Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:2584

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:2584, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 12-1165


Bron: Rechtspraak

center
100
d3536554-84ba-40b8-8981-f9c2963a5a4b
2
13
image/png

center
100
2eae4c08-6303-458e-8702-bcd8b12d2f63
2
523
image/png

wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,3. , bij leven wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 4. , wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,5. , wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,12. , wonende te [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,18. de stichting , gevestigd te Heemskerk,
wonende te [woonplaats 3] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,3. , wonende te [woonplaats 4] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 5. , wonende te [woonplaats 5] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,6. , wonende te [woonplaats 6] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 10. , wonende te [woonplaats 7] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,11. ,wonende te [woonplaats 8] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 12. , wonende te [woonplaats 9] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,13. , wonende te [woonplaats 10] , [woonplaats 10] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 18. de stichting, gevestigd te Heemskerk,
RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 25 maart 2020

in de procedures van

zaaknummer / rolnummer: C/09/428182 / HA ZA 12-1165

zaaknummer / rolnummer C/09/458254 / HA ZA 14-96

zaaknummer/rolnummer C/09/467029 / HA ZA 14-653

[eisende partij 14]

wonende te [woonplaats 17] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,
zaaknummer/rolnummer C/09/472892 / HA ZA 14-1020

2 [eisende partij 1] ,2 [eisende partij 6] ,

ECLI:NL:RBDHA:2020:2584:DOC
nl

center
100
d3536554-84ba-40b8-8981-f9c2963a5a4b
2
13
image/png

center
100
2eae4c08-6303-458e-8702-bcd8b12d2f63
2
523
image/png

wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,3. , bij leven wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 4. , wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,5. , wonende te [woonplaats 1] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,12. , wonende te [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,18. de stichting , gevestigd te Heemskerk,
wonende te [woonplaats 3] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,3. , wonende te [woonplaats 4] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 5. , wonende te [woonplaats 5] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,6. , wonende te [woonplaats 6] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 10. , wonende te [woonplaats 7] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,11. ,wonende te [woonplaats 8] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 12. , wonende te [woonplaats 9] , [woonplaats 2] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,13. , wonende te [woonplaats 10] , [woonplaats 10] , Zuid-Sulawesi, Indonesië, 18. de stichting, gevestigd te Heemskerk,
RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 25 maart 2020

in de procedures van

zaaknummer / rolnummer: C/09/428182 / HA ZA 12-1165

zaaknummer / rolnummer C/09/458254 / HA ZA 14-96

zaaknummer/rolnummer C/09/467029 / HA ZA 14-653

[eisende partij 14]

wonende te [woonplaats 17] , Zuid-Sulawesi, Indonesië,
zaaknummer/rolnummer C/09/472892 / HA ZA 14-1020

2 [eisende partij 1] ,2 [eisende partij 6] ,
1

2. ,beiden wonende te [woonplaats 11] , Indonesië,
zaaknummer/rolnummer C/09/472901 / HA ZA 14-1021

2

wonende te [woonplaats 12] , Indonesië,3. ,wonende te [woonplaats 13] , Indonesië, 5. ,wonende te [woonplaats 14] , Indonesië,6. ,wonende te [woonplaats 15] , Indonesië,7. ,wonende te [woonplaats 16] , Indonesië,
eisers en eiseressen, advocaat: mr. A. Vossenberg te Amsterdam,
tegen

in alle procedures

de publiekrechtelijke rechtspersoon ,zetelend te Den Haag,gedaagde,advocaat: mr. K. Teuben te Den Haag.
Gedaagde in alle zaken blijft aangeduid als ‘de Staat’. Eiser sub 18 in de procedures met zaak-/rolnummer C/09/428182 / HA ZA 12-1165 en C/09/458254 / HA ZA 14-96 blijkt aangeduid als ‘Stichting KUKB’ en de natuurlijke personen die als eisende partij optreden worden net als in de eerdere tussenvonnissen individueel aangeduid met (het laatste gedeelte van) hun eigen naam en tezamen als ‘de weduwen en kinderen’.

Na het uitbrengen van de dagvaardingen is een aantal weduwen en kinderen overleden. Bij gebreke van een schorsing en artikel zijn zaak op grond van wetsartikel 225 lid 2 Rv voortgezet op hun naam.

1

1.1.
Het verdere verloop van de procedures blijkt uit:
-

het tussenvonnis van 31 januari 2018 en de daarin genoemde stukken;

de processen-verbaal van de getuigenverhoren op 3, 9, 17, 19, 24, 25 en 30 april 2018, 1 mei 2018, 25, 26 en 28 juni 2018, 2, 3, 5, 6 en 11 juli 2018, 18 en 23 oktober 2018 en 7 februari 2018;

de conclusies na enquête van partijen;

de aktes van partijen in de zaken [eisende partij 15] en [eisende partij 16] .

1.2.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.
overwegingen

2

Inleiding

2.1.
De weduwen en kinderen stellen dat hun echtgenoten en vaders in 1946-1947 zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen in het toenmalige Zuid-Celebes in Nederlands-Indië, het huidige Zuid-Sulawesi in Indonesië. Zij houden de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die zij daardoor stellen te hebben geleden.
2.2.
Zoals is overwogen in de tussenvonnissen, is voor toewijzing van de vorderingen vereist dat in rechte komt vast te staan dat de weduwen en kinderen 1) weduwe of kind zijn van 2) een destijds door Nederlandse militairen onrechtmatig geëxecuteerde man. De weduwen en kinderen dragen de bewijslast van deze stellingen. In alle zaken twisten partijen over de door de weduwen en kinderen gestelde toedracht van het overlijden van hun echtgenoot of vader. Alle weduwen en kinderen zijn toegelaten dit te bewijzen. Daarnaast zijn [eisende partij 9] , [eisende partij 16] en [eisende partij 21] wier identiteit en/of de familierechtelijke band met de overleden man niet vaststaat, toegelaten tot het bewijs daarvan. De weduwen en kinderen hebben schriftelijk bewijs bijgebracht en bewijs door het horen van getuigen.
Het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige R. Cribb

2.3.
In het tussenvonnis van 27 januari 2016 heeft de rechtbank in de procedures met zaak-/rolnummers C/09/428182 / HA ZA 12-1165, C/09/458254 / HA ZA 14-96, en C/09/467029 / HA ZA 14-653 de historicus R. Cribb (hierna: Cribb) benoemd als deskundige, met het oog op beantwoording van – voor zover van belang – de volgende vragen:
arabic

Zijn op de erebegraafplaats Tanete uitsluitend mannen (her)begraven die slachtoffer waren van onrechtmatige executies tijdens zuiveringsacties in 1946 en 1947 door militairen van het DST en/of andere KNIL-eenheden ? Kan dus worden uitgesloten – zo ja, op grond waarvan – dat op de erebegraafplaats van Tanete (ook) doden zijn (her)begraven die door andere omstandigheden om het leven zijn gekomen waarvoor de Staat niet aansprakelijk te houden is, zoals bijvoorbeeld slachtoffers van legitieme gevechtshandelingen ?

Liggen in het ommuurde gedeelte van het ereveld op Suppa uitsluitend slachtoffers van het bloedbad in dat dorp op 28 januari 1947 ? Kan worden vastgesteld op de graven die buiten het ommuurde gedeelte van het ereveld van Suppa liggen van standrechtelijk geëxecuteerde personen zijn ?

Kan op basis van de locatie van een graf op het ereveld Taccorong worden vastgesteld of de persoon in kwestie standrechtelijk is geëxecuteerd ? Blijkt uit de locatie van de graven van [A] en [B] op de begraafplaats Taccorong dat deze mannen standrechtelijk zijn geëxecuteerd ?

Is bij het (her)begraven op deze drie erebegraafplaatsen ten aanzien van iedere overledene nagegaan of hij slachtoffer was van een onrechtmatige executie voordat hij daar werd (her)begraven ? Zo ja, hoe is dat gebeurd en door wie ? Is dit in enige administratie vastgelegd en kan daarvan een afschrift worden verkregen ?

