Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:8389

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 15-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:8389, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/819414-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/819414-17, 09/230904-18 (gevoegd ter terechtzitting van 21 maart 2019) en 09/817114-19 (gevoegd ter terechtzitting van 1 augustus 2019)

Datum uitspraak: 15 augustus 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres]Thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn (Maatschapslaan) te Alphen aan den Rijn

ECLI:NL:RBDHA:2019:8389:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/819414-17, 09/230904-18 (gevoegd ter terechtzitting van 21 maart 2019) en 09/817114-19 (gevoegd ter terechtzitting van 1 augustus 2019)

Datum uitspraak: 15 augustus 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres]Thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn (Maatschapslaan) te Alphen aan den Rijn
1

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 21 maart 2019 (pro forma, alleen de parketnummers 09/819414-17en 09/230904-18) en 1 augustus 2019 (inhoudelijk). Ter terechtzitting van 1 augustus 2019 is de zaak met parketnummer 09/817114-19 ter berechting gevoegd.De zaak met parketnummer 09/819414-17wordt hierna als dagvaarding I aangeduid, de zaak met parketnummer 09/230904-18 wordt hierna dagvaarding II genoemd en de zaak met parketnummer 09/817114-19 wordt hierna dagvaarding III genoemd.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.R.M. van Schoonderwoerd den Bezemer-Wolters en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Kuster naar voren is gebracht.

2

1. hij op of omstreeks 27 december 2017 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- te rijden met een snelheid van 60 km/u, althans een snelheid hoger dan deter plaatse maximaal toegestane snelheid van 50 km/u en/of- zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast zodat hij zijn voertuig totstilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of- te rijden onder invloed van alcohol (290 Ugl) en/of- te rijden zonder (geldig) rijbewijs en/of- geen voorrang heeft verleend aan een voetganger op eenvoetgangeroversteekplaats en/of- met zijn voertuig tegen een voetganger is gebotst/geredenwaardoor een ander (genaamd [naam slachtoffer ] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup en/of hoofdletsel en/of gebroken rib(ben) en/of een gebroken arm en/of gebroken neus, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
- hij heeft daar gereden met een snelheid van 60 km/u, althans een snelheid hoger dan de ter plaatse maximaal toegestane snelheid van 50 km/u en/of- hij heeft zijn snelheid niet zodanig aangepast dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of- hij heeft gereden onder invloed van alcohol (290 Ugl) en/of- hij heeft geredente zonder (geldig) rijbewijs en/of- hij heeft geen voorrang verleend aan een voetganger op een voetgangeroversteekplaats en/of- hij is met zijn voertuig tegen een voetganger gebotst/gereden, waardoor die voetganger (genaamd [naam slachtoffer ] ) lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup en/of hoofdletsel en/of gebroken rib(ben) en/of een gebroken arm en/of gebroken neus heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Gravenhage op/aan [straatnaam] , op of omstreeks 27 december 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,- terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam slachtoffer ] ) letsel en/of schade was toegebracht en/of- terwijl daardoor naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander ( [naam slachtoffer ] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3. hij op of omstreeks 27 december 2017 te 's-Gravenhage terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B en/of AM, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op deweg, [straatnaam] , als bestuurder een motorrijtuig, (te weten: een bestelbus met kenteken [(--)] ), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
4. hij op of omstreeks 23 december 2017 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig,
5. hij op of omstreeks 24 januari 2018 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2 ] en/of [slachtoffer 3 ] heeft
1. hij op of omstreeks 23 april 2019 te 's-Gravenhage zijn levensgezel, [naam levensgezel] , heeft mishandeld door- die [naam levensgezel] één of meerdere ma(a)l(en) op en/of tegen het lichaam en/of hoofd te slaan en/of te stompen en/of- die [naam levensgezel] één of meerdere ma(a)l(en) te duwen, tengevolge waarvan die [naam levensgezel] (telkens) ten val kwam;
2. hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk
3. hij op of omstreeks 01 mei 2019 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig,
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

ten aanzien van dagvaarding I:

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of eenveroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 december 2017 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (te weten: een bestelbus met kenteken: [(--)] ), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam] , als volgt heeft gehandeld:

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of eenveroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 december 2017 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (te weten:een bestelbus met kenteken [(--)] ) heeft gereden op de weg, [straatnaam] , zonder dat aanhem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
(bedrijfsauto/bestelauto, Mercedes Sprinter), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 650 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2 ] en/of [slachtoffer 3 ] dreigend de woorden toe te voegen "Kom naar buiten Conjo's" en/of "Ik Maak jullie af" en/of "Kom dan maak ik je af. Ik maak iedereen beneden af". "Bel de politie maar, want jullie hebben mijn leven verkloot en/of "Ik maak iedereen beneden af "en/of "Ik ga je doodmaken, het ongeluk wat je hebt veroorzaakt heb jij naar buiten gebracht" en/of "Kalohoer, jullie moeten naar buiten komen. Jullie vader heeft mij kapot gemaakt" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
ten aanzien van dagvaarding II:

hij op of omstreeks 17 november 2018 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een toetsenbord en/of een zonwering en/of de standaard van een monitor en/of het bovenblad van een balie, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Den Haag toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
ten aanzien van dagvaarding III :

huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 april 2019 tot en met 01 mei 2019 te 's-Gravenhage in strijd met dat huisverbod de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [straatnaam 2] ), heeft betreden en/of zich in en/of in nabijheid van die woning heeft opgehouden en/of contact heeft opgenomen met één of meer van de in dat huisverbod genoemde personen;
(personenauto (merk Mercedes, kenteken [(--)] )), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 510 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
overwegingen

