Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2020:1140

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 13-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2020:1140, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL20.2560


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAG

bold

[eiser] , eiserde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: L.M.F. Verhaegh).
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2560

V-nummer: [nummer](gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen),
en

ECLI:NL:RBDHA:2020:1140:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG
bold

[eiser] , eiserde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: L.M.F. Verhaegh).
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2560

V-nummer: [nummer](gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen),
en

procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 december 2019 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 31 januari 2020 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 december 2019 (in de zaak NL19.31114) die bij beide partijen bekend is) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt op 30 december 2019, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser heeft –kort gezegd- aangevoerd dat gelet op de wettelijke bepalingen de bewaring maximaal vier weken mocht duren gerekend vanaf 13 december 2019. Het voornemen en besluit in de asielprocedure zijn niet bekend gemaakt aan eiser zodat heeft te gelden dat geen toepassing is gegeven aan artikel 39 Vreemdelingenwet (Vw). Bij besluit van 22 januari 2020 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Dat betekent, aldus eiser, dat de opvolgende maatregel van bewaring van 31 januari 2020 tardief is geweest omdat de grondslag van de bewaringsmaatregel door de beschikking al niet meer juist was.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Eiser heeft ter zitting desgevraagd aangegeven de grond dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld niet langer te handhaven zodat dit verder niet zal worden besproken.
7. Partijen zijn het eens dat de maatregel van bewaring van 13 december 2019 gelet op artikel 59b, tweede lid, Vw in beginsel een maximale duur van vier weken mocht hebben. De vraag die thans allereerst voorligt is of verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 39 Vw, zodat de maatregel op grond van dezelfde bepaling maximaal zes weken mocht duren.
8. Verweerder heeft op 10 januari 2020 een voornemen in de asielprocedure van eiser uitgebracht. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij dit voornemen niet heeft ontvangen. Uit de aanbiedingsbrief in het dossier blijkt dat verweerder het voornemen op 10 januari 2020 heeft gemaild naar . Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het mailen naar de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR) een rechtsgeldige uitreiking van het voornemen is en dat dit altijd zo gaat zodat er sprake is van een vaste gedragslijn en dit ook zo is afgesproken met de RvR. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij navraag heeft gedaan bij de RvR op Schiphol en dat is gebleken dat dit voornemen niet is doorgezonden naar een gemachtigde omdat de RvR geen advocaat heeft benaderd om op te treden als gemachtigde in de asielprocedure en eiser dus geen rechtsbijstand heeft in de asielprocedure. De gemachtigde die eiser thans bijstaat in de bewaringszaak, staat eiser dus niet bij in de asielprocedure en dit is hem ook niet verzocht door de RvR. Op de vraag van de rechtbank of een voornemen niet ook steeds aan een vreemdeling wordt uitgereikt als de vreemdeling zich in detentie bevindt heeft verweerder aangegeven dat dit nimmer geschiedt omdat verweerder hiertoe niet is gehouden.
9. De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een rechtsgeldige uitreiking van het voornemen aan eiser. Verweerder heeft er voor gekozen om het voornemen niet aan eiser uit te reiken of dit aan hem toe te zenden. In plaats daarvan heeft verweerder het voornemen aan de RvR gemaild, erop vertrouwende dat de RvR een advocaat zou benaderen en dat deze ook als bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat zou optreden. Op het moment dat het voornemen werd gemaild naar de RvR was er dus nog geen sprake van een bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat en dus niet van een gemachtigde. Verweerder heeft het voornemen dus ook niet naar een gemachtigde gezonden.
