Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:9429

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:9429, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/578453 / KG ZA 19/774


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/578453 / KG ZA 19/774

Vonnis in kort geding van 9 september 2019

in de zaak van

[eiser]

eiser,advocaat mr. B.P.L. Vorstermans te Den Haag,
tegen:

[gedaagde]

gedaagde,advocaat mr. J.A. Keijser te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

ECLI:NL:RBDHA:2019:9429:DOC
nl

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/578453 / KG ZA 19/774

Vonnis in kort geding van 9 september 2019

in de zaak van

[eiser]

eiser,advocaat mr. B.P.L. Vorstermans te Den Haag,
tegen:

[gedaagde]

gedaagde,advocaat mr. J.A. Keijser te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 14 augustus 2019, met producties;- het schriftelijke verweer van [gedaagde], met één productie, - de op 26 augustus 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd (tevens houdende een wijziging van de primaire eis).
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.
[gedaagde] is het bevoegd gezag van onder meer de school voor voortgezet bijzonder onderwijs ‘[de school]’ (hierna: ‘de school’) in [plaats 2]. [eiser] staat op de school als leerling ingeschreven.
2.2.
[eiser] heeft in het schooljaar 2018/2019 eindexamen Havo gedaan. Omdat hij op basis van zijn eindexamencijfers niet geslaagd was, heeft [eiser] één vak (Biologie) herkanst. Op 19 juni 2019 heeft [eiser] het herexamen afgelegd. [eiser] is niet geslaagd. Hij heeft voor zijn herexamen Biologie een 5,6 (41 punten) gehaald, terwijl hij ten minste een 5,7 (42 punten) nodig had om te slagen.
2.3.
Op 28 juni 2019 hebben [eiser] en zijn ouders het gemaakte examen kunnen inzien. [eiser] en zijn ouders hebben mondeling te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het puntenaantal dat bij vragen 36 en 41 aan [eiser] is toegekend. [eiser] heeft voor elk van die vragen één punt gekregen, op een totaal van respectievelijk twee (vraag 36) en drie (vraag 41) punten. De examensecretaris van de school heeft de (mondelinge) bezwaren van [eiser] voorgelegd aan de examinator. Later die dag heeft de examensecretaris aan de ouders van [eiser] doorgegeven dat de examinator de bezwaren niet honoreert.
2.4.
Op 3 juli 2019 hebben [eiser] en zijn ouders op de school een gesprek gehad met de examinator en de rector van de school. [eiser] en zijn ouders hebben hun bezwaren tegen de beoordeling van het examen mondeling toegelicht. De examinator heeft bij dit gesprek een schriftelijke argumentatie aan [eiser] en zijn ouders voorgelegd, waarin hij heeft uitgelegd waarom de bezwaren van [eiser] tegen de puntentoekenning niet werden gehonoreerd. De schriftelijke argumentatie is vervolgens na voorlegging weer teruggenomen. De school heeft [eiser] en zijn ouders gevraagd hun – nog steeds bestaande – bezwaren op papier te zetten.
2.5.
In een brief van 4 juli 2019 (gedateerd 3 juli 2019) hebben [eiser] en zijn ouders hun bezwaren tegen de puntentoekenning ten aanzien van vraag 36 en 41 schriftelijk uiteengezet en de school verzocht de beslissing over de herbeoordeling van het examen te heroverwegen en [eiser] een hoger puntenaantal toe te kennen.
2.6.
Op 5 juli 2019 heeft de rector een kopie van het gemaakte Biologie-herexamen aan de ouders van [eiser] toegestuurd, samen met het beoordelingsmodel van de vragen 36 en 41. [eiser] en zijn ouders hebben vervolgens op 8 juli 2019 een aanvullende toelichting op hun standpunt gegeven.
2.7.
Bij e-mail van 12 juli 2019 heeft de rector onder meer het volgende aan [eiser] en zijn ouders bericht:
‘Het gemaakte werk van [eiser] en de aanvullende argumentatie zijn aan de eerste corrector overhandigd en aan de gecommitteerde gestuurd.