3

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dagvaarding I op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit met dien verstande dat de tenlastegelegde ‘290 ug/l’ ademalcoholgehalte niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het rijden onder invloed alsmede de overige onderdelen van feit 1 primair kunnen wel wettig en overtuigend worden bewezen. Volgens de officier van justitie dient het handelen van de verdachte gekwalificeerd te worden als aanmerkelijk onvoorzichtig rijden waardoor [naam slachtoffer ] zwaar lichamelijk letsel heeft ondervonden. De officier van justitie heeft daarnaast gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 2, 3 primair, 4 en 5 met dien verstande dat zij voor wat betreft feit 3 primair bewezen acht dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat hij met een ongeldig rijbewijs reed.
Tot slot heeft de officier van justitie ten aanzien van de dagvaardingen II en III gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2
Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van dagvaarding I

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1, primair naar voren gebracht dat uit het politieonderzoek onvoldoende blijkt dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden. Verdachte heeft verklaard dat hij 60 kilometer per uur heeft gereden, maar dit wordt verder niet door enig bewijsmiddel bevestigd. Uit het politieonderzoek blijkt niet met welke snelheid hij daadwerkelijk heeft gereden omdat dit niet is onderzocht. [getuige 1] zou hebben gezien dat de verdachte voor het naderen van het zebrapad hard door een bocht reed, maar dat kan niet juist zijn aangezien het zebrapad niet in een bocht lag. Ook is het halfvolle blikje bier dat aan de bestuurderszijde van de bestelbus is aangetroffen niet forensisch onderzocht op vingerafdrukken. De berekening door het NFI van het ademalcoholgehalte van de verdachte is tot stand gekomen op basis van de verklaring van een getuige en van de verdachte zelf waardoor de berekening gebaseerd is op schattingen en onjuiste variabelen en niet objectief is. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden. Tot slot heeft de raadsvrouw gesteld dat de verdachte op afstand niet goed kon zien dat er iemand overstak gelet op de plaats van de aanrijding. Het voorgaande maakt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. Met betrekking tot feit 1 subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ter zake van feit 3 primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat vaststaat dat de verdachte zonder geldig rijbewijs heeft gereden. Echter kan niet worden vastgesteld dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs had moeten weten waardoor dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met betrekking tot feit 3 subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor feit 5 dient volgens de raadsvrouw eveneens vrijspraak te volgen, omdat niet kan worden bewezen dat de aangevers zich daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld.

Met betrekking tot de feiten 2 en 4 heeft zij geen bewijsverweer gevoerd en verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte.

Ten aanzien van dagvaarding II

De raadsvrouw heeft ten aanzien van deze zaak aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte het toetsenbord onbruikbaar heeft gemaakt, omdat hier slechts enkele bloedvlekjes op zaten.

Ten aanzien van dagvaarding III

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 omdat [naam levensgezel] wisselend heeft verklaard over de gebeurtenissen. In haar eerste verhoor heeft [naam levensgezel] namelijk verklaard dat zij zich niet alles kon herinneren. Vervolgens heeft ze in haar tweede verhoor verklaard dat zij door de verdachte is geduwd. Vanwege de ontkennende verklaring van de verdachte hierover en de wisselende verklaringen van [naam levensgezel] , kan dit feit niet bewezen worden.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 van dagvaarding III heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank

3.3
De beoordeling van de tenlastelegging


- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 augustus 2019 en - het proces-verbaal ter zake van artikel 8 WVW 1994.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 augustus 2019;- het proces-verbaal van bevindingen, p. 39;- een geschrift, te weten de beschikking van de burgemeester van Den Haag van 24 april 2019, p. 82-83 en- het proces-verbaal van bevindingen, p. 98.
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 augustus 2019, en- het proces-verbaal ter zake van artikel 8 WVW 1994, p. 28.
Ten aanzien van dagvaarding I
_1f600960-23df-44ba-bbd4-94cdc670393b

Feiten 1, 2 en 3:

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende vastgesteld.

