoon op de camerabeelden te veel bedekt is voor een goede herkenning.
Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

Met de creditcard die is gestolen bij voormelde diefstal uit de woning hebben de volgende twee geldopnames en twee pogingen daartoe plaatsgevonden:
Op camerabeelden van 27 april 2016 tussen 16.16 uur en 16.19 uur van de geldautomaat gevestigd aan de [adres 2] in Oss is te zien dat een man staat te pinnen. Op deze camerabeelden is verdachte herkend door verbalisanten [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , als de man die aan het pinnen is.

Op camerabeelden van 27 april 2016 tussen 23.45 uur en 23.48 uur van de geldautomaat gevestigd aan de [adres 3] in Den Bosch is dezelfde man te zien als op de camerabeelden uit Oss. Op deze camerabeelden is verdachte eveneens herkend door verbalisanten [naam 2] en [naam 3] , als de man die aan het pinnen is.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de herkenningen van verdachte op de camerabeelden van de geldautomaten in Oss en Den Bosch door de verbalisanten. Dit geldt met name nu verdachte door meerdere verbalisanten met een duidelijke onderbouwing op deze beelden is herkend.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is geweest die met de gestolen creditcard heeft gepind (feit 2) en heeft geprobeerd te pinnen (feit 3).

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie gaat naar het oordeel van de rechtbank terecht uit van een vertrekpunt van 10.15 uur voor het plaatsvinden van de diefstal uit de woning. De eerste pintransactie door verdachte vond plaats om 16.17 uur. Er is aldus sprake van een tijdsverloop van zes uren. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daarmee geen sprake is van een dermate korte tijdspanne dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de diefstal uit de woning heeft gepleegd. Daar komt bij dat zij op grond van het dossier ook niet kan uitsluiten dat een ander dan verdachte hiervoor verantwoordelijk is.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde diefstal uit een woning. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich door het voorhanden hebben van een gestolen creditcard schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde opzetheling.

-

27 april 2016 om 16.17.03 uur, opname 1.500 euro (ABN AMRO bank [adres 2] in Oss);

27 april 2016 om 16.18.03 uur, opname 1.500 euro (ABN AMRO bank [adres 2] in Oss);

27 april 2016 om 16.18.57 uur, poging opname 1.500 (ABN AMRO bank [adres 2] in Oss);

27 april 2016 om 23.46.37 uur, poging opname 1.500 (ABN AMRO bank [adres 3] in Den Bosch).

3

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiairhij op 27 april 2016 in de gemeente Oss en 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, een creditcard voorhanden heeft gehad , terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.

hij op 27 april 2016 in de gemeente Oss, , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van 3000 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] waarbij verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door zonder toestemminggebruik te maken van de creditcard van die [benadeelde 2] en de bij die creditcard horende pincode;

3.

hij op 27 april 2016 in de gemeente Oss en 's-Hertogenbosch, , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op tijdstippen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat weg te nemen telkens een geldbedrag van 1500 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] , waarbij verdachte telkensdie weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door telkenszonder toestemming gebruik te maken van de creditcard van die [benadeelde 2] en de bij die creditcard horende pincode, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Opzetheling

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

Ten aanzien van feit 3:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

5

De feiten zijn strafbaar.

6

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

overwegingen

7

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 4 februari 2019;- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 5 november 2018.
De gevorderde immateriële schade acht de verdediging voor een diefstal uit een woning redelijk.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden gelet op het (te lange) tijdsverloop, de documentatie van verdachte, de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de impact die de diefstal uit de woning heeft gehad op de slachtoffers.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat geen standpunt ingenomen.
Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een creditcard die afkomstig is van een diefstal uit een woning. Door een gestolen goed te helen, heeft verdachte het stelen van dit soort bankkaarten aantrekkelijker gemaakt. Vervolgens heeft hij met behulp van de geheelde creditcard een geldbedrag van € 3.000,- gestolen van de rekening van de rechthebbende, en kort daarna nog een keer geprobeerd een zelfde bedrag met dezelfde creditcard te stelen. Daardoor heeft verdachte de slachtoffers financieel gedupeerd.

Daar komt bij dat verdachte zoals blijkt uit zijn justitiële documentatie al veel vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dat werkt bij verdachte dus kennelijk niet voldoende afschrikwekkend, want hij gaat daar gewoon mee door. De rechtbank houdt dan ook rekening met het feit dat verdachte kennelijk iemand is die met het plegen van dit soort feiten zijn geld verdient.

