Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:8345

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:8345, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB 19/1000


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK DEN HAAG [eiser] ,de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Zittingsplaats Haarlem
verweerder.

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1000

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 juli 2019 in de zaak tussen

geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit, eiser,(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam)
en

ECLI:NL:RBDHA:2019:8345:DOC
nl

RECHTBANK DEN HAAG [eiser] ,de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Zittingsplaats Haarlem
verweerder.
Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1000

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 juli 2019 in de zaak tussen

geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit, eiser,(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam)
en

procesverloop

Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van machtiging voorlopig verblijf (mvv) voor het doel nareis bij de heer [referent] (hierna: referent) afgewezen.
Bij besluit van 5 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.Verweerder heeft op 23 juli 2019 een verweerschrift ingediend.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is referent verschenen en een tolk, de heer A. Solomon. Verweerder heeft de rechtbank bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.
Overwegingen
arabic

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Referent is de gestelde biologische vader van eiser. Aan referent is op 24 maart 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft vervolgens de onderhavige aanvraag voor eiser ingediend op 6 april 2017 samen met aanvragen voor een mvv voor de nareis van zijn echtgenote, mevrouw [naam 1] en zijn twee andere kinderen [naam 2] en [naam 3] . Eiser verblijft sinds zijn tweede jaar bij referent en de echtgenote van referent en niet bij zijn biologische moeder. De biologische moeder van eiser, mevrouw [naam 4] , verblijft in Eritrea en is inmiddels opnieuw getrouwd en heeft uit dat huwelijk vier minderjarige kinderen. Aan de echtgenote van referent en de andere kinderen is door verweerder bij besluit van 8 maart 2018 een mvv verleend. De echtgenote en kinderen hebben verweerder vervolgens verzocht de termijn voor het afhalen van deze verleende mvv’s met drie maanden te verlengen zodat eiser, in verband met de afwijzing van zijn aanvraag, niet alleen achterblijft in Ethiopië. Verweerder heeft dit verzoek echter afgewezen. De echtgenote en kinderen hebben de door verweerder verleende mvv’s niet opgehaald. Zij hebben inmiddels herhaalde aanvragen voor afgifte van een mvv in het kader van nareis bij referent ingediend. Verweerder heeft aangegeven dat in die procedure een DNA-onderzoek zal plaatsvinden tussen referent en de echtgenote en kinderen. Momenteel verblijven eiser en de overige gezinsleden samen in Addis Abeba, Ethiopië.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser in het primaire besluit afgewezen op de volgende gronden. Eiser heeft geen officiële documenten overgelegd die de identiteit dan wel de familierechtelijke relatie met referent aantonen. Als indicatieve documenten zijn een kopie van de doopakte en een vaccinatiebewijs overgelegd. Gezien hetgeen ambtshalve bij verweerder bekend is over identiteits- en familierechtelijke documenten in Eritrea stelt verweerder vervolgens dat sprake is van bewijsnood. Voorts is weliswaar een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder van eiser toegestuurd, maar daarbij is geen officieel identiteitsdocument met handtekening van die achterblijvende ouder meegestuurd om dit te verifiëren. Weliswaar bevat het overgelegde voogdijpapier een handtekening van de achterblijvende ouder maar dit papier is geen officieel door de overheid van Eritrea afgegeven document zodat die niet kan dienen ter verificatie van de handtekening. Voorts is weliswaar door verweerder aangegeven dat de achterblijvende ouder naar Addis Abeba in Ethiopië kan reizen om aldaar een toestemmingsverklaring in te vullen en gelijktijdig DNA af te staan, maar door eiser is aangegeven dat zij daartoe niet in staat is, hetgeen voor rekening en risico van eiser komt.

Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit (samengevat) allereerst gesteld dat in het primaire besluit niet is gesteld dat de identiteit van eiser en de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent vast staat. Geconstateerd is dat eiser in bewijsnood verkeert en het ontbreken van officiële documenten ten aanzien van zijn identiteit en de gezinsband niet aan hem kan worden toegerekend. Wel zijn indicatieve bewijzen overgelegd, maar daaraan kan niet de waarde worden gehecht die eiser wenst omdat deze niet zijn vertaald. Zij dienen dus niet als begin van bewijs van de gezinsband. Weliswaar is bewijsnood aangenomen ten aanzien van de identiteit en gezinsband maar verweerder heeft geen DNA-onderzoek aangeboden omdat niet is aangetoond dat de achterblijvende ouder toestemming geeft voor het vertrek van eiser naar Nederland. De door eiser overgelegde voogdij overdracht van 22 december 2017 is door Bureau Documenten onderzocht en aangemerkt als “niet te beoordelen” waardoor geen uitspraak kan worden gedaan over de authenticiteit van dit document. Voorts is van belang dat geen officiële familierechtelijke documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat [naam 4] inderdaad de biologische moeder is van eiser. Daarom is het noodzakelijk om middels DNA-onderzoek te verifiëren of de persoon die de toestemmingsverklaring heeft getekend ook daadwerkelijk de biologische moeder is. De voogdijverklaring toont, ook al zou deze authentiek blijken, de familierechtelijke relatie voorts niet aan omdat het op basis van verklaringen en getuigen is opgesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van de overgelegde verklaring van de honorair-consul, nog los van het feit dat deze niet is aangesteld om dergelijke verklaringen namens de Nederlandse overheid te bevestigen. Niet is aangetoond dat het voor de biologische moeder van eiser niet mogelijk is om naar Ethiopië te reizen om DNA af te staan. Dat het kostbaar is en niet gemakkelijk, wil niet zeggen dat dit in alle situaties onmogelijk is. Er is weliswaar verklaard dat de gestelde biologische moeder een eigen gezin heeft en dat eiser slechts sporadisch contact met haar heeft, maar ook dit toont niet aan dat het onmogelijk is. DNA afname bij de honoraire consul of een ambassade van een andere lidstaat in Eritrea behoort voorts niet tot mogelijkheden. Zij hebben namelijk niet de bevoegdheden om een dergelijke verantwoordelijkheid van het Nederlandse ambassadewezen over te nemen en uit te voeren. Hetzelfde geldt ten aanzien van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). In bijzondere individuele gevallen wordt wel bijstand verleend door het IOM dan wel UNHCR, maar in dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Immers, niet is aangetoond dat de biologische moeder niet in staat is om Eritrea uit te reizen. Ten aanzien van de belangen van het kind benadrukt verweerder dat de toestemmingsverklaring is vereist om te voorkomen dat de Nederlandse overheid meewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan het gezag van een buitenlands kind. Dit is ook in het belang van het kind. De eisen die de Nederlandse overheid stelt, zijn niet onredelijk.

De rechtbank overweegt dat verweerder allereerst in het primaire en bestreden besluit tegenwerpt dat eiser zijn identiteit en gezinsband met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder neemt vervolgens wel bewijsnood aan maar heeft desondanks geen DNA-onderzoek aangeboden tussen eiser en referent omdat ook niet is aangetoond dat de gestelde achterblijvende biologische moeder van eiser toestemming geeft voor het vertrek van eiser naar Nederland. De rechtbank zal daarom eerst toetsen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is aangetoond dat de biologische moeder van eiser toestemming geeft voor zijn vertrek naar Nederland.

Eiser voert in dat verband primair aan, zoals nader toegelicht ter zitting, dat hij met de overgelegde toestemmingsverklaring waarop de handtekening van zijn biologische moeder staat, gezien in samenhang met het overgelegde voogdijpapier en de verklaring van de honoraire consul van juli 2018, wel heeft aangetoond dat de achterblijvende ouder toestemming voor zijn vertrek geeft.