Op 27 december 2017 heeft in Den Haag op de [straatnaam 3] , gelegen in de bebouwde kom van Den Haag op het kruispunt met [straatnaam] een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een witte bestelauto, merk Mercedes Benz, voorzien van kenteken [(--)] (hierna: de Mercedes) en een voetganger, genaamd [naam slachtoffer ] , betrokken waren. Op of dicht nabij de voetgangersoversteekplaats, vlak voor [straatnaam] , is de Mercedes in botsing gekomen met [naam slachtoffer ] die op dat moment bij het zebrapad overstak. De verdachte heeft verklaard dat hij de Mercedes bestuurde en dat hij op de [straatnaam 3] reed. [naam slachtoffer ] is door de botsing ten val gekomen en heeft als gevolg van het verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen bestaande uit een gebroken heup, een hoofdwond, meerdere gebroken ribben en een gebroken arm en neus. [naam slachtoffer ] moest hierdoor geopereerd worden en zijn herstel zal volgens de arts weken tot maanden/jaren duren.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 heeft aan het tenlastegelegde verkeersongeval. Om tot het oordeel te komen dat daarvan sprake is, is vereist dat het rijgedrag van de verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 27 december 2017 op de [straatnaam 3] reed en onderweg was naar huis. Uit het niets zag hij bij het zebrapad een - van links komend - persoon (de rechtbank begrijpt: [naam slachtoffer ] ) oversteken. Hij heeft die persoon pas gezien op het moment van de botsing en toen was het al te laat om te stoppen. Zijn zicht was niet belemmerd door struiken of bomen en hij weet niet waarom hij die persoon niet zag oversteken. Na de botsing is hij in paniek doorgereden naar huis. Hij reed voorafgaand aan de aanrijding niet harder dan ongeveer 60 kilometer per uur.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij zich als passagier in de bestelauto van de verdachte bevond en dat de verdachte ongeveer 50 à 60 kilometer per uur reed. Toen kwam er een donker beeld aan de linkerkant/linker voorkant van de bus en hoorde hij een klap. Het klonk niet hard maar het was duidelijk dat ze iets hadden geraakt. [getuige 2] zei tegen de verdachte dat hij moest stoppen om te kijken, maar de verdachte reed weg.

[getuige 1] heeft verklaard dat naast hem een witte bestelauto voorgesorteerd stond om de rijrichting van de [straatnaam 3] te volgen. Op een gegeven moment bevond hij zich achter de witte bestelauto en bleef achter de auto aanrijden. Hij zag dat de afstand tussen hem en de witte bestelauto groter werd en dat de auto de kruising met [straatnaam] naderde. Hij zag dat aldaar twee zebrapaden kort na elkaar gesitueerd zijn en dat de witte bestelauto het eerste zebrapad passeerde dat op dat moment vrij was. Hij zag vervolgens dat kort nadat de witte auto het zebrapad was gepasseerd er voor de witte bestelauto een persoon links in de berm viel.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek gedaan naar het ademalcoholgehalte van de verdachte indien dit wordt gecorrigeerd voor het drinken van alcoholische drank na het tijdstip van het voorval en voor het tijdstip van de ademanalyse. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ademalcoholgehalte zal hebben gelegen tussen 85 en 215 microgram alcohol per liter.

Uit de Verkeersongevallenanalyse (VOA) volgt dat een zebrapad was gesitueerd vlak voor de aansluiting met [straatnaam] en duidelijk zichtbaar was middels geplaatste verkeersborden van model L3 ‘‘voetgangersoversteekplaats’’ aan beide zijden van de rijbaan. Op de weg, vlak na de voetgangersoversteekplaats, lagen diverse zwarte kunststof deeltjes op het wegdek alsmede een deel van een zwart kunststof rooster en een kentekenplaat voorzien van kenteken [(--)] . Deze onderdelen waren afkomstig van de voorzijde van de Mercedes. Gelet op de plaats waar deze sporen zijn aangetroffen ontstond het vermoeden dat de botsing had plaatsgevonden op of dicht nabij de oversteekplaats. De auto had immers een voorwaartse snelheid tijdens de botsing waardoor delen van het voertuig zijn losgekomen en verderop het wegdek terecht zijn gekomen.

Niet verlenen van voorrang

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank constateert dat het zicht van de verdachte niet werd belemmerd door bomen of struiken. De verdachte moet goed zicht hebben gehad op het zebrapad en op het trottoir naast het zebrapad. Hij had rekening moeten houden met overstekende voetgangers. De verdachte heeft verklaard dat hij uit het niets iemand zag oversteken en [naam slachtoffer ] pas op het moment van de aanrijding heeft gezien. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte bij het naderen van het zebrapad onvoldoende heeft opgelet of iemand overstak. Hij heeft daarbij bovendien ten onrechte geen voorrang verleend aan [naam slachtoffer ] die op dat moment op het zebrapad overstak.
Snelheid

Op basis van de eigen verklaring van de verdachte in combinatie met de getuigenverklaring van [getuige 1] , stelt de rechtbank vast dat hij met een snelheid van 60 kilometer per uur heeft gereden. Dit was meer dan de toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. De verdachte heeft bovendien zijn snelheid bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats niet zodanig aangepast dat hij in staat was om zijn auto tijdig tot stilstand te brengen.
Alcoholgebruik

De rechtbank is voorts - anders dan de verdachte stelt - van oordeel dat de verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden. Het NFI heeft onderzoek gedaan naar het ademalcoholgehalte van de verdachte. Het NFI is er daarbij van uitgegaan van de gegevens van de ademanalyse van de verdachte op 27 december 2017 om 22:17 uur. Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 91 van het dossier blijkt echter dat de verdachte op 21:17 uur is onderworpen aan het ademanalyseonderzoek. Het NFI is daarom van een langer tijdsbestek uitgegaan tussen het drinken van alcohol direct na het ongeval en de ademanalyse. De verdachte wordt hierdoor echter niet in zijn verdediging geschaad, nu uit het onderzoek blijkt dat alcohol in een tijdsbestek van maximaal anderhalf uur in het bloed wordt opgenomen. Gelet daarop zijn de resultaten van het onderzoek van het NFI gunstiger voor de verdachte dan in het geval van het juiste tijdsbestek zou zijn uitgegaan. Het NFI concludeert dat het ademalcoholgehalte van de verdachte, indien dit wordt gecorrigeerd voor het drinken van alcohol na het verkeersongeval, zal hebben gelegen tussen 85 en 215 microgram alcohol per liter. De verklaring van de verdachte dat hij voor het verkeersongeval geen alcohol had gedronken kan gelet daarop niet kloppen. Op grond van het onderzoek gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte op het moment dat hij reed onder invloed was van alcohol. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het ademalcoholgehalte van de verdachte 290 ug/l betreft waardoor hij van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal worden vrijgesproken.
Rijden zonder (geldig) rijbewijs