10. De RvR verdeelt de zaken over de gekwalificeerde advocaten die te kennen hebben gegeven voor zaken op basis van toevoegingen in aanmerking te willen komen. De RvR is echter geen partij in deze procedure en treedt ook niet namens eiser in de asielprocedure op. Dit brengt mee dat stukken zoals een voornemen, een beschikking en een maatregel van bewaring niet aan de RvR kunnen worden uitgereikt. De RvR heeft ook niet als taak om stukken van de IND uit te reiken aan vreemdelingen of hun gemachtigden.Dat de verdeling van de zaken, het verstrekken van de toevoeging en dus de financiering van de rechtsbijstand wordt geregeld door de RvR staat los van de uitreiking van de stukken van verweerder. De RvR brengt de vreemdeling en de advocaat die mogelijk als gemachtigde gaat optreden weliswaar met elkaar in contact, maar heeft geen formele rol in een procedure zoals het in ontvangst nemen van stukken of het uitreiken van stukken. Verweerder is zelf verantwoordelijk voor het rechtsgeldig uitreiken van zijn stukken aan de vreemdeling al dan niet met tussenkomst van een advocaat die door de vreemdeling is gemachtigd om namens hem op te treden in de procedure.
11. Het gegeven dat deze vaste handelwijze van verweerder –kennelijk- doorgaans niet tot problemen leidt doet niet af aan dit uitgangspunt. Indien, zoals in het onderhavige geval, wel problemen ontstaan omdat de vreemdeling geen weet heeft van het voornemen, heeft te gelden dat verweerder met de gekozen handelwijze het risico heeft aanvaard dat het voornemen niet op de juiste wijze is kenbaar gemaakt. Nu in het onderhavige geval dit risico zich heeft verwezenlijkt komt dit naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van verweerder. Het standpunt van verweerder ter zitting dat als het fout gaat bij de RvR verweerder er niets aan kan doen en dat dit, net als de handelwijze van een advocaat, voor rekening van eiser dient te komen, wordt door de rechtbank dan ook uitdrukkelijk verworpen. Verweerder moet zorgdragen voor een rechtsgeldige betekening van zijn stukken. Dit betekent dat het voornemen aan eiser in persoon of aan zijn gemachtigde had moeten worden uitgereikt.
12. In paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) is –onder meer- opgenomen dat de IND het voornemen aan de gemachtigde van de vreemdeling zendt. Als er geen gemachtigde bekend is of de IND acht, in samenspraak met DT&V, COA, de Vreemdelingenpolitie en/of de Koninklijke Marechaussee uitreiking in persoon aangewezen, dan vindt op grond van deze paragraaf in de Vc de uitreiking van het voornemen plaats aan de vreemdeling. De rechtbank concludeert dat het mailen van een voornemen naar de RvR, die pas na ontvangst van het voornemen een advocaat gaat benaderen met de vraag of deze in overleg met de vreemdeling als gemachtigde wil optreden, dus in strijd is met het beleid zoals verwoord in de Vc. Het structureel afwijken van de in de Vc genoemde procedure door met de RvR afspraken te maken is niet geoorloofd om een eenvoudigere wijze van uitreiken van een voornemen te bewerkstelligen. De RvR is geen partij in de procedure maar functioneert als een doorgeefluik en distributie-mechanisme en kan dus geen rol spelen in het op juiste wijze kenbaar maken van een voornemen. Deze afspraken met de RvR zijn bovendien niet kenbaar voor de vreemdeling, de gemachtigde en de rechtbank en doen reeds hierom tevens afbreuk aan een zorgvuldige procedure. Bovendien valt niet uit te sluiten dat tussenkomst van de RvR tijdsverloop met zich zal brengen. Gelet op de (veelal korte) termijnen voor een vreemdeling om te kunnen reageren op het voornemen en het vaak dan pas meegezonden gehoor moet tijdsverloop door een “indirecte uitreiking” worden vermeden. Indien verweerder de voorkeur geeft aan andere procedurele regels dient hij – binnen de wettelijke kaders- zijn beleid te wijzigen in plaats van niet openbare afspraken met de RvR te maken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:2318), waartegen door verweerder geen hoger beroep is ingesteld. Overigens valt niet in te zien waarom het uitreiken van het voornemen niet op de in de Vc neergelegde wijze kan plaatsvinden onder het gelijktijdig melding maken van de nieuwe zaak bij de RvR, zodat de zaak aan een advocaat kan worden toebedeeld en na tot stand komen van een bepaaldelijke volmacht de toevoeging kan worden verstrekt. Dit geldt temeer nu eiser zich in bewaring bevindt en altijd zal worden aangetroffen in het detentiecentrum en de uitreiking in persoon daardoor dus zeer eenvoudig is.
