Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:2622

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 20-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:2622, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL20.4951


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAG

bold

[eiser] , eiserde staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Rijkelijkhuizen).
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4951

V-nummer: [#](gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

ECLI:NL:RBDHA:2020:2622:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG
bold

[eiser] , eiserde staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Rijkelijkhuizen).
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.4951

V-nummer: [#](gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2020 (het bestreden besluit) is aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 6 maart 2020 de opgelegde maatregel opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder ten onrechte hem in het aanmeldcentrum van het Justitieel complex Schiphol (JCS) in een observatiecel heeft geplaatst gedurende twee dagen in verband met een vermoeden dat hij geïnfecteerd zou zijn met het corona-virus. Eiser kwam weliswaar uit China maar hij was niet ziek. Voor zover wel ervan uit dient te worden gegaan dat eiser terecht in quarantaine is gezet, had verweerder een vriendelijkere omgeving dan een observatiecel moeten vinden om dit uit te voeren.
3.1
De rechtbank stelt voorop dat de grondslag van de maatregel artikel 6, derde lid, Vw is. De maatregel is ook ten uitvoer gelegd in het aanmeldcentrum JCS. Bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring dient de rechtbank zich te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring, bezien in het licht van het daar geldende regime. Voor zover de vreemdeling over de toepassing van het regime binnen die plaats of ruimte klaagt, kan die klacht niet tot gegrondbevinding van het beroep leiden.
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook voor de vreemdelingenrechter geen bevoegdheid om te oordelen over klachten die betrekking hebben op de toepassing van een bestaand en feitelijk aanwezig regime, in dit geval de plaatsing van eiser in een isoleercel.
3.3
Daarbij komt dat verweerder ter zitting het volgende heeft toegelicht: op grond van de mededeling van eiser tijdens het gehoor vóór de inbewaringstelling van 23 februari 2020 dat hij in China studeert en hij daar twee weken in quarantaine heeft gezeten, is door de verbalisanten een risico-inschatting gemaakt waarbij is besloten om eiser tijdelijk in quarantaine te plaatsen. Het voorgaande wordt bevestigd door een door eiser overgelegde “nieuwsflits DC Schiphol” van 23 februari 2020 waarin wordt bericht over de in quarantaine plaatsing van eiser en onder meer wordt aangegeven dat de medewerkers van het Detentiecentrum als extra voorzorgsmaatregel hebben besloten om eiser te plaatsen in de observatie totdat hij was gezien en beoordeeld door een arts. De rechtbank acht deze risico-inschatting niet onredelijk. Dat eiser op dat moment niet ziek was, wat daarvan ook zij, doet daar niet aan af.
3.4
Verder overweegt de rechtbank als volgt. Het grensbewakingsbelang kan niet worden veiliggesteld door het opleggen van een lichter middel en het grensbewakingsbelang vergt in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. De maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt echter niet opgelegd indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft eiser niet naar voren gebracht. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat eiser is gevraagd naar bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat afgezien had moeten worden van oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ook is eiser gevraagd naar bijzondere medische omstandigheden. Eiser heeft verklaard dat hij het geen probleem vindt als de maatregel wordt opgelegd en hij gezond is en geen medicijnen gebruikt.
3.5
Deze beroepsgrond faalt daarom.
4. Eiser voert ten slotte het volgende aan. Uit de door eiser overgelegde e-mail van verweerder van 25 februari 2020 blijkt dat afgeweken wordt van de termijnen zoals beschreven in artikel 3.110 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) tot en met 3.114 Vb. De aanvraag is ingediend op 23 februari 2020. Op 3 maart 2020 is het eerste gehoor gepland en op 5 maart 2020 het nader gehoor. In de overgelegde e-mail van eisers gemachtigde aan verweerder van 28 februari 2020 is verzocht de rust- en voorbereidingstijd van eiser te verkorten dan wel conform de oorspronkelijke termijn te laten verlopen. Ten onrechte heeft verweerder echter de rust- en voorbereidingstijd niet verkort. Indien verweerder dit wel had gedaan, had eiser immers korter in bewaring gezeten.

4.1
De rechtbank stelt vast dat het eerste gehoor op 2 maart 2020 en het nader gehoor op 4 maart 2020 heeft plaatsgevonden. De termijnen die in de e-mail van verweerder van 25 februari 2020 genoemd zijn, zijn dus kennelijk door verweerder naar aanleiding van de e-mail van de gemachtigde van eiser met een dag verkort. Voor zover eiser beoogt te stellen dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, overweegt de rechtbank dat dit slechts terughoudend kan worden getoetst in deze procedure. Slechts wanneer evident is dat de aanvraag niet meer in de grensprocedure kan worden afgedaan, bijvoorbeeld als vaststaat dat de termijn van 28 dagen zal worden overschreden, kan hieraan in deze procedure een conclusie ten aanzien van de vrijheidsontnemende maatregel worden verbonden (vergelijk bijvoorbeeld uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 november 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:9832). De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. De beroepsgrond faalt.
5. Het beroep is daarom ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.