Na het verkeersongeval is uit onderzoek gebleken dat de verdachte de Mercedes bestuurde zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Uit nader onderzoek is gebleken dat de rijbevoegdheid van de verdachte in Engeland is ontzegd op 25 maart 2015.
De verdachte heeft hierover bij zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij niet in het bezit was van een Nederlands rijbewijs en daarom zonder rijbewijs reed.In zijn tweede verhoor heeft hij verklaard dat zijn Brits rijbewijs ongeldig was verklaard in Engeland omdat hij zonder keuringsbewijs heeft gereden. Hij heeft nooit een Nederlands rijbewijs aangevraagd. Hij heeft zijn Brits rijbewijs laten afkeuren omdat hij het wilde omwisselen voor een Nederlands rijbewijs.
De rechtbank constateert dat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting wisselend heeft verklaard over de geldigheid van zijn rijbewijs en dat die verklaringen innerlijke tegenstrijdigheden bevatten. In zijn eerste verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd, heeft hij verklaard dat zijn Brits rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij zonder rijbewijs reed. Op grond van die verklaring acht de rechtbank bewezen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij niet mocht rijden. De verklaring van de verdachte die hij op de zitting heeft afgelegd, te weten dat hij ervan uitging dat zijn rijbewijs weer geldig was en dat hij pas nadat hij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen in Engeland heeft gebeld erachter kwam dat de ongeldigheid daarvan was verlengd, acht de rechtbank op grond van het voorgaande niet aannemelijk. Die verklaring wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven.

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte op 27 december 2017 te Den Haag, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten de categorie B en AM, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, [straatnaam] , als bestuurder een motorrijtuig, (te weten: een bestelbus met kenteken [(--)] ), van één van die categorieën heeft bestuurd.

Conclusie

Concluderend heeft verdachte gereden met een snelheid van 60 kilometer per uur waar 50 kilometer per uur was toegestaan, heeft hij zijn snelheid niet zodanig aangepast dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen en heeft hij geen voorrang verleend aan een voetganger die overstak bij een zebrapad. Daarbij komt dat de verdachte heeft gereden zonder geldig rijbewijs en onder invloed van alcohol. Deze gedragingen van de verdachte leveren geen roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW 1994 op. Om die reden zal de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen waardoor de verdachte schuld heeft aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. De rechtbank beoordeelt de ernst van de verwondingen van [naam slachtoffer ] in combinatie met de herstelduur dusdanig dat zonder meer gesproken kan worden van zwaar lichamelijk letsel bij [naam slachtoffer ] , opgelopen ten gevolge van het door de verdachte veroorzaakte ongeval.
Op grond van het bovengenoemde overwegingen acht de rechtbank de feiten 1 primair, 2 en 3 primair wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4
_6c49ed6e-3ba3-4ae8-a096-501e31f84c50

Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit van dit feit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

Feit 5
_3ea5b9d9-4706-40e4-a202-a093029b56e7

Op 24 januari 2018 heeft [slachtoffer 2 ] aangifte gedaan van bedreiging. Zij verklaarde het volgende. Op 24 januari 2018 omstreeks 01:05 uur werd zij door haar dochter geroepen terwijl zij in bed lag. Haar dochter vertelde haar dat de bovenbuurman (de rechtbank begrijpt: de verdachte) aan de voordeur van hun benedenwoning stond te schreeuwen, tegen de deur stond te slaan en te schoppen en daarbij riep ‘kom naar buiten conjo’s’, ‘ik maak jullie af’. [slachtoffer 2 ] liep naar de tuin en zag boven op het balkon de bovenbuurman staan. Zij zag dat hij haar aankeek en riep: ‘kom dan, ik maak je af, ik maak iedereen beneden af’, ‘ik ga je dood maken, het ongeluk wat ik heb veroorzaakt heb jij naar buiten gebracht’. Zij is door de bedreigingen erg bang voor haar welzijn en dat van haar gezin.

