Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:2672

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 23-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:2672, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL20.5179 en NL20.5981


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAG

bold

[eiser] , eiser,de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Söylemez).
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5179 (vervolgberoep) en NL20.5981 (eerste beroep)

V-nummer: [nummer](gemachtigde: mr. J.M. Niemer),
en

ECLI:NL:RBDHA:2020:2672:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG
bold

[eiser] , eiser,de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Söylemez).
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5179 (vervolgberoep) en NL20.5981 (eerste beroep)

V-nummer: [nummer](gemachtigde: mr. J.M. Niemer),
en

procesverloop


Ten aanzien van NL20.5179:

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 6 maart 2020 opgeheven.

Ten aanzien van NL20.5981:

Bij besluit van 6 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Ten aanzien van beide beroepen:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 maart 2020 (in de zaak NL20.4570) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 februari 2020 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat zijn rechtmatig verblijf op 25 februari 2020 is geëindigd, nu hij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en de termijn daarvoor op die datum is verstreken. Ten onrechte is de bewaring, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw voortgezet en vond er geen omzetting plaats. Sinds 25 februari 2020 bevindt eiser zich in bewaring, zonder deugdelijke grondslag en ten onrechte is hij niet in vrijheid gesteld.
Ten aanzien van NL20.5179:

3.1
Verweerder heeft zich in de schriftelijke reactie van 13 maart 2020 op het volgende standpunt gesteld. Op 18 februari 2020 is de asielaanvraag van eiser afgewezen. Tegen deze afwijking kon eiser binnen een week rechtsmiddelen aanwenden. Gebleken is dat hij geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Dit heeft tot gevolg dat eiser niet langer (procedureel) rechtmatig verblijf had op 25 februari 2020. Nu de maatregel niet binnen - de in jurisprudentie gestelde termijn van - twee dagen is omgezet, is verweerder bereid schade te vergoeden voor de periode vanaf 25 februari 2020 tot 6 maart 2020, zijnde 8 x € 80,- voor het verblijf in een huis van bewaring, wat in totaal een bedrag van € 640 ,- maakt.
3.2
De rechtbank stelt vast dat verweerder ten volle heeft erkend dat het rechtmatig verblijf van eiser op 25 februari 2020 is geëindigd en dat verweerder de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw niet tijdig heeft opgeheven, dan wel omgezet. Hierbij merkt de rechtbank op dat het op de weg van verweerder had gelegen om met de vereiste voortvarendheid te handelen, wat niet is gebeurd. Verweerder heeft de nalatigheid echter gecompenseerd met het aanbieden van een schadevergoeding over de periode dat eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten.
3.3
De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder aangeboden schadevergoeding uitgaat van een onjuiste telling. Eiser heeft van 27 februari 2020 tot en met 6 maart 2020 onrechtmatig in bewaring gezeten op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dat betekent dat hij recht heeft op een schadevergoeding over negen dagen x € 80,- voor het verblijf in een huis van bewaring, wat in totaal een bedrag van € 720 ,- maakt. In zoverre is het beroep gegrond.
3.4
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiser.
Ten aanzien van NL20.5981:

4. In de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.1
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft bestreden. Daarom heeft verweerder deze gronden ten grondslag kunnen leggen aan de vaststelling dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren.
5. Eiser heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw te laat is omgezet. Eiser had vrijgelaten moeten worden. Ten onrechte is op 6 maart 2020 de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

5.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de maatregel die op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan eiser was opgelegd onrechtmatig was, niet maakt dat de daaropvolgend opgelegde maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw daarom ook onrechtmatig is.
5.2
In haar uitspraak van 13 juli 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling; ECLI:NL:RVS:2016:2005) als volgt geoordeeld:
“De maatregel van bewaring van 26 april 2016 is een nieuwe maatregel ten opzichte van de maatregel van 15 april 2016. Het volgens de rechtbank aan de maatregel van bewaring van 15 april 2016 klevende gebrek geeft daarom geen aanleiding de toepassing van de maatregel van bewaring van 26 april 2016 reeds hierom van meet af aan onrechtmatig te achten. Dat tussen de eerdere maatregel van bewaring van 15 april 2016 en de daarop aansluitende maatregel van bewaring van 26 april 2016 een samenhang bestaat in die zin dat met deze laatste maatregel de bewaring van de vreemdeling feitelijk voortduurt is daartoe onvoldoende.”