Kunt u vaststellen of op de erebegraafplaats in Tanete (her)begraven zijn de echtgenoten van partijen [eisende partij 6] , [eisende partij 8] , [eisende partij 12] en [eisende partij 7] , en zo ja, op basis van welke concrete gegevens (anders dan alleen de eigen partijverklaring) ?

Wanneer, in opdracht van wie, door wie en op welke wijze is de ‘ opgesteld? Zijn hierop uitsluitend slachtoffers van een onrechtmatige executie vermeld, en zo ja, op grond waarvan trekt u die conclusie ? Zo niet, kunt u vaststellen of de op deze lijst vermelde vader van partij [eisende partij 5] ( [C] ) slachtoffer was van een onrechtmatige executie, en zo ja, op basis van welke concrete gegevens (anders dan alleen de eigen partijverklaring) komt u tot die conclusie ?

Op welke wijze zijn de vier in het geding gebrachte lijsten van de sociale dienst opgesteld ? Zijn hierop uitsluitend slachtoffers van een onrechtmatige executie vermeld, en zo ja, op grond waarvan trekt u die conclusie ? Zo niet, kunt u vaststellen of de op deze lijst vermelde echtgenoten en vaders van partijen in deze procedure – te weten op de eerste lijst: de echtgenoten van [eisende partij 14] ( [D ] ) en de vaders van [eisende partij 1] ( [E ] ) , [eisende partij 2] ( [F] ) en [eisende partij 4] ( [G] ), op de tweede lijst de (gestelde) echtgenoten van [eisende partij 6] ( [H] ), [eisende partij 8] ( [I ] ), [eisende partij 12] ( [J] ), [eisende partij 7] ( [K] ), [eisende partij 9] ( [A] ), [eisende partij 10] ( [B] ) en [eisende partij 11] ( [L] ) en de vader van [eisende partij 5] ( [C] ), op de derde lijst de (gestelde) echtgenoten van [eisende partij 9] ( [A] ) en [eisende partij 10] ( [B] ) en op de vierde lijst de echtgenoten van [eisende partij 6] ( [H] ), [eisende partij 8] ( [I ] ), [eisende partij 12] ( [J] ) en [eisende partij 7] ( [K] ) – slachtoffers waren van onrechtmatige executies, en zo ja, op basis van welke concrete gegevens (anders dan alleen de eigen partijverklaring) komt u tot die conclusie ?

Kunt u vaststellen of op of rond 14 januari 1947 onrechtmatige executies hebben plaatsgehad in de plaats die tegenwoordig kampong Coka wordt genoemd en – zo ja – of de vader van [eisende partij 3] ( [M] ) daarbij om het leven is gekomen ?

2.4.
In het tussenvonnis van 27 juli 2016 is de opdracht van Cribb uitgebreid met de volgende vragen (doorgenummerd ten opzichte van de onder 2.3 bedoelde vragen):
9. Heeft begin 1947 na de zuiveringen in Makassar een standrechtelijke executie plaatsgehad bij de brug bij Katimbang, waarbij de echtgenoot van [eisende partij 15] , [N] , door Nederlandse militairen is doodgeschoten ?
in zaak C/09/472892 / HA ZA 14-1020:

in zaak C/09/472901 / HA ZA 14-1021:

10. Blijkt uit de locatie van de graven van [O] , [P] , [Q] en [R] op de begraafplaats TMP Ganggawa Mario dat deze mannen door Nederlandse militairen standrechtelijk zijn geëxecuteerd en, zo ja, waarom, of zo nee, waarom niet ?10. Is bij het (her)begraven op deze erebegraafplaats ten aanzien van iedere overledene nagegaan of hij slachtoffer was van een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen voordat hij werd (her)begraven ? En, zo ja, hoe en door wie en is dat in enige administratie vastgelegd en kan daarvan afschrift worden verkregen ?10. Is de vermelding van de namen van de hiervoor genoemde mannen op de gedenkmuur van Ganggawa Mario relevant voor de beantwoording van de vraag of deze mannen standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen – en, zo ja, in welke zin ?10. Wanneer, in opdracht van wie, door wie en op welke wijze is de slachtofferlijst Ganggawa Mario opgesteld ? Staan hierop uitsluitend slachtoffers van standrechtelijke executies door Nederlandse militairen en zo ja, op grond waarvan trekt u deze conclusie ?10. Kunt u vaststellen of de echtgenoten van [eisende partij 17] ( [O] ) en [eisende partij 19] ( [P] ) zijn omgekomen bij de standrechtelijke executies door Nederlandse militairen die op 7 februari 1947 hebben plaatsgevonden in Bulo Wattang ?
2.5.
Tijdens de comparitie van partijen op 27 oktober 2017 is het concept-rapport besproken met Cribb, die zich tijdens de zitting in zijn werkkamer in Australië bevond. Met instemming van partijen gebeurde dit via een skype-verbinding. Na deze comparitie heeft Cribb zijn eindrapport uitgebracht.
2.6.
De weduwen en kinderen zetten uiteen dat zij de overtuiging hebben dat Cribb een kwalitatief gebrekkig onderzoek heeft verricht, zich onvoldoende op de feiten heeft georiënteerd en kansen om een waardevolle, inhoudelijke bijdrage aan deze zaken te leveren heeft laten liggen. Zij concluderen dat het onderzoek van Cribb weinig toevoegt aan het dossier.
2.7.
De rechtbank onderschrijft deze conclusie van de weduwen en kinderen niet. Met hun opmerkingen over het niet of onvoldoende spreken met personen ter plaatse, gaan zij eraan voorbij dat de opdracht aan Cribb was om zijn onderzoek te verrichten aan de hand van historische en verifieerbare bronnen die objectief inzicht geven in de achtergronden van de onderzochte erebegraafplaatsen en de totstandkoming van de onderzochte lijsten. Verder had Cribb als door de rechtbank benoemde deskundige een grote mate van vrijheid bij de inrichting en uitvoering van zijn onderzoek. In zijn eindrapport en tijdens de comparitie van partijen heeft Cribb het door hem verrichte onderzoek en de daarbij door hem gemaakte keuzes toegelicht. De rechtbank laat de opmerkingen van de weduwen en kinderen verder voor wat ze zijn, nu zij niet verzoeken daaraan enige consequentie te verbinden. De rechtbank ziet daar ambtshalve ook geen aanleiding toe. Zij zal het rapport van Cribb betrekken in de bewijsbeoordeling.
Algemene overwegingen over het bijgebrachte getuigenbewijs

2.8.
Het horen van de getuigen, die zich op verschillende locaties in Indonesië bevonden, wordt beheerst door artikel 176 Rv: Indonesië is geen partij bij het Haags Bewijsverdrag 1970 of het Haags Rechtsvorderingsverdrag van 1954 of bij enig op dit punt relevant bilateraal verdrag met Nederland en de EU-Bewijsverordening is niet van toepassing. Nu artikel 176 Rv bepaalt dat de rechter de getuige op de daarin beschreven wijze horen, biedt deze bepaling naar het oordeel van de rechtbank ruimte voor het op andere wijze, door middel van ‘telehoren’, horen van een zich in het buitenland bevindende getuige. De getuigen zijn gehoord overeenkomstig de afspraken die de rechter-commissaris hierover met partijen heeft gemaakt tijdens de regiezitting van 12 februari 2018. Voor zover van belang houden deze afspraken het volgende in:
-

tijdens de verhoren bevond de rechter-commissaris zich met de griffier, de advocaten van partijen, de tolk (Nederland/Bahasa Indonesia) en publiek zich in de zittingzaal in de rechtbank,

de getuigen bevonden zich op de door partijen in onderling overleg geregelde locaties in Zuid-Sulawesi, Indonesië (Hotel Dalton te Makassar, de school Wisma Sang Surya te Bulukumba , een kantoor in Bonto Bangun, Resto Fly Over te Suppa , Hotel ‘M’ te Pinrang , het kantoor van het subdistrict te Kulo en een kantoor in Bulohole);