Op 24 januari 2018 heeft [slachtoffer 3 ] ook aangifte gedaan van bedreiging. Zij verklaarde het volgende. Op 24 januari 2018 omstreeks 01:00 uur kwam zij thuis van werk. Zij hoorde dat de haar bekende buurman, wonende op huisnummer [(--)] (de rechtbank begrijpt: de verdachte), voor de voordeur stond te schreeuwen. Zij hoorde dat hij aan het schelden was en dat hij zei: ‘conjo, kaolo’. Zij is vervolgens naar de slaapkamer van haar ouders aan de achterzijde van de woning gelopen en heeft haar moeder wakker gemaakt omdat zij bang was voor de bovenbuurman. Zij hoorde dat er opnieuw geschreeuwd werd door de bovenbuurman. Hij schreeuwde: ‘Kom naar buiten dan maak ik jullie af’. Hierop heeft zij de politie gebeld omdat zij bang was dat hij deze bedreigingen ten uitvoer zou brengen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 2 ] en [slachtoffer 3 ] zijn gegevens op social media hebben bekendgemaakt naar aanleiding van een aanrijding die hij had veroorzaakt. Hij had thuis alcohol gedronken op die bewuste dag waardoor hij ze toen heeft bedreigd.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd kan worden als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en overweegt daartoe als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Op beide elementen (het op de hoogte raken van de bedreiging én het ontstaan van vrees) moet het opzet van de verdachte zijn gericht. Daarvoor is voorwaardelijk opzet - het aanvaarden van een aanmerkelijke kans - voldoende.

De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de verdachte de bovengenoemde bewoordingen heeft geroepen tegen [slachtoffer 2 ] en [slachtoffer 3 ] terwijl hij, in een dronken toestand, hard tegen hun voordeur stond te bonken. De uitingen van de verdachte zijn onder die omstandigheden naar hun aard bedreigend waardoor bij [slachtoffer 2 ] en [slachtoffer 3 ] de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte de bedreiging ten uitvoer zou brengen. [slachtoffer 2 ] en [slachtoffer 3 ] hebben ook verklaard dat zij bang waren dat de verdachte hen iets zou aandoen. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht jegens [slachtoffer 2 ] en [slachtoffer 3 ] wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van dagvaarding II
_f9f6cbdd-948a-43e5-8ed1-e4119058495c

[naam] heeft op 17 november 2018 namens politie-eenheid Den Haag aangifte gedaan van vernieling. Hij heeft als volgt verklaard. Om 19:00 uur bevond hij zich in het politiebureau gelegen aan De Heemstraat 168 in Den Haag. Om 19:05 uur werd hij door een collega geroepen omdat er aan de voorzijde van het bureau bij de servicebalie iets gaande was. Toen bleek dat een man (de rechtbank begrijpt: de verdachte) zojuist een aantal vernielingen had aangericht. De man had bebloede handen. Dit bloed zat ook op de balie. Voorts zag hij dat een computer beeldscherm, een toetsenbord en de luxaflex waren vernield.

Uit de verklaring van [verbalisant 1] blijkt het volgende. De verdachte heeft op 17 november 2018 een toetsenbord, luxaflex zonwerking en standaard van een monitor vernield. Het toetsenbord zat onder de bloedspetters en een aantal toetsen ontbraken waardoor het toetsenbord vervangen dient te worden. Diverse lamellen van de zonwering waren geknakt/verbogen. Ook waren diverse koorden kapot waaraan deze lamellen waren bevestigd. De zonwering functioneert daardoor niet meer. De standaard van de monitor is voor een groot deel afgebroken. In het bovenblad van de balie is een aantal putten zichtbaar. Dit komt doordat de verdachte de monitor en het toetsenbord met kracht op het bovenblad heeft gesmeten.

Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte het beeldscherm op de balie omverslaat waardoor het van de balie valt en dat daarbij een toetsenbord is gesneuveld. Voorts is te zien dat de verdachte de luxaflex aanvalt en vernielt.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onder invloed van alcohol een aantal goederen in voornoemd politiebureau heeft vernield.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk en wederrechtelijk een toetsenbord, een zonwering en de standaard van een monitor heeft vernield en dat er door toedoen van de verdachte op het bovenblad van een balie, toebehorende aan Politie Eenheid Den Haag, putjes zijn ontstaan, waardoor hij deze balie heeft beschadigd.

Ten aanzien van dagvaarding III
_f9f1bc4a-1d57-498d-ba29-db54cca5361d

Feit 1

[naam levensgezel] heeft op 23 april 2019 aangifte gedaan van mishandeling. Op die dag was de verdachte aanwezig in haar woning gelegen aan de [straatnaam 2] in Den Haag. Er ontstond ruzie tussen haar en de verdachte over haar drankgebruik. De verdachte heeft haar geduwd waardoor ze tegen een houten salontafel is gevallen en een bloedneus kreeg. Hoe zij is geduwd, gevallen en de pijn die ze hierdoor had ondervonden kan ze zich niet meer goed herinneren. Haar oog is rood en ze heeft pijn aan haar rechterschouder.

Tijdens haar verhoor op 25 april 2019 heeft [naam levensgezel] verklaard dat zij zich kan herinneren dat ze tegen de tafel is gevallen door de duw van de verdachte. Dit was een harde duw want ze voelde duidelijk dat hij met zijn platte handen duwde waardoor ze niet rechtop kon blijven staan.

[verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij op 23 april 2019 naar de woning aan de [straatnaam 2] in Den Haag is gegaan. In de slaapkamer zat een vrouw op bed. Zij had een bebloed gezicht. De verbalisant hoorde [naam] , de dochter van aangeefster, verklaren: “Mama, dit heeft papa gedaan. Zeg het gewoon”.