5.1
Volgens paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), voor zover van belang, verleent verweerder uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw als de achterblijvende biologische ouder toestemming geeft voor het vertrek van het kind naar Nederland. Dit beleid acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk. Voorts acht de rechtbank evenmin onredelijk dat verweerder wil kunnen verifiëren of diegene die de toestemmingsverklaring heeft ondertekend, ook daadwerkelijk de biologische ouder is. De gestelde biologische moeder van eiser heeft de toestemmingsverklaring weliswaar ondertekend maar daarbij niet een officieel identiteitsdocument toegevoegd met daarop haar handtekening, zodat verweerder niet de handtekening op de toestemmingsverklaring kan verifiëren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het overgelegde voogdijpapier en de verklaring van de honoraire consul onvoldoende heeft geacht om deze handtekening wel te kunnen controleren. Uit het onderzoek van Bureau Documenten blijkt immers dat het voogdijpapier “niet te beoordelen” is waardoor geen uitspraak kan worden gedaan over de authenticiteit van dit document, zodat verweerder het reeds daarom terecht niet geschikt heeft geacht om de handtekening te controleren. Voorts is de honoraire consul niet aangesteld om verklaringen en handtekeningen namens de Nederlandse overheid te bevestigen, zodat verweerder ook hieraan terecht niet de waarde heeft gehecht die eiser wenst. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder van de gestelde biologische moeder van eiser mag verwachten dat zij naast het ondertekenen van de toestemmingsverklaring ook meewerkt aan DNA-onderzoek om te verifiëren dat zij daadwerkelijk de biologische moeder van eiser is. De beroepsgrond faalt.6. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder ten onrechte van de biologische moeder verlangt dat zij afreist naar een Nederlandse ambassade in Ethiopië om aldaar DNA af te staan. Ten onrechte wordt haar niet de mogelijkheid geboden om in Eritrea bij de Nederlandse honoraire consul, de ambassade van een andere lidstaat, de UNHCR, IOM of Rode Kruis DNA af te staan. Daartoe is zij namelijk wel bereid. Eiser verwijst naar een mededeling van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer (vergaderjaar 2014-2015, 32175, nr. 55, verslag algemeen overleg, pagina 3 en 21) waaruit blijkt dat er inzake DNA-onderzoek concrete samenwerkingsafspraken zijn gemaakt met de UNHCR en IOM. Daarbij heeft de staatssecretaris toegezegd dat problemen met het reizen naar de Nederlandse ambassade geen beletsel zijn voor overkomst van familieleden. Ten onrechte biedt verweerder deze mogelijkheid echter in casu niet aan omdat niet is aangetoond dat de biologische moeder niet naar Ethiopie kan reizen. De biologische moeder heeft zelf niet om een mvv gevraagd en hoeft er ook geen op te halen, zodat het onredelijk is om van haar te vragen om een lange en kostbare procedure te ondergaan voor een paspoort, haar gezin met minderjarige kinderen achter te laten en een lange en dure reis af te leggen naar een buurland, terwijl de DNA afname ook in Eritrea mogelijk is. Door verweerder is ook niet toegelicht waarom de honorair consul of een andere ambassade geen DNA kan afnemen. Het afnemen van DNA is immers een eenvoudige handeling waarbij het er vooral om gaat dat de betrokkene wordt geïdentificeerd aan de hand van een document. Niet valt in te zien dat aan hen een bepaalde bevoegdheid zou moeten worden overgedragen om enkel DNA af te nemen. Het gaat immers niet om het overdragen van een beslissingsbevoegdheid. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 mei 2019 (AWB 18/7681). Ook blijkt niet uit het besluit dat rekening is gehouden met het belang van het kind. De houding van verweerder doet afbreuk aan het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verwezen wordt naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 13 maart 2019 (C-635/17) inzake E. waarin de samenwerkingsverplichting tussen verweerder en de vreemdeling wordt toegelicht. De nationale autoriteiten dienen rekening te houden met de belangen van het kind, de persoon van de gezinshereniger, het betrokken gezinslid, met de concrete situatie waarin zij zich bevinden en de bijzondere problemen waarmee zij worden geconfronteerd. Verweerder heeft in casu geen rekening hiermee gehouden.
6.1
Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat noch uit de Gezinsherenigingsrichtlijn, noch uit de wetgeving of het beleid een verplichting volgt om nader onderzoek uit te voeren in het land van herkomst van de vreemdeling. Gezinsleden van een vergunninghouder asiel dienen tijdens de nareisprocedure altijd een Nederlandse post te bezoeken ten behoeve van de afname van biometrie en, bij inwilliging, het ophalen van een mvv. Een eventueel nader onderzoek naar de identiteit of gezinsband vindt ook plaats op de Nederlandse post. Nader onderzoek zoals deze besteed verweerder dan ook niet uit aan andere landen of een honoraire consul. Wanneer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een schrijnende situatie beziet verweerder of onderzoek door tussenkomst van IOM of de UNHCR mogelijk is. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat het kostbaar en niet gemakkelijk is om uit te reizen, is hiertoe echter onvoldoende. Tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2019 is voorts door verweerder hoger beroep ingesteld. Voor zover een beroep wordt gedaan op het arrest van het Hof inzake E. van 13 maart 2019 stelt verweerder dat zonder DNA-onderzoek de familierechtelijke relatie tussen eiser en de achterblijvende ouder niet kan worden vastgesteld. Van die voorwaarde kan niet worden afgeweken. Nu verweerder nader onderzoek heeft aangeboden in de vorm van DNA-onderzoek is deze zaak, in tegenstelling tot de casus die heeft geleid tot het arrest, niet afgedaan op het ontbreken van documenten. Bovendien blijft eiser, anders dan in het arrest, als gevolg van de afwijzing van de aanvraag niet zonder begeleiding van familie in het land van herkomst of een derde land. Eiser verblijft namelijk bij de echtgenote van referent in Ethiopië voor wie een herhaalde aanvraag loopt omdat de verstrekte mvv niet binnen drie maanden is opgehaald.

