Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:235

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:235, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL19.28911 en NL19.28915


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAG

bold

[naam] en [naam 2] , de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Elias).
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.28911 en NL19.28915V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5]
ook namens de drie minderjarige kinderen , en , gezamenlijk: eisers,(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en

ECLI:NL:RBDHA:2020:235:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG
bold

[naam] en [naam 2] , de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Elias).
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.28911 en NL19.28915V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5]
ook namens de drie minderjarige kinderen , en , gezamenlijk: eisers,(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en

procesverloop

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 27 november 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat voor eiser Duitsland en voor eiseres en de drie minderjarige kinderen Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken NL19.28912 en NL19.28916, plaatsgevonden op 13 december 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Mulken, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om de geboorteakte van [naam 5] in het digitale dossier te plaatsen. Verweerder heeft op 13 december 2019 op dit verzoek gereageerd. Vervolgens hebben eisers de gelegenheid gekregen om hierop te reageren. Eisers hebben dit bij brief van 24 december 2019 gedaan.
Daarna hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 3 januari 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Moldavische nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiseres en de drie minderjarige kinderen stellen de Oekraïense nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum 2] , [geboortedatum 3] , [geboortedatum 4] en [geboortedatum 5] .
2. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin staat dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland ten aanzien van eiser bij Duitsland en ten aanzien van eiseres en de drie minderjarige kinderen bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 15 juli 2019 aanvaard. Frankrijk heeft dit verzoek op 12 juli 2019 aanvaard.
3. Eisers voeren aan dat zij een traditioneel huwelijk hebben gesloten. Als eiser wordt overgedragen aan Duitsland en eiseres en de drie minderjarige kinderen aan Frankrijk heeft dit tot gevolg dat zij van elkaar worden gescheiden. Dit is volgens eisers in strijd met artikelen 10 en 11 van de Dublinverordening. Eisers stellen dat er geen reden is om te twijfelen aan hun huwelijk/relatie en aan het feit dat eiser de vader is van de drie minderjarige kinderen. Verder stellen eisers dat sprake is van een onzorgvuldige procedure. Verweerder heeft in het besluit van 2 augustus 2019 de gezinsband aangenomen. Het staat verweerder niet vrij om de gezinsband vervolgens alsnog in twijfel te trekken. Daarnaast beroepen eisers zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Door de besluiten van verweerder wordt het gezin uit elkaar getrokken. Het is in het belang van de drie minderjarige kinderen dat zij in bijzijn van beide ouders opgroeien. Tot slot stellen eisers dat verweerder ten aanzien van Frankrijk niet (langer) uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat verweerder voor eisers individuele garanties moet vragen aan de Franse autoriteiten. Eisers verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt op een artikel uit Trouw van 22 juli 2019 en het AIDA-rapport over Frankrijk van 2018.
4. In geschil is of eisers als gezinsleden moeten worden aangemerkt en of eisers hierdoor niet van elkaar mogen worden gescheiden door ze aan Duitsland respectievelijk Frankrijk over te dragen.
5. Op grond van artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan onder “gezinsleden”: voor zover het gezin reeds in het land van herkomst bestond, de volgende leden van het gezin van de verzoeker die op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn:6. Preambule 15 van de Dublinverordening vermeldt dat de gezamenlijke behandeling van verzoeken om internationale bescherming van de leden van een gezin door dezelfde lidstaat ervoor zorgt dat de verzoeken grondig worden behandeld en dat gezinsleden niet van elkaar worden gescheiden. Preambule 17 vermeldt dat een lidstaat moet kunnen afwijken van de verantwoordelijkheidscriteria om gezinsleden, familieleden of andere familierelaties om humanitaire of uit mededogen bijeen te brengen en een verzoek om internationale bescherming dat bij deze lidstaat of bij een andere lidstaat is ingediend kunnen behandelen, ook al is hij volgende de bindende criteria van deze verordening niet verantwoordelijk voor de behandeling.
7. De rechtbank stelt vast dat eisers geen officiële documenten hebben overgelegd die hun gezinsband aantonen. Uit de (later ingetrokken) beschikking van 2 augustus 2019 volgt niet dat verweerder de gezinsband tussen eisers heeft aangenomen. In deze beschikking staat [naam] vermeld als minderjarig kind. Dit is – zoals verweerder ook op zitting heeft toegelicht – een evidente missslag, welke verweerder later heeft hersteld door dit besluit in te trekken en de in deze zaken bestreden besluiten te nemen.
8. Verweerder heeft in de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eisers niet als gezinsleden als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening moeten worden aangemerkt. Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang. Eisers zijn gezamenlijk vanuit Duitsland naar Nederland gereisd en hebben daar ook gezamenlijk een asielaanvraag ingediend. Dat eiser geen asielaanvraag in Frankrijk heeft ingediend, acht de rechtbank niet doorslaggevend voor de vaststelling van de gezinsband tussen eisers. Eisers hebben namelijk wel verklaard dat zij gezamenlijk in Frankrijk hebben verbleven, wat niet is betwist door verweerder. Verweerder heeft de verklaringen van eisers over het wel of niet bestaan van een huwelijk tegenstrijdig geacht. De rechtbank is van oordeel dat eisers een aannemelijke verklaring hebben gegeven voor deze gestelde tegenstrijdigheid. Eisers stellen niet wettig gehuwd te zijn, maar op basis van de Roma-cultuur wel als gehuwd moeten worden aangemerkt, omdat zij samen kinderen hebben gekregen. Op basis hiervan had verweerder nader moeten onderzoeken of zij moeten worden aangemerkt als niet-gehuwde partners die een duurzame relatie onderhouden.
9. Verweerder heeft nader onderzoek gedaan bij de Duitse autoriteiten. Op 26 juni 2019 hebben de Duitse autoriteiten het volgende geantwoord:
10. Dat de Duitse autoriteiten voornemens zijn om eiseres en de drie minderjarige kinderen over te dragen aan Frankrijk, ontslaat verweerder niet van de verplichting om zelfstandig te beoordelen of eisers moeten worden aangemerkt als gezinsleden in de zin van de Dublinverordening. Uit de antwoorden van de Duitse autoriteiten volgt namelijk ook dat eiser als partner staat geregistreerd in Duitsland en dat zij gezamenlijk als gezin in Duitsland bekend zijn.
11. In de bestreden besluiten en op zitting heeft verweerder verwezen naar het Duitse uittreksel van het geboorteregister van [naam 5] , geboren op [geboortedatum 5] in Duitsland. Hierop staat [naam] niet als vader vermeld. Dat er geen documenten zijn die de gezinsband aantonen, maakt echter niet dat er geen sprake is van gezinsleden als bedoeld in de Dublinverordening. Ook als dat niet met officiële documenten is komen vast te staan, kan wel sprake zijn van een gezinsband. Daarbij is van belang dat eisers hebben aangegeven dat er geen sprake is van een wettig huwelijk.
12. De slotsom is dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet als gezinsleden worden aangemerkt als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening.
13. Daarnaast heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd waarom verweerder in dit geval geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zoals hiervoor vermeld – en ook niet door verweerder betwist – zijn eisers gezamenlijk naar Frankrijk, Duitsland en Nederland gereisd, hebben zij hier gezamenlijk een asielaanvraag ingediend en verblijven zij op dit moment gezamenlijk in AZC Grave. Door de bestreden besluiten worden drie (zeer) jonge minderjarige kinderen gescheiden van eiser, die op dit moment één van de twee verzorgers/opvoeders van de kinderen is. Los van de vraag of is aangetoond dat eiser de vader is van de kinderen – hoewel de rechtbank geen aanknopingspunten aantreft in het dossier om hieraan te twijfelen – heeft verweerder deze omstandigheden niet kenbaar betrokken in de bestreden besluiten. Ook daarom is sprake van een motiveringsgebrek in de bestreden besluiten.
14. De beroepen zijn daarom gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, en een 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen na de zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
-