de identiteit van de getuigen is vastgesteld door mevrouw [X] , die ook tijdens de verhoren aanwezig is geweest;

de identiteit van de getuigen is vastgesteld door mevrouw [X] ,

de verhoren vonden plaats via een een beveiligde digitale vergaderruimte (een zogenaamde MCU) van de rechtspraak en – in voorkomend geval toen die verbinding niet werkte – via skype;

voldaan is aan de formaliteiten van artikel 177, lid 1 en 2, Rv, waarbij door alle getuigen de belofte is afgelegd;

de vragen aan de getuigen en hun antwoorden op die vragen zijn letterlijk in het Nederlands weergegeven in de processen-verbaal van verhoor;

de vragen zijn in het Nederlands gesteld en door de in de zittingzaal aanwezige tolk vertaald naar Bahasa Indonesia. De getuigen die Bahasa Indonesia spraken, hebben in die taal hun verklaring afgelegd, die naar het Nederlands is vertaald door de in de zittingzaal aanwezige tolk;

voor de getuigen die Makassar of Boeginees spraken, zijn de vragen door de in Indonesië aanwezige tolk vertaald van het Bahasa Indonesia naar Makassar of Boeginees, waarop de getuigen hun verklaring in het Makassar of Boeginees hebben afgelegd. Die verklaring is door de in Indonesië aanwezige tolk vertaald naar Bahasa Indonesia en vervolgens door de in de zittingzaal aanwezige tolk van Bahasa Indonesia naar het Nederlands;

in de zittingzaal hebben door de advocaten van de weduwen en de kinderen ingeschakelde uit Indonesië afkomstige promovendi/studenten (de vertaling van) hetgeen gezegd werd in Makkassar en Boeginees gecontroleerd en in voorkomend geval daarover opmerkingen gemaakt, die in de processen-verbaal van verhoor zijn genoteerd;

de getuigen hebben hun verklaring niet ondertekend;

de verklaringen zijn niet gedicteerd en voorgelezen;

van het verhoor zijn beeld- en geluidsopnamen gemaakt, die zijn verstrekt aan partijen.

2.9.
De rechter-commissaris, die deel uitmaakt van de meervoudige kamer, die dit vonnis wijst, heeft de getuigen gehoord, waarna de in de zittingzaal aanwezige advocaten de getuigen hebben kunnen bevragen. Door het aldus horen van de getuigen is bewerkstelligd dat de rechtbank, overeenkomstig de in artikel 155 Rv vooropgestelde regel, de getuigen zelf heeft gehoord en is voorts recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor.
2.10.
Voor de waardering van het bewijs gelden de eerdere overwegingen daarover in de tussenvonnissen, waarnaar de rechtbank kortheidshalve verwijst. De rechtbank voegt daar het volgende aan toe.
2.11.
Met partijen is afgesproken dat aan de verklaringen van de getuigen de bewijswaarde zal worden toegekend van getuigenbewijs in de zin van artikel 163 Rv. Dat betekent dat de verklaringen van de weduwen en kinderen, die als partijgetuige zijn gehoord in hun eigen zaak, omtrent de door hen te bewijzen feiten geen bewijs in hun voordeel kunnen opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Het steunbewijs dient zodanig sterk te zijn en essentiële punten te betreffen dat het de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt.
2.12.
De in artikel 163 Rv bedoelde eigen waarneming van een getuige is niet beperkt tot directe waarnemingen als ooggetuige; gegevens van horen zeggen zijn voor bewijs vatbaar.
2.13.
Afgezien van de hiervoor weergegeven regel voor de bewijskracht van partijgetuigen verklaringen, vergt de toepasselijke vrije bewijsleer niet dat een bewijsmiddel wordt ondersteund door ander bewijs. De te bewijzen feiten kunnen dus worden gebaseerd op één bewijsmiddel, bijvoorbeeld de verklaring van een getuige. Vanwege de beperkte bewijskracht, kan dat niet een verklaring van een partijgetuige zijn.
2.14.
Een aantal getuigen heeft een verklaring afgelegd die (sterk) afwijkt van een eerder in het geding gebrachte schriftelijke verklaring. In eerdere tussenvonnissen heeft de rechtbank in algemene zin overwogen dat veel schriftelijke verklaringen geen redenen van wetenschap bevatten en dat onduidelijk is hoe de schriftelijke verklaringen tot stand zijn gekomen. De rechtbank zal daarom de schriftelijke verklaringen niet voor het bewijs gebruiken. Zij zal alleen gebruik maken van de verklaringen van de getuigen.
2.15.
De getuigenverklaringen zijn onder ede afgelegd op vragen van de rechtbank en partijen. Anders dan de Staat bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om getuigenverklaringen als onbetrouwbaar ter zijde te laten als zij afwijken van eerdere schriftelijke verklaringen. De onduidelijkheid over de wijze van totstandkoming van de schriftelijke verklaringen, staat eraan in de weg om op basis daarvan de getuigenverklaringen als onbetrouwbaar aan te merken. De rechtbank zal dus alle getuigenverklaringen betrekken in de bewijsbeoordeling, ook als zij afwijken van eerdere schriftelijke verklaringen van dezelfde persoon.
2.16.
Over het algemeen hebben de getuigen geen precisering gegeven van tijdstippen of een periode, uitgedrukt in concrete maanden en/of data. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat personen zoals deze getuigen, die destijds op het platteland in Zuid-Sulawesi woonden, niet hetzelfde besef van tijd hadden (en in veel gevallen nog steeds niet hebben) als mensen die in Nederland woonden en dat zij tijdstippen niet – zoals te doen gebruikelijk in Nederland – in termen van jaren en maanden aanduiden. Zij duiden tijdstippen veeleer aan met het seizoen (regentijd of de droge tijd) aanduiden en/of bepaalde stadia van het bebouwen en het bewerken van het land (bijvoorbeeld het inzaaien van rijst of het oogsten van mais). Dit gebeurt overigens in Nederland ook wel, als wordt geput uit de herinnering, zeker als een kwestie zich lang geleden heeft voorgedaan.
2.17.
Het hiervoor besproken ontbrekend of afwijkend besef van tijd komt ook tot uiting in het gegeven dat een aantal getuigen niet wist hoe oud zij waren ten tijde van de gebeurtenissen waarover zij verklaarden of in het kader van de formaliteiten een leeftijd noemde, die niet strookte met de leeftijd die vermeld staat op hun identiteitsbewijs. De rechtbank ziet in de aantoonbare onjuistheden op dit punt geen grond om de getuigenverklaring reeds hierom als zodanig in twijfel te trekken.
2.18.
De weduwen en kinderen hebben naar voren gebracht dat personen zoals zij en de gehoorde getuigen die de zuiveringsacties hebben meegemaakt, uit een ander tijdperk en een andere wereld komen. De moderne Westerse referentiekaders kunnen niet zonder meer op hen worden toegepast, aldus de weduwen en kinderen, die wijzen op het deskundigenbericht van professor Herman Slaats over de partijen in de zaak [… 1] c.s., over executies in Rawagede te Java in 1947. Daarin wordt gesproken van “ De weduwen en kinderen betogen dat dit evenzeer (zo niet méér) waar is voor hen en de gehoorde getuigen, die uit het minder welvarende Zuid-Sulawesi komen. Zij wijzen erop dat hun wereld destijds bijzonder klein was en dat vandaag de dag nog steeds is.
2.19.
De rechtbank heeft oog voor de niet ter discussie staande culturele verschillen, die zich uiten in andere tradities en levensstijl. De rechtbank houdt hier rekening mee bij de waardering van de getuigenverklaringen.
2.20.
De weduwen en kinderen verwijzen herhaald naar hetgeen uit historisch onderzoek, waaronder het proefschrift van R. Limpach, bekend is over de aard en omvang van het toegepaste geweld. De in de aangehaalde bronnen beschreven grootschalige omvang en het structurele karakter van de misdragingen van Nederlandse militairen in 1946-1949 staan niet ter discussie. Aan Indonesische zijde zijn echter ook slachtoffers gevallen als gevolg van legitieme gevechtshandelingen. De rechtbank acht het verder een feit van algemene bekendheid dat in de chaotische periode in 1947-1949 ook dodelijke slachtoffers zijn gevallen als gevolg van andere gewelddadige oorzaken dan misdragingen van Nederlandse militairen. Dit een en ander staat in de weg aan het, alleen op grond van de grootschalige omvang en het structurele karakter van de misdragingen van Nederlandse militairen, trekken van conclusies in gevallen waarin niet kan worden uitgesloten dat een man het slachtoffer is van legitieme gevechtshandelingen dan wel concrete aanknopingspunten dat de man door Nederlandse militairen is gedood ontbreken.
Algemene bewijsthema’s