[verbalisant 3] , die naar aanleiding van een melding huiselijk geweld op de [straatnaam 2] in Den Haag ter plaatse kwam, heeft over de gebeurtenissen het volgende gerelateerd. In de woning waren drie personen aanwezig, waaronder de destijds achtjarige [naam] . [naam] verklaarde dat ze in haar slaapkamer was en dat haar moeder bij haar op de kamer was. De verdachte, die door [naam] ‘vader’ wordt genoemd, was boos geworden. Hierop heeft haar vader haar moeder een duw gegeven, waardoor haar moeder ten val kwam tegen een kast.

De rechtbank stelt vast dat [naam levensgezel] zowel in haar aangifte als tijdens een verhoor twee dagen later heeft verklaard dat zij door de verdachte werd geduwd en dat zij daardoor is gevallen. Dat zij zich in eerste instantie, door overmatig drankgebruik, niet goed de details van het incident kon herinneren , doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen, nu deze op essentiële onderdelen overeenkomen. Bovendien worden deze verklaringen ondersteund door de verklaring van [naam] , die direct in de woning tegen de verbalisant heeft gezegd dat haar moeder werd geduwd door de verdachte, en door het door de verbalisanten geconstateerde letsel bij [naam levensgezel] . De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam levensgezel] . De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam levensgezel] heeft geduwd ten gevolge waarvan zij ten val kwam. De verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte [naam levensgezel] één of meerdere malen op het lichaam en het hoofd heeft geslagen en gestompt nu daarvoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. In het dossier zit alleen een verklaring van [naam] , die verklaart dat de verdachte haar moeder heeft geslagen. Ondersteunend bewijs ontbreekt op dit punt terwijl verdachte heel stellig ontkent dat dit is gebeurd. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het bestanddeel (meerdere malen) slaan en/of stompen tegen het lichaam en/of hoofd.

De feiten 2 en 3

Aangezien de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit van deze feiten, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

3.4
De bewezenverklaring

1. primair. hij op 27 december 2017 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,- te rijden met een snelheid van 60 km/u, althans een snelheid hoger dan de ter plaatse maximaal toegestane snelheid van 50 km/u en- zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast zodat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en- te rijden onder invloed van alcohol en- te rijden zonder geldig rijbewijs en- geen voorrang heeft verleend aan een voetganger op een voetgangersoversteekplaats en- met zijn voertuig tegen een voetganger is gebotst waardoor [naam slachtoffer ] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup en hoofdletsel en gebroken ribben en een gebroken arm en gebroken neus werd toegebracht;
2. hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Gravenhage op [straatnaam] , op 27 december 2017 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,- terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan [naam slachtoffer ] letsel en schade was toegebracht en- terwijl daardoor naar hij wist [naam slachtoffer ] aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3 primair. hij op 27 december 2017 te 's-Gravenhage terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B en AM, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, [straatnaam] , als bestuurder een motorrijtuig, te weten: een bestelbus met kenteken [(--)] van één van die categorieën heeft bestuurd;
4. hij op 23 december 2017 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig, bestelauto, Mercedes
5. hij op 24 januari 2018 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2 ] en [slachtoffer 3 ] heeft bedreigd met enig
1. hij op 23 april 2019 te 's-Gravenhage zijn levensgezel, [naam levensgezel] , heeft mishandeld door die [naam levensgezel] te duwen, ten gevolge waarvan die [naam levensgezel] ten val kwam;
2. hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk
3. hij op 1 mei 2019 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto merk
De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van dagvaarding I:

Sprinter, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 650 microgramalcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2 ] en/of [slachtoffer 3 ] dreigend de woorden toe te voegen "Kom naar buiten Conjo's" en/of "Ik maak jullie af" en "Kom dan maak ik je af. Ik maak iedereen beneden af" en "Ik ga je doodmaken, het ongeluk wat ik heb veroorzaakt heb jij naar buiten gebracht";
Ten aanzien van dagvaarding II:

hij op 17 november 2018 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een toetsenbord, een zonwering, de standaard van een monitor en het bovenblad van een balie, toebehorende aan Politie Eenheid Den Haag, heeft vernield en/of beschadigd.
Ten aanzien van dagvaarding III:

huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op tijdstippen in de periode van 24 april 2019 tot en met 01 mei 2019 te 's-Gravenhage in strijd met dat huisverbod de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [straatnaam 2] , zich in de nabijheid van die woning heeft opgehouden en contact heeft opgenomen met één van de in dat huisverbod genoemde personen;
Mercedes, kenteken [(--)] , dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 510 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, het bij dagvaarding II en het bij dagvaarding III onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering op 2 mei 2019. Zij heeft naast de gevangenisstraf een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren gevorderd. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contact- en locatieverbod met [naam levensgezel] zal worden opgelegd en dat dit contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Op iedere overtreding van het contact- en locatieverbod zou een vervangende hechtenis van 1 week per overtreding moeten worden gesteld.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de door de officier van justitie geformuleerde eis te hoog is, nu artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en gelet op de bepleite vrijspraken, met name ten aanzien van het bij dagvaarding I onder feit 1 primair ten laste gelegde feit. Het opleggen van een taakstraf verdient de voorkeur of een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis. Een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren is te lang en strookt niet met de jurisprudentie in vergelijkbare zaken. De verdachte heeft zijn rijbewijs ook dringend nodig voor zijn werk. De dadelijke uitvoerbaarheid van het contact- en locatie verbod zou opgelegd kunnen worden maar de verdachte heeft verklaard geen behoefte meer te hebben aan contact met [naam levensgezel] .