Op donderdag 11 februari heeft in de middag uitgebreid inhoudelijk overleg plaatsgevonden tussen de beide correctoren over de antwoorden van [eiser] op vragen 36 en 41. Hierbij is uw argumentatie ook aan bod gekomen. Bij dit telefonisch overleg ben ik zelf als toehoorder aanwezig geweest.
De eindconclusie luidt dat het eerder toegekende aantal punten niet wijzigt. Dit betekent dat het cijfer van biologie blijft zoals eerder vastgesteld.

We vinden het als school jammer voor [eiser] dat hij niet geslaagd is. Ik kan instaan voor een zorgvuldige inhoudelijke overweging en een juist gevolgde procedure bij het opnieuw bestuderen van de antwoorden van [eiser] op de vragen 36 en 41.”

2.8.
In reactie op de bovenstaande e-mail heeft de moeder van [eiser] onder meer het volgende geantwoord:
“Wij verlangen de motivering van het genomen besluit op papier. Die motivering stond al op papier, maar die heeft u niet willen overleggen. Wij vragen hierbij opnieuw om een schriftelijke motivering van het besluit. Graag ontvangen wij deze schriftelijke motivering uiterlijk aanstaande woensdag 17 juli.”
2.9.
Bij e-mail van 16 juli 2019 heeft de rector op het bovenstaande antwoord van de moeder van [eiser] gereageerd. De rector heeft geen nadere schriftelijke toelichting op de eerder doorgegeven heroverwegingsbeslissing verstrekt. In zijn e-mail schrijft de rector:
“Het spijt me dat u het gevoel hebt niet serieus genomen te worden door de school. Ik kan u verzekeren dat we –overeenkomstig de wettelijke kaders- datgene wat mogelijk en passend is hebben gedaan om tot een serieuze afhandeling van uw vraag en uw bezwaar te komen. Bij de vaststelling van de score kunnen we uiteraard niet anders dan de wettelijke bepalingen volgen. Hierbij verwijs ik naar het eindexamenbesluit artikel 42. (…) Daarnaast hebben we inzake het ontstane geschil na inzage het ontstane geschil na inzage van het examenwerk gehandeld conform de ministeriële handreiking (…).”

3

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van de primaire eis – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt om:
- binnen één werkdag na betekening van dit vonnis aan [eiser] de schriftelijke motivering te overleggen van de heroverweging door de examinator en de gecommitteerde van vragen 36 en 41 van het examen biologie van [eiser] naar aanleiding van de argumentatie van [eiser] en zijn ouders;
primair:

subsidiair:

met (primair en subsidiair) oplegging van een dwangsom zoals in de dagvaarding gevorderd en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten.

-

binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis vragen 36 en 41 van het examen Biologie van [eiser] opnieuw te laten beoordelen door (een) andere onafhankelijke corrector(en), althans door een andere tot op heden niet betrokken ter zake deskundige examinator uit de organisatie van [gedaagde] en de gecommitteerde, met inachtneming van de argumentatie van [eiser] en zijn ouders, en

[gedaagde] veroordeelt om deze nieuwe beoordeling van de correctoren schriftelijk te (doen) motiveren en het resultaat van deze beoordeling over te nemen, in die zin dat de vaststelling van het cijfer voor het centraal examen Biologie wordt aangepast conform de score volgens de nieuwe beoordeling;

