Uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2019:1

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 21-12-2018. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Gelderland op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBGEL:2019:1, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 17 _ 3271


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 2 januari 2019 [X] , te [Z] , eiseresde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/3271, 17/3315, 17/3316, 17/3317, 17/3318, 17/3319, 17/3320, 17/3321, 17/3322, 17/3323, 17/3324 en 17/3325

in de zaken tussen

en

ECLI:NL:RBGEL:2019:1:DOC
nl

RECHTBANK GELDERLANDuitspraak van de meervoudige belastingkamer van 2 januari 2019 [X] , te [Z] , eiseresde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Zittingsplaats Arnhem
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/3271, 17/3315, 17/3316, 17/3317, 17/3318, 17/3319, 17/3320, 17/3321, 17/3322, 17/3323, 17/3324 en 17/3325

in de zaken tussen

en

procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en boetes opgelegd:

Tevens is bij beschikkingen heffingsrente/belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 mei 2017 de navorderingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente/belastingrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 juni 2017, ontvangen door de rechtbank op 22 juni 2017, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2018.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [A] en mr. [B] .

5

colA

colB

colC

colD

colE

Jaar

Datum

Aanslagnummer

Te betalen (€)

Vergrijpboete (€)

2003

12-12-2016

[000] .H.37

5.085

2.034

2004

10-01-2017

[000] .H.47

5.350

2.140

2005

10-01-2017

[000] .H.57

5.340

2.136

2006

10-01-2017

[000] .H.67

5.333

2.133

2007

10-01-2017

[000] .H.77

5.416

2.166

2008

10-01-2017

[000] .H.87

4.906

4.906

2009

14-01-2017

[000] .H.97

4.598

4.598

2010

14-01-2017

[000] .H.07

4.448

4.448

2011

07-01-2017

[000] .H.17.01

4.307

4.307

2012

07-01-2017

[000] .H.27.01

4.021

4.021

2013

07-01-2017

[000] .H.37.01

3.083

3.083

2014

07-01-2017

[000] .H.47.01

3.113

3.113

Overwegingen

1. Eiseres heeft in haar aangiften IB/PVV voor de jaren 2003 tot en met 2014 geen melding gemaakt van de door haar aangehouden bankrekening bij de Zwitserse UBS-bank (hierna: UBS).
2. UBS heeft haar Nederlandse cliënten in 2014 aangeschreven en verzocht om een bewijs van een juiste fiscale aangifte over te leggen.
3. Op 23 juli 2015 heeft de Belastingdienst in een groepsverzoek informatie opgevraagd bij de Zwitserse Belastingdienst over rekeninghouders bij UBS.
4. Eiseres is door UBS bij een brief van 16 september 2015 op de hoogte gesteld van het informatieverzoek.
5. Op 22 september 2015 heeft de Zwitserse Belastingdienst in het Bundesblatt een officiële aankondiging over het informatieverzoek gepubliceerd. Naar aanleiding van het informatieverzoek heeft de Zwitserse Belastingdienst via UBS Nederlandse cliënten gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het voornemen om de door Nederland verzochte inlichtingen te verstrekken.
6. Een groot aantal van de Nederlandse mediabedrijven heeft op zondag 27 september 2015 bericht dat de Belastingdienst informatie heeft opgevraagd bij de Zwitserse Belastingdienst over rekeninghouders bij UBS.
7. Op 30 september 2015 is er door of namens eiseres contact opgenomen met de Zwitserse autoriteiten.
8. Eiseres heeft op 27 oktober 2015 in verband met haar bankrekening bij UBS een beroep gedaan op de inkeerregeling, zoals deze is opgenomen in artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Gegevens van de aangehouden bankrekening zijn op dat moment niet verstrekt.
9. Op 17 november 2015 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de uitwisseling van informatie. De rechtbank in Sankt Gallen heeft op 21 maart 2016 het informatieverzoek van Nederland afgewezen. Het Zwitserse Bundesgericht heeft echter op 12 september 2016 bepaald dat Zwitserland de gevraagde informatie met Nederland mocht delen.
10. Eiseres heeft bij brief van 22 februari 2016 (door verweerder ontvangen op 3 maart 2016) aan verweerder de gegevens overgelegd van de bij UBS in Zwitserland aangehouden bankrekening.
11. Op 14 juli 2016 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen met vergrijpboetes op te leggen voor de jaren 2003 tot en met 2014.
12. Op 21 december 2016 heeft verweerder aan eiseres een mededeling boete als bedoeld in artikel 67g van de AWR verzonden. Hierin is vermeld dat de boetes zijn gebaseerd op artikel 67e, eerste en zesde lid, van de AWR.
16. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van vrijwillige inkeer in de zin van artikel 67n van de AWR. Voor vrijwillige inkeer is nodig dat de belastingplichtige inkeert voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat verweerder met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn aangifte bekend is of bekend zal worden. Daarbij is niet beslissend of eiseres subjectief vermoedde dat verweerder van de UBS-rekening op de hoogte zou komen, maar of zij dit objectief redelijkerwijs moest vermoeden (vergelijk Hoge Raad 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375). De stelling van eiseres dat uit het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2001 volgt dat zolang er een serieuze mogelijkheid bestaat dat verweerder niet op de hoogte raakt van de onregelmatigheid in de desbetreffende aangifte, een beroep op de inkeerregeling zonder meer mogelijk blijft acht de rechtbank dan ook niet juist.