6.2
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4 van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 mei 2019 (ECLI:NLRBDHA:2019:4969) stelt de rechtbank allereerst dat het Hof in het voornoemde arrest E. het algemene toetsingskader in nareiszaken op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn uiteen heeft gezet en nader heeft toegelicht. De rechtbank neemt de Gezinsherenigingsrichtlijn en dit arrest daarom als uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige beroep.

6.3
In rechtsoverweging 52 tot en met 54 overweegt het Hof dat uit zowel artikel 5, tweede lid, als artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt dat de nationale autoriteiten over een beoordelingsmarge beschikken bij het onderzoek of al dan niet sprake is van gezinsbanden en dat die beoordeling moet plaatsvinden overeenkomstig het nationale recht. De lidstaten mogen echter deze aan hen toegekende beoordelingsmarge niet zodanig gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel en het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn en zij moeten hun nationaal recht daarom conform het Unierecht uitleggen. Vervolgens overweegt het Hof in rechtsoverweging 58 en 59 dat volgens artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn verzoeken om gezinshereniging individueel moeten worden behandeld. De bevoegde nationale autoriteiten dienen een individuele beoordeling te verrichten, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante elementen van het geval en waarbij, indien nodig, bijzondere aandacht wordt besteed aan de belangen van de betrokken kinderen en aan het streven om het gezinsleden te bevorderen. Omstandigheden als de leeftijd van de betrokken kinderen, hun situatie in het land van herkomst en de mate waarin zij van verwanten afhankelijk zijn, kunnen in het bijzonder van invloed zijn op de omvang en de intensiteit van het vereiste onderzoek. In elk geval en zoals gepreciseerd in punt 6.1. van de richtsnoeren mag een factor afzonderlijk niet automatisch tot een beslissing leiden. Ten slotte bepaalt het Hof in rechtsoverweging 78 dat het de nationale autoriteiten weliswaar vrij staat om stappen te ondernemen teneinde frauduleuze verzoeken om gezinshereniging, die worden gedaan in een context van kinderontvoering of zelfs mensenhandel, aan het licht te brengen, maar dat dit de autoriteiten niet ontslaat van de verplichting om rekening te houden met het hogere belang van het kind.
6.4
De rechtbank is allereest van oordeel dat niet is gebleken dat door verweerder een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, zoals genoemd in het arrest van het Hof, waarbij rekening is gehouden met de persoon van eiser en de situatie waarin hij en de overige bij het verzoek om gezinshereniging betrokken gezinsleden, zich bevinden. Eiser heeft immers in dit verband het volgende aangevoerd, hetgeen door verweerder niet is betwist. Eiser is op dit moment twaalf jaar oud. Hij woont vanaf zijn tweede jaar niet meer bij zijn biologische moeder maar bij referent en diens echtgenote. Eiser ziet zijn gestelde biologische moeder sindsdien slechts een keer per jaar. De gestelde biologische moeder van eiser heeft de toestemmingsverklaring voor het vertrek van eiser naar Nederland wel ondertekend en is ook bereid om mee te werken aan een DNA-onderzoek, maar stelt daarvoor niet naar Ethiopië te kunnen reizen. Daartoe wordt aangevoerd dat de biologische moeder woonachtig is in Eritrea, inmiddels is hertrouwd en vier minderjarige kinderen heeft die niet met haar mee kunnen reizen naar Ethiopië. De reis naar Ethiopië is ook duur en zij is niet in het bezit van een paspoort en zal deze eerst moeten aanvragen voordat zij kan uitreizen, hetgeen een langdurige procedure is. Ten slotte is ter zitting nog hieraan toegevoegd dat de huidige echtgenoot van de biologische moeder in Eritrea in het leger zit en dus niet voor de achterblijvende vier kinderen kan zorgen. Ook geeft hij geen toestemming voor haar uitreis naar Ethiopië. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom gelet op het voorgaande desondanks van de gestelde biologische moeder van eiser verwacht wordt dat zij met achterlating van haar andere kinderen deze dure reis onderneemt naar Ethiopië, terwijl een alternatief in Eritrea aanwezig is. Immers uit de door eiser aangehaalde mededeling van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer en uit het verweerschrift blijkt dat verweerder afspraken heeft gemaakt met de IOM en UNHCR zodat het in bepaalde bijzondere gevallen wel mogelijk is om door deze organisaties in Eritrea DNA te laten afnemen. Ook is onvoldoende gemotiveerd door verweerder, mede in het licht van voorgaande overwegingen uit het arrest E. over de belangen van het kind, waarom het voor rekening en risico van eiser komt dat zijn gestelde biologische moeder niet bereid is om naar Ethiopië te reizen. Daarbij heeft verweerder niet kenbaar betrokken dat zij deze reis naar Ethiopië enkel voor eiser maakt omdat zij niet zelf een mvv in het kader van nareis heeft aangevraagd. Verweerders stelling in het verweerschrift dat gezinsleden van een vergunninghouder asiel tijdens de nareisprocedure altijd een Nederlandse post moeten bezoeken ten behoeve van de afname van biometrie en dus naar Ethiopië moeten reizen vanuit Eritrea, lijkt dit feit immers te miskennen.Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit kader ook niet kenbaar in het bestreden besluit de omstandigheid heeft betrokken dat de echtgenote van referent, hoewel zij al met een mvv naar Nederland had kunnen reizen met haar twee andere kinderen, ervoor heeft gekozen deze mvv niet op te halen omdat eiser anders alleen zou moeten achterblijven in Ethiopië. Dat eiser alleen achterblijft in Ethiopië is onwenselijk en niet in het belang van het kind. Verweerder betrekt dit ten slotte in het verweerschrift enkel in het nadeel van eiser door te stellen dat daarom geen sprake is van een vergelijkbare situatie als in het arrest E. Evenmin is door verweerder kenbaar betrokken dat de langdurige procedure voor afgifte van een paspoort aan de biologische moeder voor haar reis, hetgeen niet door verweerder is betwist, ertoe leidt dat het langer duurt voordat eiser, de echtgenote en andere kinderen herenigd kunnen worden met referent dan wanneer verweerder afname van het DNA in Eritrea mogelijk maakt. Door vast te houden aan het vereiste dat de biologische moeder afreist naar Ethiopië voor afgifte van DNA, terwijl dit in Eritrea ook mogelijk is via tussenkomst van het IOM en UNHCR, wordt afbreuk gedaan aan het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ten slotte is de rechtbank ook van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, ondanks het voorgaande, geen sprake is van een bijzondere situatie, zoals genoemd door de staatssecretaris in zijn toezeggingen aan de Tweede kamer. Verweerder stelt immers enkel in het verweerschrift dat de niet nader onderbouwde stelling dat het kostbaar en niet gemakkelijk is uit te reizen daartoe onvoldoende is maar betrekt niet de overige aangevoerde individuele omstandigheden. De beroepsgrond slaagt.7. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb).8. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. 9. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van acht weken een nieuw besluit te nemen.10. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.11. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
beslissing

Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- draagt verweerder op binnen een termijn van acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;- draagt verweerder op € 178,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht; - veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.024,- te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2019.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.