Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:9535

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:9535, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB - 19 _ 5465


Bron: Rechtspraak

REchtbank DEN Haag [verzoekster], te [plaats], verzoeksterde Burgemeester van Noordwijk, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Perquin),
(gemachtigde: mr. A.J. Pfeifer).

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5465

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

tegen

ECLI:NL:RBDHA:2019:9535:DOC
nl

REchtbank DEN Haag [verzoekster], te [plaats], verzoeksterde Burgemeester van Noordwijk, verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Perquin),
(gemachtigde: mr. A.J. Pfeifer).
Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5465

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

tegen

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de horeca-inrichting ‘[HORECA-INRICHTING]’ aan [ADRES] te [plaats] voor de duur van één maand (t/m 17 september 2019) gesloten.

Verzoekster tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Tevens heeft zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, eruit bestaande dat het besluit van 20 augustus 2019 wordt geschorst hangende bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. Partijen zijn daarbij vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Verder is namens verzoekster [A] verschenen. Namens verweerder is [B] verschenen.

overwegingen

Overwegingen

1.1
In de nacht van 5 augustus 2019 op 6 augustus 2019 is een explosief tot ontploffing gebracht in de [Xweg] ter hoogte van perceel [perceel] te [plaats]. Op dit perceel is de exploitant van horeca-inrichting [HORECA-INRICHTING] woonachtig. In dezelfde nacht is voor de ingang van [HORECA-INRICHTING] een tweede - niet-afgegaan - explosief aangetroffen. Genoemde explosieven bleken later handgranaten te zijn.
1.2
Verweerder heeft daarop bij besluit van 6 augustus 2019 de horeca-inrichting met onmiddellijke ingang voor twee weken gesloten.
1.3
Op 15 augustus 2019 heeft de politie de bestuurlijke rapportage omtrent [HORECA-INRICHTING] uitgebracht. Daarin concludeert de politie dat de gronden die hebben geleid tot de eerdere spoedsluiting van 14 dagen, nog onverminderd van toepassing zijn, nu er nog geen verdachten zijn aangehouden en het geschil tussen de aangevers en de verdachten voor zover bekend nog niet is opgelost. De dreiging voor verdere escalatie is dus nog steeds actueel. De focus voor het onderzoek richt zich niet alleen op de eerder (op 25 februari 2019) door de exploitant gedane aangifte; andere scenario’s worden niet uitgesloten, aldus de politie. Op dezelfde dag heeft verweerder aan verzoekster laten weten voornemens te zijn [HORECA-INRICHTING] voor de duur van 1 maand (t/m 20 september 2019) te sluiten. Hiertegen heeft verzoekster een zienswijze gericht.
2 Bij bestreden besluit van 20 augustus 2019 heeft verweerder besloten de horeca-inrichting op grond van artikel 2:30 van de APV van de gemeente Noordwijk in aansluiting op de spoedsluiting van twee weken voor de duur van vier weken (t/m dinsdag 17 september 2019) te sluiten.
3 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
3.1
Hoewel de sluiting op het moment van de zitting al meer dan twee weken duurde, acht de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening aanwezig nu de voorzieningenrechter aannemelijk acht dat verzoekster, zoals onderbouwd gesteld, aanzienlijk financieel nadeel lijdt vanwege het voortduren van de sluiting.
3.2
Op grond van artikel 2:30, eerste lid, van de APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
3.3
Bij de beoordeling of zich een de openbare orde, veiligheid of gezondheid bedreigende situatie voordoet, komt de burgemeester beoordelingsvrijheid toe. De rechter mag de uitoefening van die vrijheid slechts terughoudend toetsen.
3.4
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plaatsing van een handgranaat voor een horeca-inrichting en het daadwerkelijk afgaan van een handgranaat voor de woning van de exploitant van horeca-inrichting beide zeer ernstige geweldsincidenten zijn die een grote impact hebben op de directe omgeving. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen vinden dat de horeca-inrichting gelegen is in het uitgaanscentrum van Noordwijk waar veel voorbijgangers passeren en verblijven. Verder heeft verweerder bij zijn besluit tot sluiting van de horeca-inrichting kunnen betrekken dat – blijkens de bestuurlijke rapportage – deze geweldsincidenten vermoedelijk het gevolg zijn van een persoonlijk dan we zakelijk conflict tussen de exploitant en een derde.
3.5
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich gelet op het voorgaande op het standpunt kunnen stellen dat de openbare orde, veiligheid en gezondheid door het aantreffen van de handgranaten ernstig is aangetast en dat de dreiging voor verdere escalatie nog steeds actueel is, zodat verweerder bevoegd was om tot sluiting van de horeca-inrichting op grond van de APV over te gaan. Dat geen sprake is van activiteiten in de horeca-inrichting die hebben geleid tot verstoring van de openbare orde, maakt niet dat verweerder artikel 2:30 van de APV niet kon toepassen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op de locaties van de aangetroffen explosieven in combinatie met het lopende conflict tussen de exploitant en een derde voldoende aannemelijk dat er een direct verband bestaat tussen de geweldsincidenten en de exploitatie van de horeca-inrichting. Of de omwonenden ook daadwerkelijk een verstoring van de openbare orde of hun veiligheid hebben ervaren - wat verzoekster heeft betwist - is daarbij niet maatgevend. Ook de verwijtbaarheid van de exploitant speelt in het kader van een dergelijke tijdelijke sluiting geen rol.
3.6
Voorts dient beoordeeld te worden of verweerder in het kader van de belangenafweging in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemene belang bij het (verder) voorkomen van aantasting van de openbare orde en het woon- en leefklimaat dan aan het financieel belang van verzoekster en haar personeel bij de voortzetting van de exploitatie van de inrichting.
3.7
Gelet op de bestuurlijke rapportage van 15 augustus 2019 is er nog geen duidelijkheid over de toedracht van de incidenten en is het opsporingsonderzoek nog in volle gang. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om niet uit te gaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat de situatie nog steeds ongewijzigd is, maar dat met regelmaat overleg plaatsvindt tussen verweerder, de politie en het openbaar ministerie (de driehoek) over te nemen maatregelen waarmee de veiligheid van de bezoekers van de horeca-inrichting voldoende kan worden gewaarborgd. Verweerder verwacht dat dit uiterlijk binnen 4 weken na de sluiting het geval zal zijn. Zodra eerder dergelijke maatregelen kunnen worden genomen, kan de sluiting eerder worden opgeheven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Voorts blijkt uit de gedingstukken en het betoog namens verweerder ter zitting dat verweerder gelet op de financiële belangen van verzoekster en het feit dat de horeca-inrichting als gevolg van de spoedsluiting al twee weken gesloten was geweest, aanleiding heeft gezien de aansluitende sluiting te bevelen voor een beperkte duur, te weten vier weken.
3.8
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder gelet op de actuele dreiging van verdere escalatie in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang van het voorkomen van verdere openbare orde schendingen dan aan de belangen van verzoekster. De sluiting voor de duur van vier weken acht de voorzieningenrechter voorts niet disproportioneel en is door verweerder voldoende gemotiveerd. De voorzieningenrechter verwacht dan ook dat het sluitingsbevel in bezwaar stand kan houden. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dit neemt echter niet weg dat verweerder ambtshalve en bij de heroverweging in bezwaar actief dient na te gaan of nog steeds sprake is van een de openbare orde, veiligheid of gezondheid bedreigende situatie, die voortduring van de sluiting van de horeca-inrichting noodzakelijk maakt.
4 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2019.
griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.