2.21.
In de eerdere tussenvonnissen zijn erebegraafplaatsen en slachtofferlijsten als algemene bewijsthema’s geïdentificeerd en besproken. De weduwen en kinderen stelden dat op grond van het begraven zijn op een aantal erebegraafplaatsen en/of vermelding op de door hen in het geding gebrachte slachtofferlijsten, als vaststaand kon worden aangenomen dat de man in kwestie het slachtoffer was van een onrechtmatige executie door Nederlandse militairen. De rechtbank zal hierna deze algemene bewijsthema’s bespreken, eerst (a) de erebegraafplaatsen en dan (b) op de slachtofferlijsten. Daarna zal de rechtbank (c) de individuele bewijsposities van de weduwen en kinderen bespreken. Onder (d) komt aan de orde of en in hoeverre de vorderingen toewijsbaar zijn.
(a) De erebegraafplaatsen

2.22.
De bewijswaarde van het begraven zijn op (een bepaald deel van) de erevelden (a1) TMP Suppa , (a2) TMP Taccorong, (a3) TMP Tanete, (a4) TMP Ganggawa Mario en (a5) TMP Panaikang staat ter discussie.
(a1) TMP Suppa

2.23.
Vaststaat dat op 28 januari 1947 een massa-executie heeft plaatsgevonden in Suppa . [eisende partij 1] , [eisende partij 2] en [eisende partij 4] stellen dat hun vaders [E ] , [F] en [G] toen zijn doodgeschoten door Nederlandse militairen en daarna zijn begraven in of bij TMP Suppa . [eisende partij 13] en [eisende partij 14] stellen dat hun echtgenoten [S] en [D ] eveneens zijn doodgeschoten tijdens de massa-executie in Suppa op 28 januari 1947 en zijn begraven in of bij TMP Suppa .
2.24.
TMP Suppa is een ommuurd gedeelte van een algemene begraafplaats, met daarin één groot massagraf, verdeeld over verschillende grafkuilen. In dat ommuurde gedeelte staan willekeurig geplaatste en verweerde stenen grafzuilen zonder vermelding van de namen van de daar begraven doden. Dat is te zien op deze foto die Cribb heeft gemaakt tijdens zijn bezoek aan deze erebegraafplaats.
center
100
c387ae15-9ef4-4afa-a0ac-d339be4e312c
259
352
image/png

2.25.
Cribbs antwoord op vraag 4 luidt voor TMP Suppa :
“De lijken van de slachtoffers bij Suppa zijn ogenschijnlijk nooit herbegraven. Hun oorspronkelijke teraardestelling in 1947 was een massabegraving van slachtoffers van een massacre in oorlogstijd. Het is niet te verwachten dat aparte administratie zou hebben plaatsgevonden.”

2.26.
Cribbs antwoord op vraag 2 luidt:
“Net als bij het ereveld Tanete is er geen aanwijzingen betreffende de omstandigheden waarin de overledene stierven. Er is een groot verschil tussen het ommuurde gedeelte van het ereveld op Suppa en het gedeelte buiten de muren. Binnen het ommuurde gedeelte van het ereveld staan een groot aantal grafstenen in drie rijen. De stenen zijn veel dichter bij elkaar dan gewoonlijk is in een Taman

Makam Pahlawan. Op een klein aantal grafstenen staat een naam, kennelijk recentelijk opgeschreven. Sommige stenen zijn duidelijk onlangs hernieuwd, maar die zijn kleiner en bescheidener dan de graven buiten het ommuurde gedeelte, die ook namen hebben en vaak ook een sterfdatum dat aanzienlijk later is dan 1947.

De wetenschappelijke literatuur over massagraven gaat voornamelijk over sporen van recentelijke begravingen en over het forensisch opgraven van bekende graven en levert dus weinig inzicht op de specifieke vragen die rijzen in dit geval.

Volgens de lurah van Suppa zijn de lijken van de slachtoffers van de massacre bij Suppa hier naartoe gesleept (ongeveer 200 meters) om vervolgens begraven te zijn. Het is onwaarschijnlijk dat elke grafsteen precies over de stoffelijk overschot van de bedoelde slachtoffer staat, maar de plaats ziet uit als anders dan alle andere begraafplaatsen. Men kan redelijk veronderstellen dat hier inderdaad een massagraf is. Aangezien dat ruimte beschikbaar is onmiddellijk buiten het ommuurde gedeelte van het ereveld, het is hoogstwaarschijnlijk dat er uitsluitend slachtoffers van de massamoord van januari 1947 in het ommuurde gedeelte van het ereveld zijn.

2.27.
Cribb concludeert:
“Het is daarom waarschijnlijk maar niet bewezen dat de graven binnen het ommuurde gedeelte van het ereveld op Suppa zijn uitsluitend slachtoffers van het bloedbad in dat dorp op 28 januari 1947. Wél kan worden vastgesteld dat de gemarkeerde graven die buiten het ommuurde gedeelte van het ereveld van Suppa liggen van een latere periode zijn.”

2.28.
Gelet op deze conclusies van Cribb, acht de Staat het voldoende zeker dat degenen die begraven zijn binnen het ommuurde gedeelte van TMP Suppa , slachtoffers waren van de massa-executie in Suppa op 28 januari 1947. Daarmee is er geen geschil meer over de bewijswaarde van het begraven zijn op TMP Suppa . Bij de beoordeling van de individuele bewijsposities zal de rechtbank vaststellen of de vaders respectievelijk echtgenoten van [eisende partij 1] , [eisende partij 2] , [eisende partij 4] , [eisende partij 13] en [eisende partij 14] daar begraven zijn.
(a2) TMP Tanete en (a3) TMP Taccoring

