Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:1202

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 14-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:1202, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09-253697-19


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09-253697-19

Datum uitspraak: 14 februari 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , [adres] .

ECLI:NL:RBDHA:2020:1202:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09-253697-19

Datum uitspraak: 14 februari 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , [adres] .
1

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 31 januari 2020.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ariese en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.F. van Es naar voren is gebracht.
2

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
- hij heeft aldaar gereden terwijl de zichtvelden van de rechter breedtespiegel en/of de trottoirspiegel niet voldeden aan de eisen welke zijn geteld in de bijlage VIII hoofdstuk 2 Regeling Voertuigen en/of (vervolgens)- hij heeft aldaar niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssdituatie gehad en/of (vervolgens)- hij heeft rijdende op de Soestdijksekade en bij het naar rechts afslaan teneinde de Loosduinsekade te rijden een bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer] , die zich naast, althans zich rechts dicht achter hem bevond niet laten voorgaan ten gevolge waarvan hij tegen [slachtoffer] is gebotst, waardoor [slachtoffer] werd gedood;
- hij heeft aldaar gereden terwijl de zichtvelden van de rechter breedtespiegel en/of de trottoirspiegel niet voldeden aan de eisen welke zijn geteld in de bijlage VIII hoofdstuk 2 Regeling Voertuigen en/of (vervolgens)- hij heeft aldaar niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en/of de verkeerssdituatie gehad en/of (vervolgens)- hij heeft rijdende op de Soestdijksekade en bij het naar rechts afslaan teneinde de Loosduinsekade te rijden een bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer] , die zich naast, althans zich rechts dicht achter hem bevond niet laten voorgaan
hij op of omstreeks 26 november 2018 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg(en) de kruising van de Soestdijksekadde met de Loosduinsekade, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 november 2018 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg(en), de kruising of splitsing van de Soestdijksekade met de Loosduinsekade als volgt heeft gehandeld:

ten gevolge waarvan hij tegen [slachtoffer] is gebotst, waardoor [slachtoffer] werd gedood;door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
overwegingen

3

3.1
InleidingOp 26 november 2018 heeft op de kruising van de Soestdijksekade met de Loosduinsekade te Den Haag een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de door de verdachte bestuurde vrachtauto in botsing is gekomen met een voor hem voorrangsgerechtigde fietser, de veertienjarige [slachtoffer] , die als gevolg van de aanrijding is overleden.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte schuld heeft aan dit ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), dan wel of door zijn gedragingen gevaar op de weg werd veroorzaakt of het verkeer werd gehinderd in de zin van artikel 5 WVW 1994.

3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedrag van de verdachte kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig.

3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde, omdat geen sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid. Dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gezien en daardoor geen voorrang heeft gegeven, is het gevolg van een kortstondig moment van onoplettendheid. Dat is onvoldoende voor het bewijs van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
De bewijsmiddelen