de echtgenoot van de verzoeker of de niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat niet-gehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld in het kader van diens recht met betrekking tot onderdanen van een derde land;

de minderjarige kinderen van paren als bedoeld onder het eerste streepje, of van de verzoeker, mits zij niet gehuwd zijn, ongeacht of zij volgens het nationale recht wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn.

“Ist in Deutchland folgende Partner bekannt:

[naam 6] , [datum] , Bürger von Moldawien

(DE1190110XXX00494)

A: Ja die Person is als Partner in DE bekannt.”

Vervolgens heeft verweerder nadere vragen gesteld.

“N.a.v. bijgaand antwoord zijn mondeling nog de volgende aanvullende vragen gesteld:

Is Duitsland ook van plan de drie minderjarige kinderen aan Frankrijk over te dragen?

En is er ook een Dublinprocedure voor [naam 6] bekend?

Hierop zijn de volgende antwoorden ontvangen:

Ja, Duitsland is ook van plan om de minderjarige kinderen aan Frankrijk over te dragen.

Voor [naam 6] is geen Dublinprocedure bekend; er zijn geen documenten overgelegd waaruit de gezinsband tussen [naam 6] en een van de kinderen blijkt.

beslissing

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
-

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.312,50.

_ad784e39-85af-44bc-8613-50182d630761
1

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

_e4af49a4-a215-4b0c-8e6a-9d23c51dfd6c
2

Verordening nr. (EU) 604/2013.

_ee17b01b-37f5-4f9c-a8cc-22e2dec811a4
3

“Administratief sadisme om asielzoekers te ontmoedigen – in Frankrijk gebeurd het”.

_84033293-be89-47d8-8dd8-6b3b7a81d97f
4

Algemene wet bestuursrecht.