Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:8391

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:8391, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is NL19.17396


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAG

bold

[eiser] , eiserde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
(gemachtigde: mr. L. Denishin).
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.17396

en

ECLI:NL:RBDHA:2019:8391:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG
bold

[eiser] , eiserde Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
(gemachtigde: mr. L. Denishin).
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.17396

en

procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op 8 augustus 2019 heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen zijn standpunt over de staandehouding van eiser nader te motiveren. Verweerder heeft op 9 augustus 2019 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft op 12 augustus 2019 gereageerd en daarbij de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Verweerder heeft die toestemming op 13 augustus 2019 gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek op dezelfde dag gesloten.
overwegingen

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat de MTV-controle of in ieder geval zijn staandehouding op Belgisch grondgebied heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt.

1.1.
Uit artikel 50, eerste lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder b van het Vreemdelingenbesluit 2000, volgt de bevoegdheid om vreemdelingen ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding in treinen staande te houden. Daarbij ziet de aanduiding "illegaal verblijf" op illegaal verblijf in Nederland. Hieruit volgt dat deze bevoegdheid alleen in Nederland mag worden uitgeoefend. Daarbij wijst de rechtbank op de uitspraak van 2 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW1439) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
1.2.
In het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding heeft een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) het volgende vermeld:
“Op 23-07-2019, te Breda, om 10:00 uur, was ik, (X) in de internationale trein: In de internationale trein op het traject Brussel (BE) - Amsterdam, in de gemeente Breda met het treinnummer : 9223”

“Op 23-07-2019, te 10:15 uur, heb ik, op de bovengenoemde locatie mobiel toezicht uitgevoerd omdat uit informatie of ervaringsgegevens is gebleken dat via deze route illegaal verblijf en illegale immigratie plaatsvindt. Tijdens dit mobiel toezicht heb ik, (X) in genoemde trein een persoon staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.”

In het proces-verbaal van bevindingen ‘toezicht controle o.b.v. artikel 4.17a VB 2000’ heeft dezelfde ambtenaar van de Kmar het volgende vermeld:


In het aanvullend proces-verbaal ‘ter aanvulling op proces-verbaal [nummer proces-verbaal] Proces verbaal van staandehouding’ is het volgende vermeld:

“Nadat de trein is vertrokken word er door de verbalisanten gewacht met controleren todat zij de landsgrens van Nederland zijn gepasseert. Het moment van passeren van de landsgrens word vastgesteld door naar buiten te kijken uit het raam van de trein. Op het moment dat zij zich er zeker van hebben gemaakt dat de grens reeds gepasseerd is word de controle aangevangen. Aangezien er geen mogelijkheid is om stukken op te maken tijdens de controle of in de trein word dit op een later tijdstip gedaan. Het tijdstip van passeren van de grens word genoteerd in het proces verbaal van staandehouding, echter het moment van

het passeren van de grens en de visuele bevestiging hiervan is leidend.”

1.3.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Voormeld proces-verbaal van bevindingen vermeldt dat het mobiel toezicht en de daarop volgende staandehouding heeft plaatsgevonden om 23 juli 2019 om 10.15 uur. Uit deze bewoordingen kan niet anders worden afgeleid dan dat eiser om 10.15 uur staande is gehouden. In de reactie van 9 augustus 2019 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de staandehouding van eiser in ieder geval later heeft plaatsgevonden dan 10.16.02 uur, maar verweerder heeft dat standpunt niet nader onderbouwd. Voor zover verweerder betoogt dat tussen de aanvang van het mobiele toezicht om 10.15 uur en het passeren van de landsgrens om 10.16.02 uur te weinig tijd is gelegen om iemand staande te kunnen houden, is ook dat betoog niet onderbouwd.
1.4.
Eiser heeft ter zitting een e-mail overgelegd van een medewerker van de Belgische Spoorwegen van 6 augustus 2019 waarin de medewerker bevestigt dat volgens hun intern infosysteem (Passengerweb) de IC-trein 9223 op 23 juli 2019 om 10.16.02 uur het Belgisch grondgebied heeft verlaten. Verweerder heeft dit niet betwist. Verweerders verklaring dat dit het moment is waarop de gehele trein de grens is gepasseerd, en dat de coupé waarin eiser zich bevond de grens op dat tijdstip al kon hebben gepasseerd, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in zijn reactie van 12 augustus 2019 nog een andere e-mail overgelegd van de Belgische Spoorwegen, waaruit blijkt dat het intern infosysteem het genoemde tijdstip heeft geregistreerd op het moment dat de eerste ram (het eerste deel van de trein met de bestuurderscabine) het Belgisch grondgebied verliet. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. Dat betekent dat de rechtbank niet kan uitgaan van de juistheid van de processen-verbaal waar zij vermelden dat het mobiele toezicht is aangevangen en eiser is staande gehouden op Nederlands grondgebied.
1.5.
Nu eiser in België is staande gehouden, was er ten tijde van de staandehouding geen sprake van illegaal verblijf na grensoverschrijding als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw en artikel 4.17a, eerste lid, van het Vb, zodat de ambtenaar van de Kmar niet bevoegd was eiser op grond van de hiervoor genoemde bepalingen staande te houden.
1.6.
Het gebrek in het voortraject is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank dermate ernstig dat er geen ruimte is voor een belangenafweging. De rechtbank wijst hierbij op de onder 1.1 genoemde uitspraak van 2 april 2012 van de Afdeling. Dat betekent dat de maatregel van bewaring vanaf het moment daarvan onrechtmatig is en dat het beroep gegrond is. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
2. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 22 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 1 x € 105,- (verblijf politiecel) en 21 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.785,-.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie van 12 augustus 2019, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 augustus 2019;- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.785,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280,-.
De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 13 augustus 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.