Op 26 november 2018 reed de verdachte in een vrachtwagen in Den Haag op de Soestdijksekade in de richting van de Loosduinsekade. De Soestdijksekade bestaat ter hoogte van de Loosduinsekade uit één rijbaan, verdeeld in drie rijstroken. Het betreft een rijstrook bestemd voor het rechtdoor gaande verkeer richting de Kamperfoeliestraat, een rijstrook bestemd voor het rechts afslaande verkeer richting de Loosduinsekade, waarop de vrachtwagen reed, en een roodkleurige rijstrook bestemd voor het rechtdoor gaande alsmede het rechts afslaande fietsverkeer, waarop het slachtoffer fietste. De rechtbank stelt vast dat bij het kruispunt een verkeersbord is geplaatst, waarmee afslaand verkeer rekening wordt gewaarschuwd voor rechtdoor gaande fietsers en voetgangers.Uit analyse van de digitale tachograafdata is gebleken dat de vrachtwagen met een maximale snelheid van 46 km/u op de Soestdijksekade reed, waarna hij vertraagde en tot stilstand kwam. De vrachtwagen heeft minimaal 16 seconden stil gestaan voor de stopstreep.Uit de door de politie verrichte verkeersongevallenanalyse (VOA) is verder gebleken dat de weersgesteldheid, het wegdek noch de verkeerssituatie van invloed kunnen zijn geweest op het ontstaan of verloop van het ongeval. Voorts is gebleken dat de vrachtwagen waarin de verdachte reed rijtechnisch in goede staat verkeerde. Onderzoek naar de zichtvelden van de verplichte spiegels aan de rechterzijde, de frontcamera en het directe zicht door de voor- en zijruiten van de vrachtwagen heeft uitgewezen dat het slachtoffer, gezien vanaf de bestuurderszitplaats, op enig moment zichtbaar kan zijn geweest in de rechter buitenspiegel, in de rechter breedtespiegel en op de monitor van de frontcamera van de vrachtwagen.
[getuige] is getuige geweest van het verkeersongeval. Zij heeft verklaard dat zij op haar bromfiets over de Soestdijksekade reed in de richting van de Loosduinsekade. Zij zag dat het slachtoffer op een fiets bij het verkeerlicht stond te wachten voor het rode verkeerslicht. Ook stond er een vrachtwagen te wachten voor het rode verkeerslicht. Toen het verkeerslicht op groen sprong, begon het slachtoffer direct te fietsen richting de Kamperfoeliestraat. De bestuurder van de vrachtauto trok vrijwel direct op en sloeg rechtsaf in de richting van de Loosduinsekade. De vrachtwagen reed met de rechterzijde van de voorkant tegen de linkerzijde van de fiets van het slachtoffer, waardoor deze omgereden werd en onder de achterwielen van de vrachtwagen terecht kwam.

De verdachte heeft verklaard dat hij komende uit de Hilversumsestraat, op de Soestdijksekade reed en dat er op de Soestdijksekade geen ander verkeer was. Terwijl hij met zijn werkgever belde, naderde hij het verkeerslicht op de kruising met de Loosduinsekade. Het verkeerslicht stond op dat moment op rood. Toen het verkeerslicht op groen sprong, is hij afgeslagen. Hij heeft niemand gezien. Bij het afslaan leek het net alsof hij over een verkeersdrempel reed. In zijn spiegel zag hij toen iets op straat liggen, waarna hij zijn voertuig aan de kant heeft gezet. De verdachte heeft verder verklaard dat hij goed bekend is met het voertuig dat hij bestuurde en dat hij wekelijks op het bewuste kruispunt reed. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij nog in gesprek was met zijn werkgever toen hij afsloeg.

Als gevolg van de aanrijding is het slachtoffer overleden.

Juridisch kader artikel 6 WVW 1994

De rechtbank stelt voorop dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 volgens vaste jurisprudentie aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid.
De mate van schuld

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van roekeloos rijgedrag. Daartoe is vereist dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van zodanige bewustheid is niet gebleken.
Wel leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat het gedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend kan worden beschouwd en dat het ongeval aan zijn schuld als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 is te wijten. Tot dat oordeel is het volgende redengevend.