3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig handelt door de heroverwegingsbeslissing niet te motiveren. [eiser] voert – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft op 11 juli 2019 een heroverwegingsbesluit genomen over het vastgestelde cijfer voor het examen Biologie. De vaststelling van het cijfer en de heroverweging daarvan is een publiekrechtelijk besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Bij een zorgvuldig besluit hoort een zorgvuldige, consistente en onderbouwde motivering. Deze motiveringsplicht vloeit voort uit de artikelen 3:46 en 3:47 Awb, waarin een bestuursorgaan wordt verplicht een besluit te doen berusten op een deugdelijke motivering en die motivering te vermelden bij de bekendmaking van het besluit. De motiveringsplicht vloeit ook voort uit de zorgplicht die [gedaagde] als onderwijsinstelling tegenover haar eindexamenkandidaten heeft. [gedaagde] heeft hier met name een motiveringsplicht, omdat [eiser] beargumenteerd heeft gesteld dat bij de correctie van vraag 36 en 41 aanwijsbare fouten zijn gemaakt. De weigering van [gedaagde] om het heroverwegingsbesluit schriftelijk en deugdelijk te motiveren, is een duidelijke procedurele onzorgvuldigheid. [eiser] heeft recht op een serieuze overweging van zijn argumenten ten aanzien van de door hem ter discussie gestelde beoordeling van de examenvragen 36 en 41. Het niet verstrekken van een deugdelijke inhoudelijke motivering maakt de beoordeling niet controleerbaar en daarmee onzorgvuldig. De in het gesprek van 3 juli 2019 (mondeling) medegedeelde redenen om de score niet aan te passen, snijden geen hout. Er is gesteld dat [eiser] één punt voor vraag 36 niet is toegekend, omdat hij bij zijn antwoord het werkwoord ‘rondtrekken’ in plaats van ‘vliegen’ had gebruikt, maar beide werkwoorden zijn in de context (een vraag over trekvogels) aan elkaar gelijk te stellen. Ook het argument dat de antwoorden van [eiser] niet letterlijk overeenkomen met de antwoorden uit het correctievoorschrift is niet steekhoudend: dit hoeft namelijk niet. [eiser] vordert primair beoordeling van de vragen 36 en 41 door (een) andere corrector(en).Subsidiair vordert [eiser] op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inzage in (i) het schriftelijk vastgelegde contact tussen de examinator en de gecommitteerde met betrekking tot het heroverwegingsbesluit en (ii) de op 3 juli 2019 aan [eiser] en zijn ouders voorgelegde schriftelijke argumentatie van de examinator, op grond waarvan de bezwaren van [eiser] en zijn ouders tegen de puntentoekenning niet werden gehonoreerd. [eiser] heeft een gerechtvaardigd belang bij deze stukken, omdat (het ontbreken van) deze stukken aanleiding kan geven tot een oordeel van de rechter dat bij de beoordeling van het examen sprake is van aperte procedurele of inhoudelijke onjuistheden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
overwegingen