Gelet op al wat hiervoor is overwogen, het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en de rechtbank – anders dan de officier van justitie – niet de diefstal uit de woning bewezen heeft verklaard, maar de heling van de creditcard, is naar het oordeel van de rechtbank ter afdoening van onderhavige zaak, een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen passend en geboden. Verder is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Daartoe overweegt zij dat verdachte op 13 december 2016 is verhoord. De zaak is na het verhoor van verdachte ruim twee jaren niet op zitting aangebracht, iets wat niet aan verdachte of de verdediging is te wijten. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de datum van dit vonnis, dit verzuim aanleiding geeft om de hiervoor vermelde gevangenisstraf van 120 dagen te matigen met 5%, zodat dit uitkomt op een gevangenisstraf voor de duur van 114 dagen. De rechtbank zal deze gevangenisstraf dan ook aan verdachte opleggen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 13.080,71 (materiële en immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, op grond van een bewezenverklaarde diefstal uit de woning, volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daartoe heeft hij gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en hem redelijk voorkomt.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu zowel de diefstal uit de woning (feit 1 primair) als de heling (feit 1 subsidiair) niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering moet worden verminderd ten aanzien van de volgende materiële schadeposten:
Beoordeling door de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank overweegt dat verdachte niet wordt veroordeeld voor de diefstal uit de woning, maar voor onder andere de opzetheling van de gestolen creditcard en de diefstal van € 3.000,-. Er bestaat aldus enkel een rechtstreeks verband tussen de diefstal van € 3.000,- (feit 2) en de kostenpost ‘creditcard met pincode van € 3.120,-’. Immers, deze schadepost wordt ook onderbouwd met de afschrijving van 2 x € 1.500,- door een geldopname bij een geldautomaat en de bijbehorende kosten voor kasopname van 2 x € 60,-. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade dan ook toewijzen tot een bedrag van € 3.120,-, nu deze voldoende is onderbouwd en haar redelijk voorkomt.
Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten en de geleden schade. Immers, al deze posten houden verband met de diefstal uit de woning en daarvoor houdt de rechtbank verdachte niet verantwoordelijk. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die ziet op de overige materiële schadeposten.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij immateriële schade heeft geleden ten gevolge van de diefstal uit de woning. De rechtbank begrijpt dat heel goed en ook dat de diefstal uit de woning een grote impact heeft gehad op benadeelde en zijn vrouw gelet op met name het verdwijnen van sieraden uit erfenis. Toch kan de rechtbank het bedrag niet toewijzen omdat zij niet bewezen acht dat verdachte degene is die verantwoordelijk is voor het plegen van de diefstal uit de woning. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het immateriële deel van de gevorderde schadevergoeding. Daardoor staat de weg naar de burgerlijke rechter desgewenst voor de benadeelde partij nog open.
Concluderend

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 3.120,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.
Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 27 april 2016.

-

Gouden armband € 1.515,-. Hierbij moet rekening worden gehouden met een bepaald percentage afschrijving van de goudprijs waarbij “gerefereerd wordt aan het oordeel van de rechtbank”. Deze afschrijving blijkt niet uit de onderbouwing van de vordering;

Overige sieraden € 5.625,-. In deze kostenpost moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu onvoldoende is onderbouwd op basis waarvan de schatting van de sieraden heeft plaatsgevonden;

Creditcard met pincode € 3.120,-. Hierbij wordt verwezen naar hetgeen rond de bewezenverklaring is opgemerkt;

Vervangende sloten € 862,16. In deze kostenpost moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu geen braaksporen zijn aangetroffen in de woning en ook niet uit het dossier blijkt dat er huissleutels zijn weggenomen.

8

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

9

 een voor de duur van
De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

-

veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van aan de , van een bedrag van (drieduizendhonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de in zijn vordering;

legt aan veroordeelde de op , ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag (drieduizendhonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. B.F. Schuver, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2019.

colA
colC

colA
colC


_c7f226f5-7efa-46fe-801e-f470fa892685
1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2016206832, gesloten op 22 februari 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

_cfd81bf0-f8a9-4501-88c1-01030f2e81e3
2

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , p. 6 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 17.

_ac49fa43-e2cf-41a5-b95e-dacce7b1f3f6
3

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 17 tot en met 19.

_0c7847aa-824f-4e15-b605-077a29e63616
4

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 27.

_3d3ea181-74c5-4e54-b8cf-29ff4bc4515d
5

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 35, 37 en 39.

_b4f6d5e1-a174-42b9-a0d0-8f7bffc34b61
6

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 27.

_9289d934-2943-47a6-9159-388026be87d1
7

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 37 en 39.