De verdachte is een beroepschauffeur die bekend was met het voertuig dat hij op 26 november 2018 bestuurde. Een vrachtwagen is een zwaar voertuig, dat in geval van een ongeval op zijn minst ernstig letsel kan veroorzaken. Reeds hierom mag extra voorzichtigheid worden gevraagd van de bestuurder van een vrachtwagen, zeker wanneer daarmee wordt gereden binnen de bebouwde kom. Voorts was de verdachte ermee bekend dat de kruising waar het noodlottige ongeval heeft plaatsgevonden een gevaarlijk kruispunt was, waar fietsers die rechtdoor gaan voorrang hebben. Dit werd nog eens benadrukt door het verkeersbord dat daar expliciet op wees. De verdachte had zich er onder die omstandigheden extra van moeten vergewissen dat het kruispunt vrij was voordat hij de afslag nam.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het slachtoffer op meerdere momenten gezien moet kunnen hebben – zowel vóór als tijdens het afslaan –, al dan niet met gebruikmaking van de hem ter beschikking staande zijspiegels en op het beeldscherm van de frontcamera. Hoewel uit het dossier niet blijkt op welk moment het slachtoffer aan is komen fietsen, was er in elk denkbaar scenario voldoende tijd en gelegenheid voor de verdachte om het slachtoffer te zien. De rechtbank heeft hierbij drie situaties onder ogen gezien. Die, waarin het slachtoffer al bij de stopstreep stond toen de verdachte kwam aanrijden, alsmede de situatie dat de verdachte het slachtoffer op de Soestdijksekade heeft ingehaald, dan wel in de situatie dat het slachtoffer kwam aanfietsen op het moment dat de verdachte al voor het rode verkeerslicht stilstond. In al die situaties had de verdachte het slachtoffer al kunnen zien voordat hij afsloeg. Benadrukt moet daarbij worden dat de verdachte enige tijd heeft stilgestaan voor het verkeerslicht, van welke gelegenheid de verdachte gebruik had kunnen maken om zich voldoende te vergewissen van de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers. Ook tijdens het afslaan had de verdachte oplettender moeten zijn op wat er om hem heen gebeurde. Daarin is de verdachte tekortgeschoten, waaraan naar het oordeel van de rechtbank heeft bijgedragen de omstandigheid dat de verdachte aan het telefoneren was met zijn werkgever. Dit, terwijl de gevaarlijke aard van deze kruising zoals de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld, juist extra oplettendheid vereiste.

Aldus heeft de verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, onder de gegeven omstandigheden op meerdere momenten onvoldoende oog gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie.

De rechtbank acht niet bewezen dat de omstandigheid dat de spiegels van de vrachtwagen niet op de juiste wijze waren afgesteld van invloed is geweest op het ontstaan van het ongeval. Ook in de niet (geheel) juist afgestelde spiegels had de verdachte het slachtoffer immers kunnen zien.

Conclusie

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend kan worden beschouwd en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden waardoor het slachtoffer is overleden.
3.5
De bewezenverklaring
- hij heeft aldaar niet de nodige voorzichtigheid en aandacht voor het verkeer en de verkeerssituatie gehad en - hij heeft rijdende op de Soestdijksekade en bij het naar rechts afslaan teneinde de Loosduinsekade te rijden een bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer] , die zich naast hem bevond niet laten voorgaan, ten gevolge waarvan hij tegen [slachtoffer] is gebotst, waardoor [slachtoffer] werd gedood.
De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 26 november 2018 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de kruising van de Soestdijksekade met de Loosduinsekade, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend als volgt te handelen:

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, in geval van veroordeling voor het subsidiaire feit, een taakstraf op te leggen.

6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. De verdachte heeft op een kruising een fietser die voorrang had niet gezien, toen hij met zijn vrachtwagen rechts afsloeg. Dit terwijl die fietser voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest. Hij is vervolgens in botsing gekomen met de fietser, de veertienjarige [slachtoffer] , die daardoor is overleden. Daardoor is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht en zullen zij moeten leven met het verlies van hun dierbare. Uit het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk naar voren gekomen dat het ongeval en overlijden van [slachtoffer] een enorme en blijvende impact heeft gehad op zijn (stief)ouders.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij als beroepschauffeur de geldende verkeersvoorschriften onvoldoende in acht heeft genomen en hij onvoldoende oplettend is geweest toen hij met zijn vrachtwagen rechts afsloeg. Anderzijds moet niet uit het oog worden verloren dat ook de verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag niet heeft gewild en dat het verkeersongeval ook op hem grote impact heeft gehad waarvoor hij psychische hulpverlening nodig heeft gehad. Hij lijdt aan PTSS en rijdt sinds het ongeval niet meer op de vrachtwagen. De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 december 2019. Daaruit blijkt dat de verdachte in 2005 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit, waarin de verdachte als beroepschauffeur een vrachtwagen bestuurde en als gevolg van zijn weggedrag een andere verkeersdeelnemer is overleden.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en waarbij het slachtoffer is overleden, wordt als uitgangspunt een taakstraf van 240 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar opgelegd.