4

4.1.
Het gaat in dit kortgeding om de vraag of de vaststelling van een eindcijfer voor een Havo-eindexamen (een 5,6 voor het vak Biologie) rechtmatig is. De voorzieningenrechter zal hierna op deze vraag ingaan. Daartoe zal de voorzieningenrechter eerst kort de wettelijke procedure tot vaststelling van het eindexamencijfer doornemen.
4.2.
De vaststelling van een eindcijfer voor een eindexamen in het voortgezet onderwijs komt, verkort weergegeven, als volgt tot stand. Het eindexamenwerk van de leerling wordt beoordeeld door een examinator en een aanwezen tweede corrector van een andere school (‘de gecommitteerde’). De examinator en de gecommitteerde passen bij de beoordeling de beoordelingsnormen toe die het landelijke College voor Toetsen en Examens (‘CvTE’) heeft vastgesteld. Deze beoordelingsnormen zijn opgenomen in een correctievoorschrift, dat bij iedere toets wordt opgesteld. In het correctievoorschrift is weergegeven hoe de betreffende toets moet worden beoordeeld. In deze zaak gaat het om het correctievoorschrift Biologie Havo 2019 tijdvak 2 (hierna: ‘het Correctievoorschrift’).
4.3.
Voor de uitvoering van een opdracht worden door de examinator en door de gecommitteerde scorepunten toegekend, in overeenstemming met het bij de toets behorende correctievoorschrift. Indien een opdracht gedeeltelijk juist is uitgevoerd, wordt een deel van de te behalen scorepunten toegekend in overeenstemming met het beoordelingsmodel. Indien een opdracht is uitgevoerd op een wijze die niet in het beoordelingsmodel voorkomt en deze uitvoering op grond van aantoonbare, vakinhoudelijke argumenten als juist of gedeeltelijk juist aangemerkt kan worden, worden scorepunten toegekend naar analogie of in de geest van het beoordelingsmodel. De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast.
4.4.
De directeur (of de rector) van de school voor voortgezet onderwijs stelt vervolgens het cijfer voor het centraal examen in een vak vast op basis van deze in onderling overleg vastgestelde score.
4.5.
Indien tussen de eindexamenkandidaat en de school een geschil ontstaat over het vastgestelde cijfer, geldt de volgende procedure. Het bevoegd gezag van de school is een privaatrechtelijke rechtspersoon (een stichting). Echter, onder omstandigheden kan het bevoegd gezag als een bestuursorgaan in de zin van de Awb worden aangemerkt. Dat geldt onder andere bij de vaststelling van een eindexamencijfer voor een examenvak door de directeur (namens het bevoegd gezag). Er is sprake van de uitoefening van openbaar gezag en het gaat om een beslissing waaraan een extern rechtsgevolg is verbonden: het eindcijfer voor een eindexamenvak is namelijk beslissend voor de vraag of een diploma kan worden verstrekt. Daarmee is de vaststelling van een eindcijfer een bestuursrechtelijk besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.
4.6.
Vaak staat tegen een bestuursrechtelijk besluit beroep open bij de bestuursrechter. De vaststelling van een eindexamencijfer betreft echter een beoordeling van het kennen of kunnen van de eindexamenkandidaat. Tegen dit besluit kan op grond van artikel 8:4 lid 3 sub b Awb geen bezwaar of beroep worden ingesteld.
4.7.
Het is vaste rechtspraak dat als er geen mogelijkheid bestaat om geschil over een bepaald besluit aan de bestuursrechter (of een andere bijzondere rechter) voor te leggen, de burgerlijke rechter (als ‘restrechter’) bevoegd is om daarvan kennis te nemen. Daaruit volgt dat de burgerlijke (voorzieningen)rechter bevoegd is om over het door [eiser] voorgelegde geschil over het vastgestelde examencijfer te oordelen. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij spoedeisend belang heeft bij een snelle beslissing in kort geding, omdat [eiser] snel duidelijkheid moet hebben over de vraag of hij wel of niet is geslaagd voor zijn examen.
4.8.
Bij de beoordeling van de vorderingen stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. De burgerlijke rechter moet zich bij de beoordeling van de juistheid en geldigheid van een door de directeur van een onderwijsinstelling gegeven eindcijfer voor een centraal examen, terughoudend opstellen. De voorzieningenrechter toetst uitsluitend, terughoudend, of aan de elementaire eisen van rechtmatigheid is voldaan. Als het gaat om de inhoudelijke beoordeling van een antwoord, moet in acht worden genomen dat de beoordeling of het antwoord vakinhoudelijk juist is en strookt met het Correctievoorschrift, door de wetgever is toebedeeld aan de correctoren, als deskundige vakdocenten. De voorzieningenrechter moet de aan de correctoren toegekende beoordelingsvrijheid respecteren. Er is alleen dan plaats voor ingrijpen door de voorzieningenrechter, indien de beoordelingsbeslissing van de correctoren overduidelijk onjuist, onbegrijpelijk of onzorgvuldig is, in die zin dat de correctoren in redelijkheid niet tot het toegekende puntenaantal hebben kunnen komen.