6.3
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft binnen anderhalf jaar tijd negen strafbare feiten gepleegd onder invloed van alcohol. Hij heeft op 23 december 2017 een auto bestuurd nadat hij te veel alcohol had gedronken. Op verkeersdeelnemers rust te allen tijde een zorgplicht jegens overige verkeersdeelnemers. De verdachte is hierin door alcohol te drinken en vervolgens te gaan rijden vergaand tekort geschoten. Op 27 december 2017 heeft de verdachte drie Wegenverkeerswetfeiten gepleegd. Hij heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt toen hij onder invloed van alcohol en zonder geldig rijbewijs, te hard heeft gereden en geen voorrang heeft verleend bij een zebrapad. Daardoor heeft het slachtoffer [naam slachtoffer ] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de ter terechtzitting - namens [naam slachtoffer ] - door zijn raadsman, mr. Th.M. Briggeman, voorgelezen slachtofferverklaring volgt dat hij ernstige fysieke en psychische gevolgen van blijvende aard heeft ondervonden door het ongeval. Hij heeft veel pijn aan zijn knie en loopt daardoor moeizaam, hetgeen wordt veroorzaakt door zijn heup die op twee plaatsen was gebroken. Ook heeft hij veel last van oorsuizingen en geheugenstoornissen. Hij is hierdoor een sterk afhankelijke man geworden die niet meer zelfstandig kan wonen en functioneren. Zo kan hij als gevolg van het ongeval niet meer naar zijn woning in Spanje waar hij altijd graag kwam. De verdachte heeft zich na het ongeval helemaal niet om het slachtoffer bekommerd. Sterker nog, na het ongeval heeft hij de plaats van het ongeval verlaten en heeft hij het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij dit ernstige verkeersongeval heeft veroorzaakt.Verder heeft de verdachte een maand later, op 24 januari 2018, zijn buren [slachtoffer 2 ] en [slachtoffer 3 ] met de dood bedreigd. Dit is een ernstig feit waarbij de verdachte gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt, niet alleen bij de betreffende slachtoffers maar ook bij de omwonenden.Op 17 november 2018, heeft de verdachte goederen van de politie eenheid Den Haag vernield en beschadigd. Hierdoor heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de politie. Het zijn ergerlijke feiten die financiële schade en overlast voor zowel de slachtoffers als de maatschappij veroorzaken. Ook dit feit heeft de verdachte onder invloed van alcohol gepleegd.Nadat de verdachte voor bovenstaande feiten telkens was aangehouden en zijn voorlopige hechtenis onder voorwaarden was geschorst, heeft hij zich op 23 april 2019 schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex partner, [naam levensgezel] , door haar te duwen. Deze mishandeling heeft plaatsgevonden in de woning van [naam levensgezel] , in het bijzijn van een minderjarig kind, terwijl dit bij uitstek de plaats is waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen. De verbalisant die in de woning aanwezig was, heeft gezien dat het kind heel angstig was. Door deze mishandeling heeft de verdachte op 24 april 2019 een tijdelijk huisverbod opgelegd gekregen voor de duur van tien dagen, maar hij stond kort daarna weer voor de deur van [naam levensgezel] . Later bleek bij de aanhouding van de verdachte, op 1 mei 2019 in zijn auto, dat hij wederom onder invloed van alcohol heeft gereden. De verdachte was tijdens het plegen van deze strafbare feiten telkens onder invloed van alcohol. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zeer kwalijk omdat de verdachte ondanks eerdere overtredingen en schorsingen van de voorlopige hechtenis strafbare feiten blijft plegen. Verdachte blijkt hardleers te zijn lijkt niet van zijn fouten te leren. Dit zal de rechtbank bij de vaststelling van de straf in het nadeel van de verdachte meewegen.
De rechtbank heeft gelet op strafblad van de verdachte van 2 juli 2019 waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ook dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De reclassering heeft geen recent rapport over de verdachte uitgebracht omdat de verdachte niet op de afspraken reageerde of deze verzette en nadien in detentie verbleef. Uit de adviezen van de reclassering van 2 mei 2019 en 10 juli 2019 volgt dat de reclassering na 30 april 2019 de verdachte niet meer heeft gesproken. Sinds 21 november 2018 loopt de verdachte in een schorsingstoezicht ter zake dagvaarding II. Sinds 3 mei 2019 is de preventieve hechtenis wederom geschorst onder voorwaarden, te weten: een meldplicht, een behandelverplichting met de mogelijkheid van een opname van maximaal 7 weken ter detoxificatie, een contactverbod met [naam levensgezel] en een locatieverbod voor de [straatnaam 2] in Den Haag, nadat hij werd verdacht van een nieuw strafbaar feit, dit keer voor een verdenking van eenvoudige mishandeling onder verzwarende omstandigheden onder dagvaarding III. De verdachte heeft zich echter niet gehouden aan die schorsingsvoorwaarden, met name niet voor wat betreft de meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan de totstandkoming van een reclasseringsadvies. De reclassering maakt zich zorgen over het risicovolle gedrag van de verdachte. Hij lijkt weinig tot geen inzicht te hebben in de gevolgen van zijn gedrag. Het alcoholgebruik leidt niet alleen voor hem zelf, maar ook voor anderen tot grote risico’s. Behandeling hiervoor is noodzakelijk, maar de verdachte toont geen initiatief om de behandeling te volgen en hij verschijnt regelmatig niet op de behandelgesprekken. Hij zegt zelf het nut er niet van in te zien en vertelde de afspraken na te willen komen uit vrees anders zijn werk en huisvesting te verliezen. Veranderbereidheid lijkt er vooralsnog niet te zijn. De kans op recidive wordt hierdoor hoog inschat. Geadviseerd wordt om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
Gezien de ernst en de veelheid van de bewezenverklaarde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De rechtbank is daarbij uitgegaan van de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken en komt op basis daarvan tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden die ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis op 2 mei 2019 waren opgelegd worden verbonden. Met het voorwaardelijke strafdeel wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en daarnaast om verdachtes medewerking aan de bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling voor zijn alcoholproblematiek te verzekeren. De proeftijd wordt bepaald op 2 jaren. Daarnaast zal aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor de duur van 2 jaren.