17. Eiseres is door UBS in een brief van 16 september 2015 schriftelijk geïnformeerd over het feit dat de Belastingdienst om informatie heeft verzocht bij de Zwitserse belastingautoriteiten over UBS-rekeninghouders. Er heeft publicatie in het Bundesblatt plaatsgevonden en vervolgens heeft een groot aantal Nederlandse media op zondag 27 september 2015 over het informatieverzoek bericht. Ook is namens eiseres op 30 september 2015 contact opgenomen met de Zwitserse autoriteiten. Deze feiten laten geen andere conclusie toe dan dat eiseres objectief gezien redelijkerwijs moest vermoeden dat verweerder op de hoogte zou raken van haar rekening bij de UBS-bank en pas toen het voor haar duidelijk werd dat verweerder haar op het spoor zou komen is ingekeerd. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het na het formele beroep op de inkeerregeling van 27 oktober 2015 nog ruim vier maanden heeft geduurd voordat eiseres – nadat verweerder daarom had gevraagd – alle gegevens met betrekking tot de bankrekening aan verweerder heeft verstrekt en daarmee de inkeer pas heeft voltooid.
18. Dat door eiseres bezwaar is gemaakt tegen het verzoek om informatie en dat door het Zwitserse Bundesgericht pas op 12 september 2016 is beslist dat Zwitserland de gegevens daadwerkelijk moest verstrekken, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiseres moest redelijkerwijs vermoeden dat verweerder haar op het spoor zou komen, indien de gegevens zouden worden verstrekt.
19. Omdat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van vrijwillige inkeer, komt zij niet toe aan de beoordeling van de vraag of het toepassen van het nieuwe artikel 67n van de AWR in dit geval in strijd zou komen met het legaliteitsbeginsel en het lex mitior-beginsel. De rechtbank past dit artikel immers niet toe. Om dezelfde reden behoeft de stelling van eiseres over de toepassing van het overgangsrecht bij de wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst in paragraaf 1, derde en vierde lid, geen nadere bespreking. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over dit onderwerp, zoals door eiseres is verzocht.
20. Niet in geschil is dat het aan de opzet van eiseres is te wijten dat de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Verweerder heeft de boetes gebaseerd op artikel 67e, eerste en zesde lid, van de AWR. Vanaf 2 juli 2009 is het zesde lid van dit artikel ingevoerd, waardoor het maximum van de boete werd verhoogd van 100% tot 300% indien de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
21. Verweerder heeft voor de jaren 2003 tot en met 2007 boetes opgelegd van 40%. De wet bepaalde in die tijd een maximum van 100% en in het boetebeleid was dit voor gevallen van (voorwaardelijk) opzet gematigd tot 50%. De opgelegde boetes voor de jaren 2003 tot en met 2007 acht de rechtbank gelet op de ernst van het feit - het gedurende een reeks van jaren verzwijgen van een buitenlandse bankrekening - passend en geboden.
22. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de boetes over 2003 en 2004 ambtshalve te vernietigen in verband met de eventuele te late oplegging van de navorderingsaanslagen. Met de door verweerder ter zitting overgelegde gegevens acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres uitstel heeft gekregen voor het doen van aangifte voor deze jaren, zodat de navorderingsaanslagen tijdig zijn opgelegd.
23. Voor de jaren 2008 tot en met 2014 heeft verweerder boetes opgelegd van 100%. Uitgangspunt daarbij was dat de wet voor die jaren een boetemaximum van 300% bevatte en dat dit maximum in het boetebeleid was gematigd tot 150% in geval van (voorwaardelijk) opzet. De opgelegde boetes over deze jaren acht de rechtbank om dezelfde reden als vermeld in onderdeel 21. eveneens passend en geboden.
24. Wel ziet de rechtbank aanleiding de boetes ambtshalve te matigen, vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting als genoemd in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In beginsel is die termijn overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan (Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Deze termijn begint op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.
25. De rechtbank heeft vastgesteld dat de boetes bij brief van 14 juli 2016 aan eiseres zijn aangekondigd. Op dat moment is de termijn begonnen. Omdat tussen het moment van bekendmaking en deze uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren zijn verstreken, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden. De overschrijding bedraagt afgerond zes maanden. Daarin ziet de rechtbank aanleiding de boetes met 10% te verminderen. Dat leidt tot de volgende bedragen:
27. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Feiten

Geschil

13. In geschil is het antwoord op de vraag of sprake is van vrijwillige inkeer in de zin van artikel 67n van de AWR. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en verweerder ontkennend. Verder is in geschil of de boetes naar het juiste bedrag zijn opgelegd.
14. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij ter zitting hierop hebben aangevuld. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de vergrijpboeten begrepen in de opgelegde navorderingsaanslagen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil

Bewijsaanbod

Vrijwillige inkeer?

Hoogte van de vergrijpboetes

Slotoverwegingen

3

colA

colB

colC

Jaar

Aanslagnummer

Vergrijpboete (€)

2003

[000] .H.37

1.830

2004

[000] .H.47

1.926

2005

[000] .H.57

1.922

2006

[000] .H.67

1.919

2007

[000] .H.77

1.949

2008

[000] .H.87

4.415

2009

[000] .H.97

4.138

2010

[000] .H.07

4.003

2011

[000] .H.17.01

3.876

2012

[000] .H.27.01

3.618

2013

[000] .H.37.01

2.774

2014

[000] .H.47.01

2.801

beslissing

Beslissing

- verklaart de beroepen ongegrond;- vernietigt de uitspraken op bezwaar wat betreft de boetebeschikkingen;- vermindert de boetes ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PVV over 2003 tot en met 2014 tot respectievelijk € 1.830, € 1.926, € 1.922, € 1.919, € 1.949, € 4.415, € 4.138, € 4.003, € 3.876, € 3.618, € 2.774 en € 2.801;- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar.
De rechtbank

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 januari 2019
griffier
voorzitter
colA
colC

Afschrift verzonden aan partijen op:

colA
colC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.