2.29.
Vaststaat dat Nederlandse militairen in de regio Bulukumba over een langere periode, van december 1946 tot en met april 1947, zuiveringsacties hebben uitgevoerd in verschillende dorpen. In veel gevallen zijn de daarbij doodgeschoten mannen ter plaatse begraven. In 1978 en 1979 hebben herbegrafenissen plaatsgevonden op TMP Tanete en TMP Taccorong, die allebei onderdeel zijn van algemene begraafplaatsen.
2.30.
[eisende partij 6] , [eisende partij 7] , [eisende partij 8] , [eisende partij 11] en [eisende partij 12] stellen dat hun echtgenoten [H] , [K] , [I ] , [T] en [J] zijn herbegraven op TMP Tanete. [eisende partij 9] en [eisende partij 10] stellen dat hun echtgenoten [A] en [B] zijn herbegraven op TMP Taccorong. Zij stellen dat op deze erebegraafplaatsen alleen slachtoffers van onrechtmatige executies door Nederlandse militairen zijn begraven, zodat deze doodsoorzaak op grond van het aldaar begraven zijn kan worden vastgesteld.
2.31.
In de tussenvonnissen heeft de rechtbank hen daarin niet gevolgd, omdat het onduidelijk en niet verifieerbaar was of en hoe bij het herbegraven van de doden op TMP Tanete en TMP Taccorong in 1978 en 1979 door de daarbij betrokken lokale Indonesische autoriteiten is gecontroleerd en vastgesteld of de overledene inderdaad slachtoffer was van een onrechtmatige executie tijdens de in de regio Bulukumba van december 1946 tot en met april 1947 uitgevoerde zuiveringacties, of dat daar (ook) doden begraven zijn die door omstandigheden om het leven zijn gekomen waarvoor de Staat niet aansprakelijk kan worden gehouden. De rechtbank achtte nader onderzoek nodig naar de vraag onder welke omstandigheden de mannen daar zijn herbegraven en onder welke omstandigheden zij destijds om het leven zijn gekomen. Zij heeft daarover vragen gesteld aan Cribb, die in algemene zin het volgende heeft opgemerkt over erebegraafplaatsen in Indonesië:
“Van vele Indonesiërs die vielen tijdens de onafhankelijkheidsstrijd is de begraafplaats nu onzeker of helemaal niet bekend, vanwege de verwarde omstandigheden van die tijd en vanwege vergetelijkheid sindsdien. In circa 1953 is Indonesia formeel begonnen met het stichten van erevelden. (…) In de daaropvolgende jaren zijn andere TMP’s gesticht in verschillende plaatsen, meestal op lokale of regionale initiatief en soms met een eigenaardig karakter, zoals de Taman Makam Pahlawan Kerja (Arbeiderserebegraafplaats) in Pekanbaru. In sommige gevallen zijn bestaande begraafplaatsen herdoopt als officiële TMP’s; in andere gevallen zijn nieuwe erevelden opgericht en zijn de stoffelijke resten van vrijheidsstrijders van andere plaatsen daar herbegraven.

De criteria om in een TMP begraven te worden waren in die tijd nooit stipt vastgesteld. Men moest een rol hebben gespeeld in de verwezenlijking van Indonesia, zij het als onafhankelijkheidstrijd(st)er, als iemand die een bijdrage heeft gemaakt aan de welvaart van het volk, of als slachtoffer van een vijand van de Indonesische natie. In principe maakte het niets uit of men vielen in een veldslag, in een massacre, in een individuele moord, bij een ongeval, of uit natuurlijke oorzaken. Men kon plaats vinden in een TMP ook wanneer men overleden is lang na de onafhankelijkheidsstrijd. De vastberadenheid van de overledene in het belang van de natie en het doen van dienst zijn bepalend geweest, niet de specifieke doodsomstandigheden. (…)

In 1981 heeft de opperbevelhebber van de Indonesische strijdkrachten stipter criteria vastgesteld voor teraardebestelling in een TMP. Men moet namelijk een onderscheiding (satya lencana) hebben gekregen of gevallen zijn in militair verband. Anders wordt men aangewezen naar de Taman Makam Bahagia (‘gelukkig begraaftuin’, voor militairen) of de Taman Pemakaman Umum (‘algemeen begraaftuin’, voor civielen). Iedereen echter die erkent is een rol te hebben gespeeld in de militaire onafhankelijkheidsstrijd tegen Nederland in 1945-1949, zij het formeel in het leger, of als lid of aanhanger van een militieeenheid, komt automatisch in aanmerking voor de Bintang Gerilya (guerrilla-ster) en daardoor voor teraardebestelling in een TMP. In 2008 heeft een woordvoerder van de Departement van Sociale Diensten dat civielen ook recht hebben in een TMP begraven te worden, mits zij aan de algemene voorwaarden voldoen. Tegelijkertijd heeft de Indonesische regering vastgesteld dat er in elk district (kabupaten) alleen een TMP mag zijn. Als gevolg hiervan heeft een algemene, maar niet volledige, verplaatsing van stoffelijke resten plaatsgevonden naar districts-TMP’s. Lokale erebegraafplaatsen zijn behouden waar families of de plaatselijke overheid een sterke wens hebben geuit om de begraafplaatsen niet te laten verplaatsen.

Ik heb niemand kunnen vinden die een directe rol heeft gespeeld bij de herplaatsing van graven. Uit losse opmerkingen krijg ik de indruk dat de lijkresten soms niet te vinden waren en dat de herbegraving meer symbolisch was dan letterlijk.(…)

Bij de meeste districtserevelden die ik bezocht heb staat er een bord met de namen van de mensen die daar begraven zijn. Het bord is wegwijzer voor bezoekers aan het ereveld en is meestal niet meer dan een lijst met aanwijzing van het gedeelte van de erebegraafplaats waar een bepaald graf te vinden is of van het grafnummer. Er was geen indicatie dat het borden die ik gezien heb in Zuid-Sulawesi objecten van verering waren, maar formeel heten zij tembok abadi (eeuwige muur)(…) Soms weerspiegeld het bord de volgorde van begravingen in de erebegraafplaats, maar er is nooit vermelding van de doodsomstandigheden. Af en toe wordt het woord gugur (‘gevallen’), dat meestal ‘gedood op het slagveld’ betekend, gebruikt, maar dat gebruik is onregelmatig en impliceert geen onderscheid tussen dood op het slagveld en onrechtmatige executie.(…)”

2.32.
TMP Tanete is afgebeeld op deze door Cribb gemaakte foto. Cribb heeft daarbij opgemerkt dat deze erebegraafplaats nogal verwaarloosd is en:
“Namen van overledenen zijn ruwweg geschreven op de grafstenen, maar er is geen aanwijzing omtrent hun doodsomstandigheden. De grafplaatsen zijn niet opeengepakt.”

center
100
f931dd41-a47d-40e9-9a70-d6556df47b11
268
355
image/png

2.33.
TMP Taccorong is te zien op de volgende foto van Cribb, die bij een (niet hier afgebeelde) foto van de wegwijzer (figuur 3, rapport Cribb) opmerkt dat deze erebegraafplaats in 1977 is opgericht en dat daar stoffelijke overschotten van gewezen vrijheidsstrijders zijn herbegraven, zonder vermelding van oorspronkelijke locatie en zonder melding van doodsomstandigheden.
center
100
af32bf14-43ec-4024-ae15-7052dcb99089
260
349
image/png

2.34.
Cribbs antwoord op vraag 4 luidt – voor zover van belang voor TMP Tanete en TMP Taccorong:
-

Het kantoortje op het districtsereveld Taccorong was onbemand bij mijn bezoek. Er bestond geen kantoortje op de plaatselijke erevelden van Suppa en Tanete.

De Dinas Sosial (Maatschappelijke Dienst) in Bulukumba heeft verantwoordelijkheid voor het ereveld Taccorong. Ik heb het kantoor van de Dinas Sosial benaderd met een verzoek om documenten betreffende de oprichting en de administratie van het ereveld. Van de functionaris daar kreeg ik echter te horen dat er de relevante documenten niet bewaard zijn.

Verantwoordelijkheid voor het plaatselijke ereveld in Tanete is onduidelijk. Ik word verwezen naar de Dinas Sosial in Bulukumba , maar die Dienst ontkende verantwoordelijkheid te hebben voor dat ereveld.

Het kan dus niet worden vastgesteld dat bij het (her)begraven op deze drie erebegraafplaatsen ten aanzien van iedere overledene nagegaan of hij slachtoffer was van een onrechtmatige executie voordat hij daar werd (her)begraven.

2.35.
Vraag 1 aan Cribb ziet op TMP Tanete. Cribb heeft daarop geantwoord:
-

Bij de erebegraafplaats Tanete zijn er geen schriftelijke aanwijzingen betreffende de omstandigheden waarin de overledene stierven.

De ligging van de graven – rij om rij, enigszins verspreid in een uitgebreid veld – geeft de indruk dat het hier om herbegravingen gaat.