4.9.
Onrechtmatigheid kan ook aan de orde zijn, indien de beoordelingsprocedure procedureel niet zorgvuldig is verlopen. Dat is hier niet aan de orde. Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] bij de vaststelling van het eindcijfer voor het herexamen de juiste procedure heeft gevolgd. De examinator en de gecommitteerde hebben in onderling overleg het totale puntenaantal voor het examen vastgesteld op 41 (en het aantal punten bij vraag 36 en 41 op ‘1’), wat heeft geresulteerd in een 5,6 als eindcijfer. Dit eindcijfer is met de toegekende score (op basis van het Correctievoorschrift) gemotiveerd.
4.10.
Het Eindexamenbesluit VO voorziet niet in een procedure als de examenkandidaat het oneens is met het toegekende aantal punten, terwijl op grond van de Awb ook geen bezwaar of beroep openstaat tegen het vastgestelde eindcijfer. [gedaagde] was op zichzelf genomen dan ook niet verplicht om naar aanleiding van de bezwaren van [eiser] tot heroverweging van het vastgestelde eindcijfer over te gaan. Dat neemt niet weg dat [gedaagde] dit wel (in zoverre onverplicht) heeft gedaan en vervolgens met de vereiste procedurele zorgvuldigheid heeft gehandeld. De directeur heeft de schriftelijke argumenten van [eiser] aan de examinator en aan de gecommitteerde voorgelegd, er heeft overleg tussen beiden plaatsgevonden en de examinator en de gecommitteerde zijn, in lijn met het systeem van het Eindexamenbesluit VO, tot onderlinge overeenstemming gekomen, met als uitkomst dat er geen redenen zijn om de eerder gegeven score voor vraag 36 en vraag 41 te herzien. De directeur heeft de uitkomst van de heroverweging schriftelijk bevestigd aan [eiser] en zijn ouders. Daarmee heeft de school naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter met voldoende zorg op de klachten van [eiser] en zijn ouders gehandeld.
4.11.
Volgens [eiser] handelt [gedaagde] onzorgvuldig door de beslissing tot handhaving van het cijfer niet nader te motiveren, in die zin dat de schooldirecteur in de uitkomst van de heroverweging niet nader heeft toegelicht waarom de argumenten van [eiser] niet worden gevolgd. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] zo’n nadere motiveringsplicht, omdat [eiser] gemotiveerd heeft gesteld waarom hij meer punten had moeten krijgen. Daarnaast wijst [eiser] op de verplichting van artikel 3:46 Awb, waarin is bepaald dat een besluit van een bestuursorgaan (zoals hier het vastgestelde cijfer en de beslissing om daarvan niet terug te komen, aldus [eiser]) op een deugdelijke motivering moet berusten.
4.12.
De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn betoog. Op grond van het Eindexamenbesluit VO bestaat er geen verplichting voor de correctoren om voor elke vraag nader schriftelijk toe te lichten waarom daarvoor het betreffende aantal punten is toegekend, ook niet als de eindexamenkandidaat argumenten aandraagt waarom de score volgens hem te laag is. Ook de door het CvTE opgestelde ‘Handreiking: hoe om te gaan met geschil na inzage examenwerk’ verplicht daar niet toe, nog daargelaten dat dit alleen een aanbeveling is aan scholen en geen geldend recht. Weliswaar staat in de Handreiking dat de uitkomst van het contact tussen de correctoren schriftelijk wordt vastgelegd en wordt gedeeld met de directeur, maar nergens staat dat (als de uitkomst is dat de score niet wordt aangepast) de directeur vervolgens een schriftelijke motivering van de correctoren op die beslissing aan de leerling moet verstrekken.
4.13.
Bovendien gaat [eiser] met zijn beroep op een nadere motiveringsverplichting van de correctoren voorbij aan de kern van deze procedure en de regels van bewijslastverdeling die daarbij gelden. De hoofdvraag die voorligt, is of het vastgestelde eindcijfer overduidelijk onjuist of onredelijk is, in die zin dat de directeur in redelijkheid niet tot dit eindcijfer heeft kunnen komen. Dit is geen toetsing in volle omvang van de beoordelingsbeslissing van het eindexamen, maar alleen een terughoudende toets op rechtmatigheid door de burgerlijke rechter. Besluiten die een beoordeling van het intellectuele kennen of kunnen van een eindexamenkandidaat betreffen, zijn immers van bezwaar en beroep uitgesloten. De voorzieningenrechter kan alleen ingrijpen, indien sprake is van een situatie zoals hiervoor bedoeld (zie rov. 4.6 t/m 4.8). Op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling in het civiele recht is het aan [eiser] om voldoende gemotiveerd te stellen (en zo nodig, aannemelijk te maken) dat de beoordelingsbeslissing van de correctoren overduidelijk onjuist is. Immers, [eiser] beroept zich in dit geding op de onrechtmatigheid van het vastgestelde score.
