Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:195

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 13-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:195, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 8195915 EJ VERZ 19-88255


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBDHA:2020:195:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Gravenhage

ADZaaknr.: 8195915 EJ VERZ 19-8825513 januari 2020
Beschikking van de kantonrechter op de voordracht tot ontslag bewindvoerder in de bewindzaken van:

[bewindvoerder] , h.o.d.n. [naam eenmanszaak] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna te noemen: [bewindvoerder] ,gemachtigde: mr. P. Drenth.
Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

Op 9 december 2019 heeft naar aanleiding van voormelde voordracht een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [bewindvoerder] is bij die gelegenheid in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde heeft pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

Vervolgens is de uitspraak bepaald op heden.

-

het gespreksverslag van 5 augustus 2019;

het gespreksverslag van 12 november 2019;

de voordracht van de coördinerend kantonrechter mr. D. de Loor van 26 november 2019;

het verweerschrift van 2 december 2019 met 17 producties (nrs. 1 tot en met 17) en de zeven aanvullende producties (nrs. 18 tot en met 24) van 4 december 2019.

Beoordeling

1. Op 26 november 2019 heeft mr. D. de Loor, coördinerend kantonrechter CBM te Den Haag, [bewindvoerder] voorgedragen voor ontslag als bewindvoerder in al haar zaken bij de Rechtbank Den Haag. De inhoud van de voordracht wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. Aan die voordracht wordt ten grondslag gelegd dat (1) [bewindvoerder] niet voldoet aan het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren (hierna te noemen: het Besluit) en (2) dat de kwaliteit van het geleverde werk van [bewindvoerder] onvoldoende is, waardoor schade kan ontstaan.
2. [bewindvoerder] wordt het navolgende verweten. Zij heeft op 2 oktober 2019 voor cliënt [betrokkene 1] een verzoek ingediend om jegens haar beschermingsbewind uit te spreken en zichzelf tot bewindvoerder te benoemen. [bewindvoerder] voerde reeds sinds juli 2019 budgetbeheer voor [betrokkene 1] . Op 23 september 2019 is door tussenkomst van [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van advocaat, een toevoeging afgegeven in verband met een civiele zaak, waarbij [betrokkene 1] partij was. Op 6 november 2019 heeft in die zaak een zitting plaatsgevonden waarbij [bewindvoerder] als advocaat is verschenen. Op 12 november 2019 is het instellingsverzoek behandeld. Daarbij is ten aanzien van [betrokkene 1] beschermingsbewind uitgesproken, maar is [bewindvoerder] niet benoemd als bewindvoerder wegens belangenverstrengeling.
3. Ook wordt [bewindvoerder] verweten dat zij op 13 mei 2019 heeft verzocht te worden benoemd tot bewindvoerder van mevrouw [betrokkene 2] . Mevrouw [betrokkene 2] stond sinds 6 november 2010 onder bewind, met Beschermingsbewindkantoor Nederland B.V. als bewindvoerder. Op 19 juli 2019 is dit verzoek afgewezen. Op 18 oktober 2019 heeft [bewindvoerder] , als advocaat, een beroepschrift ingediend bij het Gerechtshof Den Haag. Ook voor deze zaak is een toevoeging aangevraagd. Voornoemd handelen is in strijd met artikel 9 lid 1 aanhef en onder d. van het Besluit.
4. Afgezien van het voorgaande is de kwaliteit van het geleverde werk van [bewindvoerder] in de dossiers waarin zij benoemd is tot bewindvoerder onvoldoende. In algemene bewoordingen is in de voordracht opgenomen dat er achterstanden zijn en dat er sprake is van diverse andere gebreken. Tenslotte heeft [bewindvoerder] in weerwil van gemaakte afspraken niet aan de rechtbank laten weten voor welke van haar cliënten zij tevens als advocaat heeft opgetreden.
5. [bewindvoerder] betwist dat zij heeft gehandeld in strijd met artikel 9 lid 1 aanhef en onder d. van het Besluit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat in artikel 9 staat dat alleen een persoon die al tot curator of bewindvoerder benoemd is geen voordeel mag hebben uit het feit dat deze is benoemd tot curator c.q. bewindvoerder. [bewindvoerder] heeft aangevoerd dat zij in de zaken van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] nog niet was benoemd tot bewindvoerder en artikel 9 dus niet van toepassing is. Daarbij geldt artikel 9 voor beschermingsbewindvoerders en niet voor budgetbeheer, zoals bij [betrokkene 1] het geval was. In hoger beroep is voor [betrokkene 2] om opheffing van het bewind verzocht en niet om [bewindvoerder] als bewindvoerder te benoemen. Daarnaast heeft [bewindvoerder] wel een toevoeging aangevraagd voor haar werkzaamheden als advocaat, maar zij heeft geen bedragen in rekening gebracht bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Reeds daardoor heeft zij er geen voordeel genoten. In het licht van het voorgaande meent zij dat de coördinerend kantonrechter meer zorgvuldigheid in acht had moeten nemen met de voordracht.
6. [bewindvoerder] is verzocht een toelichting te geven op de ingediende rekening en verantwoordingen waarin onduidelijkheden zijn. Deze toelichting heeft zij nog niet kunnen geven. Ook zijn geen afspraken gemaakt dat de onduidelijkheden of fouten in de rekening en verantwoording zouden leiden tot ontslag. Dit is in de ogen van [bewindvoerder] disproportioneel. De coördinerend kantonrechter neemt het standpunt in dat het geleverde werk onvoldoende is en dat hierdoor schade zou kunnen ontstaan voor cliënten. Niet is gebleken dat er schade is berokkend aan cliënten. Dit blijkt ook uit de reactie van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
7. [bewindvoerder] verzoekt de voordracht tot haar ontslag als bewindvoerder in alle zaken af te wijzen. Zij verzoekt tevens alle rechthebbenden die een brief hebben ontvangen dat de bewindvoerder niet benoembaar is een rectificatie te sturen. Ook verzoekt zij de rechtbank Tilburg te benoemen tot toezichthoudende rechtbank en de kosten van de gemachtigde te vergoeden.
8. Artikel 9 lid 1 aanhef en onder d, Besluit kwaliteitseisen luidt letterlijk als volgt:
9. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [bewindvoerder] terecht gesteld dat op grond van artikel 1:435 lid 10 BW een beoogd bewindvoerder pas bewindvoerder wordt daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden. Zowel met betrekking tot [betrokkene 1] als met betrekking tot [betrokkene 2] is [bewindvoerder] nooit tot bewindvoerder benoemd. Weliswaar heeft zij met betrekking tot [betrokkene 1] een verzoek daartoe gedaan in haar capaciteit van advocaat, maar gebleken is dat zij voorafgaand aan de behandeling van het betreffende verzoek haar bijstand aan [betrokkene 1] als advocaat heeft beëindigd.
10. Strikt naar de letter van artikel 9 lid 1 aanhef en onder d. van het Besluit heeft [bewindvoerder] daarom geen voordeel genoten van een opdracht die zij aan zichzelf heeft verstrekt in het kader van een beschermingsbewindvoerderschap. In beide gevallen was zij immers geen bewindvoerder en kon zij zichzelf in die hoedanigheid geen opdracht verstrekken.
11. Het voorgaande neemt echter niet weg dat voorafgaand aan de benoeming tot bewindvoerder een ‘grijze periode’ bestaat, met twee aspecten. In de eerste plaats dient een bewindvoerder zich voorafgaand aan de benoeming tot bewindvoerder bereid te verklaren om als zodanig te worden benoemd. In de tweede plaats kan ook voorafgaand aan de benoeming de schijn van belangenverstrengeling worden opgewekt, hetgeen wellicht ook zou kunnen kwalificeren als een gedraging, die artikel 9 van het Besluit beoogt tegen te gaan.
12. Van een beoogd bewindvoerder mag, naar het oordeel van de kantonrechter, een open oog verwacht en verondersteld worden voor de positie, waarin deze zich bevindt of kan komen te bevinden in het geval de benoeming tot bewindvoerder geëffectueerd wordt. Mogelijk kan gesteld worden dat [bewindvoerder] onvoldoende oog voor haar positie als beoogd bewindvoerder heeft gehad. Daar staat echter tegenover dat zij op dit punt overleg heeft gehad met het Bureau Kwaliteitseisen bij de Rechtbank Oost-Brabant (hierna te noemen: het Bureau). Wellicht was haar vraagstelling niet duidelijk genoeg, maar van het Bureau heeft zij ook geen ondubbelzinnig antwoord gekregen. De e-mail van het Bureau van 5 september 2019 luidt: Dit antwoord kan bij [bewindvoerder] , terecht of ten onrechte, de indruk hebben gewekt dat er wat haar betreft van belangenverstrengeling in de zin van artikel 9 van het Besluit geen sprake was.
13. Daarnaast benoemt de Nota van Toelichting op het Besluit met betrekking tot artikel 9 niet de mogelijke belangenverstrengeling, die kan ontstaan in de aanloop naar de benoeming tot bewindvoerder. In de Nota van Toelichting worden alleen voorbeelden genoemd van gevallen van mogelijke belangenverstrengeling het curator- of bewindvoerderschap, maar geen gevallen van belangenverstrengeling in de periode voorafgaand aan de benoeming tot curator dan wel bewindvoerder.
14. Het voorgaande leidt tot de vraag of in de omstandigheid dat [bewindvoerder] van het Bureau een onduidelijk antwoord heeft gekregen en dat de Nota van Toelichting op artikel 9 van het Besluit het verwijt dat de coördinerend kantonrechter aan [bewindvoerder] maakt niet benoemt een zodanige omstandigheid oplevert die zwaarwichtig genoeg is om haar in al haar dossiers als bewindvoerder te ontslaan. De kantonrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. Daarbij weegt hij mee, dat hij, anders dan de coördinerend kantonrechter, van oordeel is dat [bewindvoerder] geen voordeel heeft genoten van haar positie van bewindvoerder van [betrokkene 1] . Dat zij nog na haar benoeming als bewindvoerder van [betrokkene 1] een afrekening zou hebben gekregen voor haar activiteiten als advocaat is geen voordeel uit haar bewindvoerderschap; deze afrekening is dan immers meer dan de administratieve afwikkeling van een reeds beëindigde relatie. Tenslotte weegt hij mee, dat in de aanloopfase naar de voordracht tot ontslag als bewindvoerder aan [bewindvoerder] meer dan uit de gespreksverslagen blijkt duidelijk gemaakt had moeten worden dat ook tijdens de ‘grijze periode’ voorafgaand aan de benoeming tot bewindvoerder sprake kan zijn van belangenverstrengeling, juist omdat het Besluit en de Nota van Toelichting op dat punt niet voldoende duidelijk zijn.
15. In de voordracht wordt naast het voorgaande nog aangevoerd dat de kwaliteit van het werk van [bewindvoerder] als bewindvoerder onvoldoende is. Hiervan is de kantonrechter onvoldoende gebleken. In de voordracht is dit niet nader onderbouwd, anders dan in algemene beweringen, en [bewindvoerder] betwist het, althans zij nuanceert het in de zin dat zij aan verbetering van de kwaliteit van haar werk werkt. Daarbij wordt in de voordracht niet gesteld dat cliënten schade zouden hebben geleden als gevolg het handelen van de bewindvoerder. Ook zijn er blijkbaar door cliënten van de bewindvoerder geen klachten geuit.
16. Uit het voorgaande vloeit voort dat het verzoek tot ontslag van [bewindvoerder] als bewindvoerder in al haar zaken zal worden afgewezen.
17. Nu de voordracht zal worden afgewezen en rechthebbenden reeds een brief hebben gekregen dat de bewindvoerder niet (langer) benoembaar is, dient de rechtbank deze brief te rectificeren en aan rechthebbenden een brief te zenden, waarin staat vermeld dat de bewindvoerder wel benoembaar is.
18. [bewindvoerder] heeft verzocht een andere toezichthoudende locatie aan te wijzen. Op grond van artikel 1:12 lid 2 BW volgt een onder bewind dan wel onder curatele gestelde persoon of een persoon voor wie een mentor is aangesteld de woonplaats van de bewindvoerder, curator dan wel mentor. Maar op grond van artikel 1:12 lid 4 BW blijft de rechter van het werkelijk verblijf van de betrokkene bevoegd. Op grond van de wet kan de kantonrechter daarom geen andere toezichthoudende locatie aanwijzen, waarbij het nog maar de vraag zou zijn of het in het belang van betrokkenen is dat zij in voorkomende gevallen naar Tilburg moeten voor de mondelinge behandeling van een verzoek in het kader van hun bewind.
19. De kantonrechter acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de gevraagde kosten die verzoeker heeft gemaakt voor [bewindvoerder] gemachtigde, als na te melden.
Inleidende overweging