2.36.
In zijn antwoord op vraag 5, die ziet op het begraven zijn van de echtgenoten van partijen [eisende partij 6] , [eisende partij 8] , [eisende partij 12] en [eisende partij 7] op TMP Tanete, stelt Cribb:
“Het kan dus niet worden uitgesloten dat op de erebegraafplaats van Tanete (ook) doden zijn begraven die door andere omstandigheden om het leven zijn gekomen waarvoor de Staat niet aansprakelijk te houden is, zoals bijvoorbeeld slachtoffers van legitieme gevechtshandelingen.”

2.37.
Vraag 3 aan Cribb ziet op TMP Taccorong. Cribbs antwoord luidt:
“Ik vind geen aanwijzing dat de locatie van een graf op het ereveld Taccorong bewijs levert betreffende de doodsomstandigheden van de overledene. Het ereveld eert revolutionaire strijders in het algemeen en geeft geen aparte aandacht aan mogelijke slachtoffers van onrechtmatige executies.”

2.38.
Uit deze bevindingen en conclusies van Cribb volgt dat het heel wel mogelijk is dat slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen zijn begraven op TMP Tanete en TMP Taccorong, maar dat niet kan worden aangenomen dat dit geldt voor daar begraven mannen.
2.39.
De weduwen en kinderen hebben getuigen doen horen over de herbegrafenissen op deze twee erebegraafplaatsen. Zij hadden [getuige 1] als getuige voorgebracht, omdat hij als ambtenaar betrokken zou zijn geweest bij herbegrafenissen op deze twee erebegraafplaatsen. Tijdens zijn verhoor bleek echter dat hij ambtenaar in sportzaken was geweest en niet in zijn ambtelijke hoedanigheid, maar als privépersoon bemoeienis heeft gehad met deze twee erebegraafplaatsen. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:
“11. Was u toen u ambtenaar was, toen u in functie was, was u toen betrokken bij het samenplaatsen van die mensen in Terang Terang en bij de herbegrafenissen in Taccorong?

Ja, ik heb het met eigen ogen gezien. Ik heb gezien dat mijn vader daar werd begraven.

(…)

Ja. Als nabestaande. Als familie.

(…)

13. Ik (…) heb begrepen uit de stukken dat u in functie, toen u werkte als ambtenaar, dat u toen een rol heeft gespeeld, dat u toen betrokken was, bij het begraven of het herbegraven van mensen op de erebegraafplaatsen Taccorong en Tanete. Dat wil ik graag weten, hoe dat zit.

Ik was niet betrokken als ambtenaar destijds, maar als familielid.

14. Dus het idee dat ik had, dat u destijds als ambtenaar betrokken was, dat klopt dus niet?

Ja, op die manier.

15. Wat u nu aan ons vertelt over die begraafplaatsen en wat u eerder ook op papier hebt gezet over die begraafplaatsen, dat hebt u dus als betrokken nabestaande gedaan?

17. Wat voor functie had u als ambtenaar, was de naam van de functie?

Ik werkte als ambtenaar op het ministerie, afdeling sport. Ik had twee gebieden onder mij; Gantarran en Bulu Lohe. Dat was vroeger één gebied: Udjum Bulu.

18. U had dus in die functie niets te maken met begraafplaatsen?

Nee, ik had daar niets mee te maken in mijn functie. Degenen die daarmee te maken hadden waren de districtscommandant en de veteranen.

19. En nog andere mensen?

Ja, de lokale overheid van het subdistrict.

20. En verder?

Nee, die waren er niet. Alleen als nabestaanden, zoals ik.

21. Wij hebben hier een dossier met allemaal stukken er in. Daar zit een verklaring van u in en ook een tekening van begraafplaats Tanete. Daar staan allemaal dingen in over zowel Tanete als Taccorong. Hoe komt u aan die wetenschap over die erebegraafplaatsen?

Ik wist van die begraafplaats in Tanete eigenlijk pas af, ik was daar nooit geweest, pas nadat bekend werd dat er zaken geregeld gingen worden met betrekking tot die 40.000 dodelijke slachtoffers.

22. Wanneer bent u voor het eerst in Tanete geweest?

Ongeveer in 2013.

23. U hebt een kaartje gemaakt van de begraafplaats waarop staat aangeduid waar bepaalde mensen begraven liggen. Hoe bent u aan die informatie gekomen?

Van de kant van de nabestaanden, van de familie.

24. Hoe is dat dan gegaan? Hebben zij die graven aangewezen aan u?

Ja, op die manier.

25. Hebt u nog bij andere mensen nagevraagd hoe het zit met de mensen die daar begraven zijn?

Ja, met de mensen uit de omgeving. Met nabestaanden van de mensen, maar ook mensen uit de omgeving.

26. Hoe wisten zij wie waar begraven was?

Men weet dat omdat elk jaar bij het Suikerfeest wordt er een bezoek gebracht aan de graven.”

2.40.
Nu [getuige 1] alleen als privé persoon betrokken was bij TMP Tanete en TMP Taccorong en hij wat hij weet heeft gehoord van nabestaanden, van wie niet duidelijk is hoe zij aan hun wetenschap komen, betrekt de rechtbank zijn getuigenverklaring niet in het bewijs. De rechtbank gaat om dezelfde reden voorbij aan de door hem gemaakte tekeningen van deze begraafplaatsen, die de weduwen en kinderen in het geding hebben gebracht.
2.41.
De weduwen en kinderen hebben verder [getuige 2] , de beheerder van TMP Taccorong, als getuige voorgebracht. Hij heeft verklaard dat hij ongeveer dertien jaar beheerder is van deze begraafplaats, waar de ‘40.000 slachtoffers’ op een afgescheiden deel van de begraafplaats liggen. Daar zijn 207 graven, waarvan 163 volgens de getuigenverklaring van [getuige 2] Die 163 graven liggen naast elkaar. [getuige 2] heeft over deze graven verklaard:
“Ja, er zijn er die geëxecuteerd zijn en er zijn er ook die in de strijd zijn overleden.”

Uit zijn getuigenverklaring volgt dat aan het graf niet te zien is hoe de begravene is overleden; de 207 grafstenen zijn hetzelfde en [getuige 2] heeft verklaard:“
2.42.
Zoals hiervoor is overwogen, staat de in historische bronnen beschreven grootschalige omvang en het structurele karakter van de misdragingen van Nederlandse militairen in 1946-1949 niet ter discussie. Anders dan de weduwen en kinderen voorstaan, kan echter niet louter en alleen op grond daarvan worden aangenomen dat alle 163 door [getuige 2] bedoelde graven zijn van slachtoffers van dergelijke executies.
2.43.
De slotsom luidt daarmee dat niet kan worden aangenomen dat alle graven in TMP Tanete en TMP Taccorong zijn van slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen. Het geschil over de vraag of de (gestelde) echtgenoten en vaders van [eisende partij 6] , [eisende partij 7] , [eisende partij 8] , [eisende partij 11] , [eisende partij 12] , [eisende partij 9] en [eisende partij 10] allemaal zijn begraven op deze erevelden kan daarom onbesproken blijven. De rechtbank zal het daarop betrekking hebbende bewijs niet beoordelen.
(a4) TMP Ganggawa Mario

2.44.
TMP Ganggawa Mario is een militair ereveld, waar militairen, strijders en ook recent overleden veteranen, zoals Usman Balo, een bekende vrijheidsstrijder die op 5 mei 2006 overleed, begraven zijn. Er zijn daar ook graven van politiemensen en onbekenden. De Staat voert aan dat het goed mogelijk is dat op deze erebegraafplaats slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen begraven zijn, aangezien Nederlandse militairen vele standrechtelijke executies hebben uitgevoerd in de regio Sidenreng Rappang. De Staat betwist echter dat het enkele begraven zijn op deze erebegraafplaats voldoende is om aan te nemen dat deze persoon is omgekomen als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen.
2.45.
Hier is een andere situatie aan de orde dan bij de hiervoor besproken erebegraafplaatsen, waar volgens de weduwen en kinderen uitsluitend slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen begraven zijn. Bij deze erebegraafplaats gaat het om de locaties van de graven en/in samenhang met andere gegevens waaruit de doodsoorzaak van de begravene kan worden afgeleid, zoals vermelding op de gedenkmuur en/of op de hierna onder (b) te bespreken slachtofferlijst TMP Ganggawa Mario.
2.46.
Vraag 10 aan Cribb gaat over TMP Ganggawa Mario. Cribb heeft hierop geantwoord:
-

De locatie van de graven op de Erebegraafplaats Ganggawa Mario levert geen basis waarop een conclusie kan worden getrokken omtrent de manier van dood van de mensen die daar begraven zijn. De locatie sluit niet uit dat [O-1] / [O] , [P-1] / [P] , [Q-1] / [Q] en [R] standrechtelijk zijn geëxecuteerd, maar geeft geen aanleiding tot zo’n conclusie.