4.14.
De voorzieningenrechter gaat niet mee in het betoog van [eiser] dat [gedaagde] een (zorg)plicht heeft om nader schriftelijk te motiveren waarom slechts één punt voor vraag 36 en 41 is toegekend, omdat zonder deze motivering niet (in rechte) kan worden getoetst of sprake is van overduidelijke onjuistheden of onzorgvuldigheden in de beoordeling. Uit artikel 41 lid 1 en 3 Eindexamenbesluit VO volgt dat de correctoren bij hun beoordeling de beoordelingsnormen van het Correctievoorschrift moeten toepassen. Daarin staat wat uit het antwoord moet blijken en waarvoor punten worden toegekend. [eiser] beschikt over dit Correctievoorschrift en hij beschikt over het door hem gemaakte examen, met daarin de puntentoekenning op vraag 36 en 41. Daarmee beschikt [eiser] over alle middelen om aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast te voldoen, en in dit geding te stellen (en indien nodig aannemelijk te maken) dat en waarom de correctoren volgens hem in redelijkheid niet één punt voor elk van de vragen hebben kunnen toekennen.
4.15.
Ten aanzien van de vraag of [eiser] dit laatste voldoende aannemelijk heeft gemaakt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De rector (die bij het gesprek op 3 juli 2019 aanwezig was en ook de heroverwegingsbeslissing van de correctoren heeft toegehoord) heeft tijdens de mondelinge behandeling van 26 augustus 2019 desgevraagd toegelicht waarom [eiser] – naar hij heeft begrepen  maar één punt heeft gekregen voor zijn antwoord op de vragen 36 en 41. Uit de toelichting van de rector volgt dat daarvoor, anders dan [eiser] betoogt, niet doorslaggevend is dat [eiser] bij vraag 36 het werkwoord ‘rondtrekken’ in plaats van ‘vliegen’ heeft gebruikt of dat de antwoorden van [eiser] niet letterlijk overeenkomen met het Correctievoorschrift, maar dat er andere redenen zijn. De rector heeft toegelicht dat uit het Correctievoorschrift volgt dat de examenkandidaat bij het antwoord op vraag 36, die betrekking heeft op een trekvogel, moet noemen dat door opslag van energie in vet minder massa nodig is en dat dit gunstig is voor de vogel, omdat hij dan minder gewicht hoeft mee te torsen. [eiser] gaat in zijn antwoord nergens in op de gevolgen voor de massa van de vogel: hij noemt alleen dat er energie nodig is om rond te trekken. Het is zonneklaar dat een deel van het kernantwoord (er is door de opslag in vet minder massa, wat gunstig is voor het vliegen) ontbreekt, aldus de rector. De rector heeft ook toegelicht dat bij de heroverweging nog ter sprake is gekomen dat [eiser] strikt genomen misschien zelfs nul punten had moeten krijgen en dat er, achteraf, wellicht zelfs één punt te veel was toegekend.
4.16.
Met betrekking tot vraag 41 heeft de rector toegelicht dat deze vraag betrekking heeft op evolutie van trekvogels (de Kanoet), waarbij de snavel van de Kanoet langer is geworden. Het antwoord op de vraag (leg uit hoe de langere snavel door evolutie kan ontstaan) moet volgens de rector luiden dat sprake is van genetische variatie in de populatie trekvogels, waardoor de ene Kanoet toevallig een langere snuit heeft dan de andere Kanoet en dat die vogel daardoor een selectievoordeel heeft. Het antwoord van [eiser] kwam erop neer dat de vogel moest graven en dat hij daardoor een langere snuit krijgt, wat niet juist is: het gaat om toevallige variatie, aldus de rector tijdens de mondelinge behandeling.
4.17.
[eiser] heeft hiertegenover onvoldoende gemotiveerd (niet in de dagvaarding en ook niet na de betwisting van de rector tijdens de mondelinge behandeling) dat en zo ja, waarom de beoordeling door de correctoren van de vragen 36 en 41, anders dan de rector aanvoert, overduidelijk onjuist is en hij evident meer dan één punt voor elk van de vragen had moeten krijgen, hoewel  zoals vooropgesteld  [eiser] op dit punt de stelplicht en bewijslast heeft.
4.18.
De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat de correctoren in redelijkheid niet tot het gegeven puntenaantal voor vraag 36 en 41 hebben kunnen komen. Hoewel de voorzieningenrechter kan begrijpen dat het voor [eiser] zuur is dat hij op 0,1 punt is gezakt, is de vaststelling van zijn eindcijfer (een 5,6) niet onrechtmatig. Nu de vorderingen van [eiser] reeds daarom niet toewijsbaar zijn, kunnen de overige verweren van [gedaagde] ten aanzien van de vorderingen onbesproken blijven.
4.19.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.619,- (€ 639,- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat).
beslissing

