Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:2587

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 23-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:2587, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL20.5142


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAG

bold

[naam eiser] , eiserde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs)
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5142

V-nummer: [nummer](gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),
en

ECLI:NL:RBDHA:2020:2587:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG
bold

[naam eiser] , eiserde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs)
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5142

V-nummer: [nummer](gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),
en

procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Eiser en gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum eiser] en stelt de Russische nationaliteit te hebben. Op 4 februari 2020 heeft hij de asielaanvraag ingediend. Eiser legt daaraan ten grondslag dat hij in Polen als gevolg van zijn leeftijd en gezondheidsproblemen geen werk kan krijgen en hij hierdoor geen woning en geen zorgverzekering kan verkrijgen.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Polen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Polen zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet nakomt en dat niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het geval van dreigende of zich voortdoende problemen kan eiser bescherming inroepen van de (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties in Polen.
3. Eiser betoogt dat ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt te vrezen dat hij bij terugkeer naar Polen zal worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Het rechtssysteem in Polen staat op losse schroeven, de democratie wordt uitgehold en het Europees Parlement is een procedure op grond van artikel 7, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) gestart. Eiser verwijst naar het Amnesty International Report 2017/8 (‘The state of the World’s Human Rights-Poland’), het World Report 2018- European Union, van Human Rights Watch, het AIDA rapport van 28 februari 2018 (update van 11 maart 2019), de brief van Vluchtelingenwerk van 4 december 2019 en een artikel van NRC van 17 november 2019 ‘ Eiser betoogt dat de informatie uit deze bronnen weliswaar tot dusver overwegend aan de orde is gesteld in procedures van asielzoekers, maar dat wil niet zeggen dat de informatie uit deze bronnen waaruit blijkt dat ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing zou zijn op statushouders. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij, als gevolg van zijn leeftijd en gezondheidsproblemen, niet langer in staat is in Polen werk te vinden. Onder verwijzing naar eerder genoemde algemene bronnen stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte van hem verlangt zich over de ondervonden problemen te wenden tot de Poolse autoriteiten, omdat sprake is van structurele problemen in de Poolse rechtstaat.
3.1.
In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Polen is gebonden aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dient zich te houden aan de Europese Richtlijnen. Als Polen zich hieraan niet houdt, dient eiser zich daarover te beklagen bij de (hogere) autoriteiten. Niet gebleken is dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat of bij voorbaat kansloos is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van 30 januari 2019 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:282 en naar de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 29 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4599. Daarin is geoordeeld dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
3.2.
De door eiser aangehaalde artikelen doen hieraan niet af. Uit deze artikelen volgt weliswaar dat er sprake is van zorgwekkende omstandigheden, maar daaruit volgt niet dat er ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarnaast hebben de Poolse autoriteiten bevestigd dat eiser in Polen subsidiaire bescherming geniet die nog steeds van kracht is.
Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser geen concrete aanwijzingen heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij heeft te vrezen voor deportatie naar zijn land van herkomst. Het enkele geval waarnaar wordt verwezen in het door eiser aangehaalde mensenrechtenrapport van het US Department of State van 13 maart 2019, maakt nog niet dat in het algemeen Russische statushouders hebben te vrezen voor deportatie naar Rusland.

Uit de verklaringen van eiser volgt voorts niet dat in Polen een situatie aan de orde is die leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM en dat van eiser in redelijkheid niet verwacht kan worden terug te keren naar Polen. De enkele omstandigheid dat de situatie voor statushouders in Polen niet optimaal is, betekent nog niet dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Niet is gebleken dat de omstandigheden van statushouders in het algemeen en van eiser in het bijzonder tot een onhoudbare situatie leiden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat de autoriteiten van Polen eiser een status hebben verleend, zodat hij aanspraak kan maken op daaruit voortvloeiende rechten. In dat verband heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser volgens zijn eigen verklaringen in het verleden in Polen heeft gewerkt en woonruimte heeft gehad.

Verweerder stelt terecht dat van eiser verwacht kan worden zich bij voorkomende problemen te wenden tot de Poolse autoriteiten. Het beroep van eiser op de informatie in de genoemde bronnen kan eiser niet baten. Nog afgezien van het feit dat de informatie ziet op de situatie in Polen voor (Tsjetsjeense) asielzoekers en vluchtelingen en niet op de situatie van statushouders, blijkt hieruit niet dat de Poolse rechterlijke macht thans niet onafhankelijk is en de Poolse autoriteiten niet structureel bescherming (kunnen) bieden tegen voorkomende problemen (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 26 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10607). De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte ervan uitgaat dat hij internationale bescherming in Polen geniet. Hij stelt dat de autoriteiten in Polen er vermoedelijk niet mee bekend zijn dat hij naar zijn land van herkomst is gereisd. Hij meent dat zijn vergunning daarom niet zal worden verlengd, in welk verband hij stelt dat de verblijfsvergunning van zijn zoon om dezelfde reden niet is verlengd. Daarnaast acht eiser het merkwaardig dat verweerder pas in het bestreden besluit de terugkeer naar het land van herkomst ongeloofwaardig heeft geacht.

4.1.
Uit de informatie van de Poolse autoriteiten van 20 februari 2020 blijkt dat eiser sinds 17 april 2007 subsidiaire bescherming geniet die nog altijd van kracht is. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft verweerder terecht van de juistheid van deze informatie over de verblijfstatus van eiser in Polen uit mogen gaan. Dat verweerder pas in het bestreden besluit de terugkeer naar het land van herkomst ongeloofwaardig acht, doet niet af aan het voorgaande. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser heeft nagelaten met stukken te onderbouwen dat hij naar zijn land van herkomst is gereisd. Reeds daarom kan eiser niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij om die reden geen verlenging van zijn vergunning van Polen zal krijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Tot slot voert eiser in beroep aan dat hij moet worden beschouwd als een bijzonder kwetsbaar persoon als bedoeld in het arrest van C.K. e.a. tegen Republika Slovenija van 16 februari 2017, ECLI:EU:2017:15. Eiser heeft een hoge bloeddruk en prostaatproblemen. Niet valt uit te sluiten dat terugkeer naar Polen een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand inhoudt, aldus eiser.

5.1.
Deze beroepsgrond faalt, al omdat eiser zijn gestelde klachten niet met medische stukken heeft onderbouwd. Verweerder heeft terecht overwogen dat het door eiser aangehaalde arrest C.K. tegen Republika Slovenija ziet op een andere situatie, namelijk overdracht in het kader van de Dublinverordening aan de verantwoordelijke lidstaat. Die situatie is niet aan de orde, nu eiser terug dient te keren naar Polen en daar als statushouder uitgaande van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aanspraak kan maken op medische zorg. Niet is gebleken dat de Poolse autoriteiten de benodigde medische zorg niet kunnen of willen bieden. Verweerder heeft in dit verband terecht overwogen dat eiser bij voorkomende problemen zich kan beklagen bij de (hogere) Poolse autoriteiten. Dat hij hiertoe de mogelijkheid niet heeft of dat dit op voorhand zinloos is, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op . Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.