De onbetrouwbaarheid van erebegraafplaatsen als historische bron wordt, mijns inziens, benadrukt door het feit dat het graf van [Q-1] op de Erebegraafplaats Ganggawa Mario duidelijk gemarkeerd is met een doodsjaar van 1967, wat niet klopt met andere bronnen.

2.47.
Cribbs antwoord op vraag 11 luidt:
“De namen van [Q-1] en [R-1] zijn te vinden als nummers [nummer 1] en [nummer 2] respectievelijk in een document afkomstig van de Dinas Sosial Kabupaten Sidenreng Rappan, ‘Daftar: Nama-nama Pahlawan yang dimakamkan di Taman Makam Pahlawan Mario Rappang Kab. Sidenreng Rappang’ (Lijst: Namen van helden begraven in de Erebegraafplaats Mario Rappang, District Sidenreng

Rappang), gedateerd 10 April 1986. Er is geen melding van ‘ [O] ’ of ‘ [O-1] ’, maar wel van [O-2] (nr [nummer 3] ), [O-3] (nr [nummer 4] ) en [O-4] (nr [nummer 5] ). Er is geen melding van [P-1] . Naast de namen [Q-1] , [R-1] , [O-2] , [O-3] en [O-4] staat de aantekening ‘gugur’ [gevallen] en ‘Bertempur [of Pertempuran] melawan Belanda/Nica’, d.w.z. ‘in slag [slagveld] tegen Nederland. De lijst geeft geen reden te concluderen dat deze mannen standrechtelijk zijn geëxecuteerd. De Ganggawa Mario-lijst wordt hier bijgevoegd als Bijlage 3. N.B. De aantekening ‘sda’ in deze lijst betekent ‘sama dengan atas’ (hetzelfde als hierboven)”

.

2.48.
Cribb heeft op vraag 12, over de gedenkmuur bij TMP Ganggawa Mario, geantwoord:
“Zoals uitgelegd boven, de gedenkmuren bij Indonesische erebegraafplaatsen zijn ogenschijnlijk bedoeld als aanwijzing van wie in een begraafplaats begraven is, en eventueel van de ligging van specifieke graven. De gedenkmuren geven als regel geen verdere informatie. Vermelding van een naam op een gedenkmuur betekend niets meer dan dat het graf van de desbetreffende man in die erebegraafplaats te vinden is.”

2.49.
Gezien deze bevindingen en conclusies van Cribb kan niet worden aangenomen dat de op de TMP Ganggawa Mario begraven mannen en de mannen die zijn genoemd op de bijbehorende gedenkmuur slachtoffers zijn van misdragingen van Nederlandse militairen. Zoals Cribb vermeldt, is dat wel mogelijk. Dat zal uit andere bewijsmiddelen moeten volgen.
(a5) TMP Panaikang

2.50.
Op TMP Panaikang zijn niet louter slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen begraven. Niet in geschil is dat zich onder de daar begraven personen wel dergelijke slachtoffers kunnen bevinden.
2.51.
[eisende partij 16] stelde eerst dat haar gestelde echtgenoot [U] op deze erebegraafplaats begraven ligt in [blok I] , het blok is waarin standrechtelijk geëxecuteerden liggen. Uiteindelijk stelt [eisende partij 16] dat [U] is herbegraven in [blok II] van TMP Panaikang. De Staat voert hiertegen aan dat niet blijkt van een apart gedeelte van de begraafplaats waar uitsluitend slachtoffers van misdragingen van Nederlandse militairen zouden liggen.
2.52.
De rechtbank heeft het voorstel van [eisende partij 16] om Cribb onderzoek te laten doen naar de erebegraafplaats Panaikang en de betekenis van het daar in [blok I] begraven zijn, niet gehonoreerd, omdat de door haar gestelde huwelijksband met [U] niet vaststond. Wel is [eisende partij 16] toegelaten tot het bewijs van haar stelling over de betekenis van het begraven zijn op ( [blok I] van) TMP Panaikang.
2.53.
[getuige 15] , de beheerder van TMP Panaikang, is als getuige gehoord over de lijst van personen die op daar zijn begraven en over de stelling van [eisende partij 16] dat aan de hand van de locatie op TMP Panaikang kan worden achterhaald hoe die persoon om het leven is gekomen. Hij heeft onder meer verklaard:
"35. Hoe weet u dan dat er mensen in 1947 en in 1962 zijn begraven, wie heeft dat aan u verteld?

De nabestaanden hebben aan mij verteld over wat er was gebeurd in de jaren 1947 en 1962.

(…)

Ja.

( ... )

36. Is er voordat de stoffelijk resten werden verplaatst door de erebegraafplaats zelf of door de regering of een andere instantie onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak van deze mensen die in [blok I] en [blok II] zijn begraven?

Nooit.

37. Ik wil controleren of ik het goed begrijp. Het is dus zo dat mensen daar begraven zijn op basis van informatie van de nabestaanden en verder niets. Klopt dat?

65. Hoe weet u wat u net vertelde aan ons over 1947 en 1962, wat u net vertelde over het begraven?

Ze zijn allemaal gebaseerd op de informatie van de nabestaanden.”

2.54.
Op basis van deze getuigenverklaring kan niet worden aangenomen dat iedereen die in [blok I] en/of [blok II] is begraven op TMP Panaikang is gedood als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen. Nu onduidelijk is hoe de nabestaanden aan de door hen verstrekte informatie komen en deze informatie kennelijk niet op enige wijze is geverifieerd, kan aan het begraven zijn in [blok I] en/of [blok II] van TMP Panaikang geen bewijswaarde worden ontleend.
Slotsom erebegraafplaatsen

2.55.
Als vaststaat dat een man is begraven in het ommuurde deel van TMP Suppa , staat daarmee vast dat deze man het slachtoffer is van de massaexecutie in Suppa op 28 januari 1947. Aan het begraven zijn op (een bepaald deel van) de andere hiervoor besproken erebegraafplaatsen komt geen bewijswaarde toe.
(b) De slachtofferlijsten

2.56.
Het tweede algemene bewijsthema dat in de tussenvonnissen aan de orde is geweest is de bewijswaarde van de door de weduwen en kinderen in het geding gebrachte slachtofferlijsten, die volgens hen (alleen) slachtoffers van onrechtmatige executies door Nederlandse militairen vermelden. Het gaat om (b1) de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba , (b2) de slachtofferlijsten van de sociale dienst in van Bulukumba (B1-B3), (b3) de lijsten van de sociale dienst van Pinrang (P1 en P2), (b4) de Tanete-lijst en (b5) de slachtofferlijst Ganggawa Mario.
2.57.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de naamsvermelding op een of meer van deze slachtofferlijsten betekent dat de genoemde man het slachtoffer is van misdragingen van Nederlandse militairen. De slachtofferlijsten kunnen mogelijk wel een rol spelen bij het door de weduwen en kinderen te leveren bewijs dat hun echtgenoten en vaders zijn omgekomen als gevolg van misdragingen van Nederlandse militairen. De aan de slachtofferlijsten toe te kennen bewijswaarde hangt af van de bronnen waarop deze lijsten zijn gebaseerd en of deze lijsten ook overigens op een voldoende betrouwbare en verifieerbare manier tot stand zijn gekomen. De hierna volgende beoordeling van de bewijswaarde van de slachtofferlijsten vindt steeds plaats in de zaken van de weduwen en kinderen, waarvan de naam van hun echtgenoot of vader op de desbetreffende lijst is vermeld.
(b1) de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba

2.58.
Cribbs antwoord op vraag 6 over deze slachtofferlijst luidt – voor zover van belang:
-

Ik heb zowel een aantal ambtenaren bij de Dinas Sosial in Bulukumba als het voormalige hoofd van de Legiun Veteran Republik Indonesia gevraagd over omstandigheden waaronder de lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba opgesteld is, maar het antwoord was altijd frustrerend vaag. Mijn conclusie is dat de lijst niet ineens is opgesteld maar dat hij geleidelijk vorm heeft gekregen door toevoegen (en eventueel weghalen) van namen.