5

De voorzieningenrechter:

5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.619,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2019.

av

_87e6305a-65d8-42ba-914f-86024d291951
1

Artikel 41 lid 1, 2 en 3 van het Eindexamenbesluit Voortgezet Onderwijs (VO) (Besluit van 10 juli 1989, houdende bepalingen inzake de eindexamens aan de scholen voor v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o. en l.b.o.. Stb. 1989, 327, laatstelijk gewijzigd 1 januari 20019, Stb. 2018, 441)

_e5e2b5af-5449-4d45-83f6-4c6f3411f90d
2

Artikel 41 lid 1 Eindexamenbesluit VO en artikel 2 lid 2 onder 2 van de Wet College voor toetsen en examens

_28023678-8910-4579-b4dc-2407ece1b705
3

Artikel 2 lid 1 Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen VO 2015 (Regeling beoordelingsnormen)

_49eeec58-8a30-45c1-9242-d3b5d31bcbe9
4

Artikel 3 lid 1 Regeling beoordelingsnormen

_5d4fe7b6-d3a1-42e0-b88e-9cf90c5c26e7
5

Artikel 3 lid 2 sub b Regeling beoordelingsnormen

_de765b73-6dcb-434c-91a2-931a0f5f926d
6

Artikel 3 lid 2 sub c Regeling beoordelingsnormen

_70891b1c-9acc-4f7c-b286-84410c859720
7

Artikel 42 lid 1 Eindexamenbesluit VO

_0721985c-f58f-4efa-a426-57be91f9145a
8

Artikel 42 lid 2 Eindexamenbesluit VO

_2cbbb0a1-46aa-4391-b951-abb45f84fd3e
9

Zie conclusie A-G mr. R.H. de Bock van 19 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:509, 4.31 t/m 4.36

_ce97336a-55fb-4c21-99a2-2cf014da7b33
10

Zie ook de hiervoor genoemde conclusie A-G de Bock, 4.44