De verwijten van de coördinerend kantonrechter

Het standpunt van [bewindvoerder]

De inhoudelijke beoordeling van de voordracht

De curator geniet, direct of indirect, geen ander voordeel uit zijn positie als curator dan de beloning die hij voor zijn curatorschap ontvangt. In het bijzonder: (…) d. geniet hij geen voordeel van enige opdracht die hij aan zichzelf of aan een derde verstrekt in het kader van zijn curatorschap.

beslissing

Beslissing

- wijst de voordracht tot ontslag van [bewindvoerder] als bewindvoerder in alle zaken af;
- draagt de rechtbank op een rectificatie te sturen aan rechthebbenden die van de rechtbank een brief hebben ontvangen dat [bewindvoerder] niet benoembaar is, in die zin dat gemeld wordt dat [bewindvoerder] wel benoembaar is als bewindvoerder;
- kent aan de bewindvoerder ten laste van ’s Rijks kas een vergoeding toe ten bedrage van € 907,50 (inclusief BTW) inzake kosten voor de gemachtigde.

De kantonrechter:

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W.D. Bom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2020, in aanwezigheid van de griffier.

De griffier, De kantonrechter,

Tegen deze beslissing kan door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het Gerechtshof Den Haag hoger beroep worden ingesteld:a door de verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.b door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.