Ook zal, met name in het belang van [naam levensgezel] , aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoel in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met [naam levensgezel] en een locatieverbod rondom het gebied van haar adres, gelegen aan de [straatnaam 2] te Den Haag. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [naam levensgezel] zal de rechtbank bevelen dat voornoemd contact en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank zal de gevangenhouding van de verdachte bevelen, aangezien de gronden die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen nog onverkort van toepassing zijn.

7

[naam slachtoffer ] , bijgestaan door mr. Th.M. Briggeman, heeft zich ten aanzien van het onder 1 (onder parketnummer 09/819414-17) ten laste gelegde feit als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 34.040,-. De vordering strekt tot vergoeding van een totaal bedrag aan materiële schade van € 11.040,- en een totaal bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade, waarvan een bedrag van € 2.000 door de verzekering is vergoed.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreekse schade ten aanzien van de kosten van de gehoorapparaten en de revalidatiekosten omdat ten aanzien van die kosten alleen facturen aan de vordering zijn gevoegd en dit niet is onderbouwd met medische stukken. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen.

7.3
Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank acht de vordering ten aanzien van de revalidatiekosten ter hoogte van € 6.350,- voldoende onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat die kosten geleden schade betreffen als gevolg van het onder 1 (dagvaarding I) bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de kosten van de gehoorapparaten niet-ontvankelijk verklaren nu onvoldoende onderbouwd is of en in welke mate deze schade in (voldoende) causaal verband staat tot het verkeersongeval. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken is gebleken dat ook voor dit ongeval al sprake was van gehoorklachten.
Dit maakt dat de gevorderde toewijsbaar is tot een bedrag van € 6.350,-. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

De rechtbank acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 17.000,-, welk bedrag als redelijk wordt aangemerkt gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen die het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij heeft gehad en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld plegen toe te kennen.Uit de stukken is gebleken dat de verzekeringsmaatschappij een bedrag van € 2.000,- aan smartengeld aan de benadeelde partij heeft uitgekeerd. De omstandigheid dat schade van een benadeelde partij reeds is gedekt door een verzekeringsmaatschappij brengt met zich dat deze vergoeding op de voet van artikel 6:100 BW wordt aangemerkt als voordeel en dient te worden verrekend met de gevorderde schadevergoeding.
Tegen deze achtergrond stelt de rechtbank vast dat na verrekening van het al uitgekeerde bedrag een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade resteert. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook gedeeltelijk toewijzen tot het bedrag van € 15.000,- en de vordering voor het overige afwijzen.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank de vordering van [naam slachtoffer ] zal toewijzen tot een totaalbedrag van € 21.350,-.

De gevorderde wettelijke rente is voor wat betreft de materiële schade toewijsbaar vanaf 30 juli 2019 (datum van de indiening van de vordering) en voor wat betreft de immateriële schade vanaf 27 december 2017 omdat die schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 63, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;- 6, 7, 8, 9, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

beslissing

9


- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;en de voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- zich binnen drie werkdagen na zijn vrijlating tijdens kantooruren zal melden bij GGZ reclassering Fivoor, Johanna Westerdijkplein 40 Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen en zich zal blijven melden bij de reclassering zo lang en frequent als dat door deze reclasseringsinstelling nodig wordt geacht;
- zich houdt aan aanwijzingen en/of voorschriften van of namens deze reclasseringsinstelling;
- zich laat behandelen bij de forensische polikliniek Fivoor of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, ook als dat inhoudt het deelnemen aan een intake bij de forensische polikliniek Fivoor, en zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die hem door of namens deze instelling worden gegeven–
-

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam levensgezel] ;beveelt dat vervangende hechtende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
1 (één) week

- ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 2 (;


De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals die hierboven onder 3.4 bewezen zijn verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/819414-17):

feit 1, primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3, primair:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 4:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 5:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09/230904-18

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen;

ten aanzien van dagvaarding III (parketnummer 09/817114-19):

feit 1:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

feit 2:
als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod;

feit 3:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot , niet zal worden tenuitvoergelegd onder de voorwaarden dat de veroordeelde:

indien zich een crisis bij de veroordeelde voordoet zich eenmalig klinisch laat opnemen ter bestrijding van die crisis, waarbij de behandeling tevens kan bestaan uit detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, voor de d