Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:9504

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:9504, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL19.19485


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAGuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. van de Wal).

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.19485

[naam]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

ECLI:NL:RBDHA:2019:9504:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAGuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. van de Wal).
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.19485

[naam]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt ten tijde van de zitting tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 29 augustus 2019 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2019. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 29 augustus 2019 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven. In de zogenaamde M113 is vermeld dat de reden voor opheffing is dat er onvoldoende gronden voor oplegging van de maatregel waren. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven het daar mee eens te zijn. De rechtbank komt in haar ambtshalve onderzoek niet tot een andere conclusie zodat de maatregel terecht is opgeheven. Aan eiser komt dan ook een bedrag voor schadevergoeding toe voor de onrechtmatig in detentie verbleven dagen. De rechtbank heeft verweerder voorgehouden dat de rechtbank bij de bepaling van het aantal dagen dat als uitgangspunt wordt genomen voor het bepalen van de hoogte aansluit bij de berekening zoals die plaatsvindt in het strafrecht. In het strafrecht is onlangs bepaald dat de dag van de opheffing van de detentie ook wordt meegenomen bij de vaststelling van de vergoeding. De rechtbank sluit daar bij aan wat betekent dat het bedrag dat zal worden toegekend hoger is dan het bedrag dat is aangeboden door verweerder bij wijze van schadevergoeding. Aan eiser komt een bedrag van € 1.330,- toe als compensatie voor geleden schade.
2. Eiser komt op tegen de wijze van opheffing van de maatregel. Hij voert hiertoe aan dat in de M113 is nagelaten om eiser aan te zeggen om naar Ter Apel te gaan om zijn asielaanvraag in te dienen. Uit de e-mail-correspondentie tussen gemachtigde van eiser en de DT&V is gebleken dat eiser bij zijn invrijheidstelling een treinkaartje naar Venlo heeft gekregen in plaats van naar Ter Apel, terwijl hij tijdens zijn gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel uitdrukkelijk de wens heeft geuit om asiel te vragen. Indien eiser vanuit Venlo naar Ter Apel zal gaan zonder in het bezit te zijn van een geldig treinkaartje loopt hij het risico om wederom staande te worden gehouden en in bewaring te worden gesteld. Indien hem zou zijn aangezegd om zich naar Ter Apel te begeven is dit niet aan de orde. Gemachtigde wenst een uitspraak van de rechtbank op dit punt ter ondersteuning van een separaat te voeren schadeprocedure.
3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld de vraag of aan eiser een ander treinkaartje gegeven had moeten worden niet aan de orde is binnen de discussie over de maatregel.
4. De rechtbank overweegt dat aan de orde is het beroep tegen het besluit waarbij de maatregel van bewaring is opgelegd en niet een beroep tegen de opheffing. De rechtbank toetst ook enkel de gronden tegen de oplegging en de voortduring van de maatregel tot aan de opheffing. Wat daarna feitelijk aan de orde is geweest staat niet ter toetsing door de rechter in een bewaringszaak. Voor zover bovendien al gevolgd zou moeten worden dat de M113, waarin mededeling wordt gedaan van de opheffing en de aanleiding daarvoor, een aanzegging dient te bevatten om zich naar Ter Apel te begeven of om het land te verlaten valt niet, zonder nadere onderbouwing, in te zien dat een dergelijke mededeling op rechtsgevolg is gericht en dus een besluitonderdeel zou zijn waartegen beroep is opengesteld. Gelet hierop is het ontbreken van de aanzegging aan eiser om naar Ter Apel te gaan geen weigering om een (deel)besluit te nemen. Ook om deze reden kan niet worden opgekomen tegen de opheffing van de maatregel voor zover de M113 geen aanzegging aan eiser bevat waar hij zich dient te vervoegen. Het beroep zal voor zover het geen betrekking heeft op de oplegging en voortduring tot aan de opheffing van de maatregel dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven afstand te doen van de proceskosten voor zover deze betrekking hebben op het verschijnen ter zitting. De gronden die hij wenste aan te voeren zijn vooral principieel en hij wenst te vermijden dat de gedachte opkomt dat het beroep enkel niet is ingetrokken vanwege dit extra punt voor de proceskostenveroordeling.
6. De rechtbank kan deze (bescheiden) proceshouding van gemachtigde op zichzelf waarderen, maar gelet op het inhoudelijke betoog, het gestelde belang hiervan voor eiser en het debat op zitting ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke samenstelling van de proceskostenveroordeling. Op geen enkel moment en op geen enkele wijze is door gemachtigde, door na opheffing van de maatregel van bewaring het beroep te handhaven, de schijn gewekt dat het verschijnen ter zitting een ander belang dient dan uitsluitend het belang van eiser. De rechtbank zal dan ook –ambtshalve- overgaan tot een proceskostenveroordeling die meer omvat dan is verzocht door gemachtigde en zal het afstand doen van een deel van de proceskostenveroordeling niet honoreren.
7. De proceskosten stelt de rechtbank dan ook op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond voor zover het beroep is gericht tegen de oplegging en voortduring van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing;- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk;veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.330,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 september 2019.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.