5.3
De rechtbank sluit zich in dit geval bij dit oordeel aan. Dat betekent dat in het geval van eiser de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel niet tot gevolg heeft dat de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw al daarom onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting. Hij had op 25 februari 2020 al uitgezet kunnen worden naar Marokko. Eiser zou pas op 17 maart 2020 worden uitgezet, maar dat is nu geannuleerd omdat er geen vluchten naar Marokko meer zijn in verband met de uitbraak van het coronavirus. Er is dus geen zicht op uitzetting naar Marokko. Eiser wijst in dit verband op de maatregelen die in China zijn genomen om de verspreiding van het virus in te dammen. Deze maatregelen zijn al maanden van kracht en nu pas normaliseert de situatie daar. Als dat in Europa en andere landen ook gaat gelden, dan ontbreekt zicht op uitzetting.

6.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vraag of verweerder van 25 februari 2020 tot en met 6 maart 2020 voldoende voortvarend heeft gehandeld, in het onderhavige beroep niet voorligt. Het gaat nu alleen om de voortvarendheid vanaf 6 maart 2020, de datum waarop onderhavige maatregel is opgelegd. In deze procedure is voldoende voortvarend gehandeld door verweerder. Verweerder heeft de ‘removal order’ gebruikt en eiser zou op 17 maart 2020 worden uitgezet. De uitbraak van het coronavirus maakt dat veel verandert, maar dat betekent niet dat het zicht op uitzetting voor lange duur ontbreekt. Het gaat om een tijdelijk beletsel. Het is nu nog niet duidelijk binnen welke periode wel kan worden uitgezet, maar vooralsnog is het alleen een tijdelijk beletsel. Verweerder beziet elke dag wat de actuele situatie is en zal daar naar handelen.
6.2
De rechtbank is allereerst van oordeel dat in onderhavige beroep de vraag of verweerder tijdens de periode van 25 februari 2020 tot en met 6 maart 2020 voldoende voortvarend heeft gehandeld, niet voorligt. Dit omdat de onderhavige maatregel op 6 maart 2020 is opgelegd. Wat eiser op dit punt heeft aangevoerd, zal de rechtbank daarom niet bespreken.
6.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder vanaf 6 maart 2020 voldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft immers een vlucht geboekt en eiser zou op 17 maart 2020 worden uitgezet naar Marokko. Daarmee heeft verweerder voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Dat de vlucht thans is geannuleerd in verband met de huidige maatregelen ter bestrijding van (de verspreiding van) het coronavirus, leidt niet tot het oordeel dat (thans) geen sprake (meer) is van voldoende voortvarend handelen, nu dit een situatie van overmacht betreft.
6.4
Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat er geen zicht (meer) is op uitzetting binnen een redelijke termijn, oordeelt de rechtbank dat verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt, zoals hiervoor weergegeven. Het is op dit moment nog onduidelijk hoelang de huidige maatregelen ter bestrijding van (de verspreiding van) het coronavirus zullen duren. De uitzettingsbelemmeringen zijn naar hun aard echter tijdelijk. Op dit moment ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om te oordelen dat het zicht op uitzetting naar Marokko op een zodanige manier ontbreekt dat tot opheffing van de maatregel dient te worden overgegaan. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eiser de hiervoor onder 4. weergegeven grondslag en gronden van de maatregel niet heeft bestreden. Vast staat dat de redelijke termijn ten aanzien van de duur van de maatregel op dit moment nog niet in het geding is. Indien de situatie dat tijdelijk niet tot uitzetting kan worden overgegaan te lang gaat voorduren, kan eiser de zaak opnieuw voorleggen. Dit geldt ook voor het geval de maatregelen die in China zijn genomen, zich zouden gaan voordoen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond; - draagt verweerder op € 720,- als schadevergoeding aan eiser te betalen;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De rechtbank:

Ten aanzien van NL205179:

Ten aanzien van NL20.5981:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Ten aanzien van NL20.5179:

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 720,- uit te betalen.

Gedaan op 23 maart 2020, door mr. E.J. van Keken, rechter. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.