In 1994 is verschenen de notulen van een seminar over de geschiedenis van Bulukumba in de revolutiejaren, waarin opgenomen is een lijst van slachtoffers waarvan geschreven wordt, dat het in 1954 door de plaatselijk administratie van Bulukumba . Ik vind dat er geen reden is deze bewering te twijfelen, alhoewel het niet zeker is dat er geen wijzigingen in de lijst gebracht zijn in het overmaken naar de publicatie van 1994. The lijst is betiteld ‘Daftar Nama Korban 40.000 Perjuangan Kemerdekaan Bulukumba ’ (Namenlijst Slachtoffers 40.000 Slachtoffers in Bulukumba ). Bij elke naam wordt een civiele beroep vermeld. Om deze reden acht ik het waarschijnlijk dat deze lijst uitsluitend slachtoffers van onregelmatige executies meldt, en niet leden van leger or militie (die misschien op het slagveld gedood zijn). (…)

2.59.
Cribb merkt voorts op:
"Het moet niet worden verondersteld dat de lijsten 100% betrouwbaar zijn, want zij zijn opgemaakt enige tijd na de naoorlogse gebeurtenissen.

2.60.
De conclusies van Cribb hebben voor de Staat aanleiding gevormd om tot uitgangspunt te nemen dat een vermelding op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba in beginsel betekent dat iemand is omgekomen bij een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen. Omdat uit de aard der zaak volgt dit soort lijsten nooit 100% betrouwbaar zijn, moet volgens de Staat een uitzondering worden gemaakt op dit uitgangspunt als er reële twijfel bestaat dat iemand is omgekomen bij een standrechtelijke executie door Nederlandse militairen in de regio Bulukumba in 1946-1947. Daarmee is in zoverre geen geschil meer over de bewijswaarde van deze slachtofferlijst. De rechtbank zal van dit uitgangspunt uitgaan bij de beoordeling van de individuele bewijsposities van de weduwen en kinderen van wie de echtgenoten en vaders vermeld staan op deze lijst.
(b2) de slachtofferlijsten van de sociale dienst van Bulukumba (B1-B3)

2.61.
Op deze slachtofferlijsten staan namen die ook voorkomen op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba . Gelet op het hiervoor gegeven oordeel over die slachtofferlijst, is de vraag over de bewijswaarde van slachtofferlijsten van de sociale dienst in Bulukumba (B1-B3) toegespitst op de vraag hoe de namen die niet voorkomen op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba op deze slachtofferlijsten terecht zijn gekomen.
2.62.
De rechtbank heeft eerder overwogen dat onvoldoende inzicht bestaat in de vraag op welke concrete en verifieerbare bronnen deze slachtofferlijsten zijn gebaseerd, terwijl er elementen zijn die vragen oproepen, zoals (i) het gegeven dat de slachtofferlijsten reactief worden opgesteld, aangezien vermelding op de slachtofferlijsten geschiedt na eigen aanmelding, (ii) het feit dat verificatie van de aanmeldingen in hoge mate is gebaseerd op mondelinge verklaringen en (iii) het steeds groter wordend aantal namen op de verschillende versies van de slachtofferlijsten, soms met aantallen die het aantal begraven slachtoffers respectievelijk de aantallen vermeld in historische bronnen overtreffen en (iv) het feit dat de slachtofferlijsten van de sociale dienst deels zijn gebaseerd op andere slachtofferlijsten.
2.63.
Vraag 7 aan Cribb heeft betrekking op de slachtofferlijsten van de sociale dienst in Bulukumba (B1-B3). Cribbs antwoord luidt – voor zover hier van belang:
“Ik heb verondersteld dat deze vraag beantwoord moet zijn op basis van schriftelijk bewijs, niet op basis van verklaringen van mensen die betrokken zijn in het samenstellen van de lijst. In principe is het niet onwaarschijnlijk dat sommige namen te vinden zijn op deze lijsten alleen op basis van de bewering van mensen die betrokken zijn bij de rechtszaak. Daarom heb ik geprobeerd zo ver mogelijk oudere lijsten uit te zoeken, zij het van publicaties of van officiële archieven. De drie lijsten – van respectievelijk 1954, 1974 en 1986 – bijgevoegd als Bijlagen 1, 2 en 3, zijn de voornaamste resultaat van dit onderzoek. Het moet niet worden verondersteld dat die lijsten 100% betrouwbaar zijn, want zij zijn opgemaakt enige tijd na de naoorlogse gebeurtenissen

2.64.
De weduwen en kinderen hebben [getuige 3] als getuige doen horen over het opstellen van de slachtofferlijsten van de sociale dienst in Bulukumba (B1-B3). Hij heeft verklaard dat hij vanaf 2011 slachtofferlijsten is gaan opstellen en dat hij deze drie slachtofferlijsten heeft gebaseerd op de Lijst van 214 Slachtoffers van Bulukumba , de gegevens op de stenen gedenkplaat op TMP Taccorong en op de verhalen van de kinderen van de slachtoffers.
2.65.
De Staat merkt met juistheid op dat hieruit volgt dat de namen die niet op de Lijst van 214 slachtoffers van Bulukumba zijn opgenomen, maar wel op de lijsten van de Sociale Dienst, enkel zijn gebaseerd op de informatie op de gedenkplaten van de erebegraafplaatsen en op de verhalen van de kinderen van de slachtoffers.
2.66.
[getuige 3] heeft verklaard dat hij gesprekken voerde met kleinere groepen nabestaanden en getuigen en op de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomsten met kinderen van geëxecuteerden en dat hij niet precies meer weet met wie hij allemaal heeft gesproken, maar het er volgens hem wel "veel" waren. De informatie die hij zo heeft vergaard, heeft hij vervolgens in deze drie slachtofferlijsten verwerkt.
2.67.
Deze getuigenverklaring neemt de door de rechtbank gemaakte kanttekeningen over deze drie slachtofferlijsten niet weg. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de namen op de slachtofferlijsten van de sociale dienst van Bulukumba (B1-B3) die niet ook voorkomen op de Lijst van 2014 slachtoffers van Bulukumba , niet gebaseerd op voldoende concrete en verifieerbare bronnen. Niet kan dus op basis van deze drie slachtofferlijsten tot uitgangspunt worden genomen dat deze mannen slachtoffers zijn van executies door Nederlandse militairen.
(b3) de lijsten van de sociale dienst van Pinrang (P1 en P2)

2.68.
[Y] , die in opdracht van de Staat onderzoek heeft gedaan naar de achtergronden en de totstandkoming van deze slachtofferlijsten, heeft gesproken met de heer [xx] van de sociale dienst te Pinrang . De rechtbank heeft de Staat eerder bevolen de gespreksnotities van [Y] van het gesprek met [xx] in het geding te brengen.
2.69.
Uit de door de Staat in het geding gebrachte gespreksnotities volgt dat de gegevens op deze slachtofferlijsten afkomstig zijn van nabestaanden en uit interviews met leden van de