De rechtbank ziet aanleiding om van het uitgangspunt van het LOVS alsmede van de door de officier van justitie gevorderde straf af te wijken. De rechtbank kan haar ogen namelijk niet sluiten voor het feit dat het verkeersgedrag van de verdachte al eerder dodelijke consequenties heeft gehad, ook al is dat inmiddels ruim vijftien jaar geleden. Naast oplegging van de maximale taakstraf van 240 uren, acht de rechtbank daarom in het belang van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor lange duur, namelijk vijf jaren, op zijn plaats.

7

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.284,06.

7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader

In het tweede lid van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering is, voor zover hier van belang, bepaald dat de nabestaanden van een slachtoffer dat ten gevolge van een strafbaar feit is overleden, zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen ter zake van het recht op vergoeding van kosten van levensonderhoud waarin de overledene voorzag (artikel 6:108, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)), alsmede het recht op vergoeding van redelijke kosten van lijkbezorging (artikel 6:108, tweede lid, BW). Voor vergoeding van eventuele andere materiële schade biedt de wet geen mogelijkheden.
Kosten urn

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de vordering ten aanzien van de aanschaf van een urn genoegzaam onderbouwd. De verdachte heeft de kosten niet betwist. De rechtbank zal deze post ter hoogte van € 390,- toewijzen.
Kosten psycholoog, ring, armband, tattoo en herinneringsbeer

De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd van de kosten van therapeutische gesprekken voor haar dochter in verband met rouwverwerking. Daarnaast heeft de benadeelde partij een as-ring, een as-armband, een herinneringsbeer en een tattoo aangeschaft. Deze kosten vallen niet onder één van de in artikel 6:108 BW genoemde vorderingen ter zake waarvan een nabestaande zich in het strafproces kan voegen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet kan worden ontvangen.
Conclusie

De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 390,-. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 december 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal, voor zover de vordering van de benadeelde partij [naam 1] is toegewezen, de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.
8

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:- 22 c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht;- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij rechtens golden dan wel gelden.

beslissing

9


De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is overleden

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van ;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van ;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 390,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 26 december 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 390,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 december 2019 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen doormr. C.W. de Wit, voorzitter,mr. F.X. Cozijn, rechter,mr. B.W. Mulder, rechter,in tegenwoordigheid van mr. W. Braaksma, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2020.
_d12074b1-10e6-4fbc-a3fb-33c1fa1f3e43
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018318635, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur, team verkeer, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 78).

_ca1d2603-7b55-415c-86fd-bebff93c0038
2

Eigen waarneming van de rechtbank van het verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, fotoblad 10, blz. 58.

_da0a54f7-b6d4-4705-9342-ea2a386ab2f3
3

Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, blz. 38.

_e8cd5322-006d-4b7b-b857-7af246a54d80
4

Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, blz. 36-37.

_fa266645-a6cb-4c95-9ea8-597c24a1189e
5

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , blz. 27-28.

_25630488-bedd-4864-b208-ff153dc71c5f
6

Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 14.

_56d97243-7d4b-429f-9a5c-e5318678528c
7

Proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 17-18.

_bead1da0-722a-4c34-8e39-654fac73f08a
8

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 31 januari 2020.

_78e3150d-f463-4d63-ae1c-8a071a7e14d4
9

Een geschrift, te weten het schouwverslag d.d. 26 november 2018 van [naam 2] , gemeentelijk lijkschouwer GGD Haaglanden.