13. In het onderhavige geval heeft bovenstaande tot gevolg dat het voornemen niet rechtsgeldig is uitgereikt en dus geen toepassing is gegeven aan artikel 39 Vreemdelingenwet. Dit brengt mee dat de maatregel van bewaring maximaal vier weken mocht duren. De maatregel is opgelegd op vrijdag 13 december 2019. Dit betekent dat de maatregel van bewaring die maximaal vier weken mocht duren vanaf donderdag 9 januari 2020 om 23:59 uur onrechtmatig is.
14. De rechtbank stelt vast dat in het debat tussen partijen ter zitting er vanuit is gegaan dat aan de orde is of de uitreiking van het voornemen op vrijdag 10 januari 2020 rechtsgeldig is geweest. Gelet op de maximale termijn van vier weken concludeert de rechtbank echter dat de termijn op 10 januari 2020 om 00:00 uur al was verstreken en dus reeds daarom nimmer verlengd had kunnen worden tot een maximale bewaringsduur van zes weken. Het is immers niet mogelijk om een termijn te verlengen die reeds is verstreken. Eiser heeft evenwel geen gronden aangevoerd die zien op welke dag de laatste dag van de duur van de bewaring van vier weken is. Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat de maatregel onrechtmatig is vanaf 10 januari 2020 omdat geen toepassing is gegeven aan artikel 39 Vw is eiser niet in zijn belangen geschaad als de gegrondverklaring van het beroep enkel is gebaseerd op het niet rechtsgeldig uitreiken van het voornemen en niet ook steunt op het reeds verlopen zijn van de maximale duur van de bewaringsmaatregel van vier weken. De maatregel van bewaring is immers in beide gevallen onrechtmatig vanaf 10 januari 2020.
15. Eiser heeft tevens aangevoerd dat de opvolgende maatregel van bewaring al onrechtmatig was voordat tot opheffing van de maatregel van 13 december 2019 is overgegaan. De rechtbank overweegt dat zij bij de beoordeling van dit volgberoep alleen de maatregel van 13 december 2019 kan toetsen en alleen voor zover deze de periode vanaf het sluiten van onderzoek bij de eerste rechterlijke toets tot aan de opheffing betreft. Dat er een overlap van tijd zit in die zin dat volgens eiser de maatregel eerder had moeten worden omgezet en de tweede maatregel dus eerder had moeten worden opgelegd staat dan ook niet ter beoordeling in de onderhavige zaak. Overigens is de detentie tot aan de opheffing reeds onrechtmatig zodat eiser er geen belang bij heeft om in deze procedure reeds een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van tweede maatregel vanaf oplegging tot aan de opheffing van de eerste maatregel. De gronden die zien op de vraag of met de beschikking van 22 januari 2020, die op dezelfde wijze als het voornemen en dus niet rechtsgeldig is uitgereikt, alleen de bewaringsduur is verlengd met maximaal drie maanden of dat er ook gevolgen zijn voor de status van het verblijf van eiser en of sprake is van een daadwerkelijk rechtsmiddel zal de rechtbank dan ook onbesproken laten.
16. Gelet op bovenstaande overwegingen zal het beroep gegrond worden verklaard. Omdat na opheffing van deze maatregel aansluitend een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd en deze thans niet ter toetsing voorligt zal de rechtbank geen opheffing van de bewaring bevelen.
17. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 22 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 22 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.760,-.De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.760,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.
De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 13 februari 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.