Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:8284

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:8284, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/757074-01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBDHA:2019:8284:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/757074-01Raadkamernummer: 19/2046
beslissing

Tussenbeslissing van 13 augustus 2019

Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering van de officier van justitie van 11 juni 2019, in de zaak van:

[Verdachte] ,geboren op [Geboortedatum] 1976 te [Geboorteplaats] ,verblijvende in een kliniekwoning aan de [Adres] , onder verantwoordelijkheid van [Naam kliniek] te Almere,(hierna: de terbeschikkinggestelde),
die bij vonnis van deze rechtbank van 25 maart 2002 ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze maatregel is voor het laatst bij beslissing van deze rechtbank van 24 juli 2018 met één jaar verlengd. Bij beslissing van 23 oktober 2018 is de verpleging van overheidswege onder voorwaarden, zoals daarin vastgelegd, beëindigd.

Aan de orde is de vordering van de officier van justitie om de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar te verlengen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die zijn vermeld in de .

De procedure
De rechtbank heeft de vordering op 30 juli 2019 ter zitting behandeld.De terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.A. Kazzaz-de Hoog, is gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. S. Polderman gehoord.Daarnaast zijn de heer [Naam] , psychiater (Pro-Justitiarapporteur), alsmede mevrouw [Naam] , reclasseringswerker, als deskundigen gehoord.
overwegingen

Overwegingen
De beide deskundigen hebben - schriftelijk en ter terechtzitting - geadviseerd de terbeschikkingstelling te beëindigen, omdat het herhalingsgevaar tot aanvaardbare proporties is teruggebracht. Volgens de psychiater verkeert de terbeschikkinggestelde, die een autismespectrumstoornis heeft, al geruime tijd in een hoogst stabiele situatie buiten de kliniek met veel psychosociale steun en een prosociale werkkring die hem geen tijd laat om middelen te gebruiken of delicten te plegen. Stress is tot een minimum beperkt en hij heeft geleerd zijn handicap (prikkel- en stemmingsgevoeligheid) te hanteren. Zijn gebrek aan empathie weet hij enigszins te compenseren en hij scoort daarop nu gemiddeld. Gezien zijn autistische onveranderbaarheid zal hij niet snel van de nu ingeslagen weg afwijken, zodat ook op langere termijn stabiliteit gewaarborgd is, voor zover dat te voorspellen is. Het herhalingsgevaar is niet hoger dan bij de gemiddelde mens, zodat het niet meer binnen een TBS-kader gemanaged hoeft te worden en dat geen meerwaarde meer heeft.
Mevrouw [Naam] vermeldde dat de terbeschikkinggestelde stabiel is wat betreft huisvesting, inkomen, werk en relatie en een groot sociaal netwerk heeft. Er is een conflict geweest met de verhuurder, maar dat destabiliseerde hem niet; hij kwam met een oplossing die werd gevolgd door de woningbouwcorporatie en de kliniek. Ook deze deskundige acht het gevaar voor herhaling laag en schat in dat de terbeschikkinggestelde de stijgende lijn vast weet te houden. Afgezien van het feit dat de voorwaardelijke beëindiging nog geen jaar geduurd heeft, adviseert ook zij de terbeschikkingstelling te beëindigen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij haar schriftelijke vordering tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling op dit moment nog niet kan worden beëindigd, omdat de voorwaardelijke beëindiging nog geen jaar heeft geduurd. Ook wees ze erop dat de terbeschikkinggestelde de fase van proefverlof heeft overgeslagen, wat haar, naast de heftige indexdelicten, reden geeft tot enige aarzeling. Wel heeft ze te kennen gegeven dat de opgelegde voorwaarden kunnen worden beperkt tot reclasseringstoezicht (voorwaarde 2).

De terbeschikkinggestelde en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling zo spoedig mogelijk dient te worden beëindigd. Als dit niet mogelijk is, verzoekt de raadsvrouw zo min mogelijk voorwaarden te handhaven.

De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat beëindiging van de terbeschikkingstelling niet plaatsvindt dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest. Aangezien de voorwaardelijke beëindiging pas bij beschikking van 23 oktober 2018 is uitgesproken, is dat stadium nog niet bereikt. Formeel zou de terbeschikkingstelling dan ook met een jaar moeten worden verlengd. Een kortere periode staat de wet niet toe en tussentijdse beëindiging is ook niet mogelijk.

Verlenging met een jaar zou betekenen dat de terbeschikkingstelling ruim negen maanden langer duurt dan thans noodzakelijk lijkt. De rechtbank acht dat in strijd met de bedoeling van de wetgever, omdat gevaar voor herhaling op grond van artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht een voorwaarde voor verlenging is en dit inmiddels niet meer aan de orde is. Zij wil het verloop van de resterende maanden dan ook afwachten en ziet daarin aanleiding het onderzoek te heropenen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de reclassering zal rapporteren over het verloop van deze periode.
De rechtbank zal het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, met de bedoeling deze zaak eind oktober 2019/begin november 2019 weer ter zitting te behandelen.

Zoals vermeld is uit het onderzoek en het verhandelde ter zitting gebleken dat er geen sprake meer is van een reëel herhalingsgevaar. De rechtbank ziet daarin aanleiding de voorwaarden, zoals na te melden, te wijzigen.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Tussenbeslissing
De rechtbank:
- heropent de behandeling van de zaak om voormelde redenen en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;
- verzoekt de officier van justitie zorg te dragen dat voor de nader te bepalen zitting door de reclassering zal worden gerapporteerd zoals hierboven nader omschreven;
- stelt de stukken met voormeld doel in handen van de officier van justitie;
- beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsvrouw;
- beveelt tevens de oproeping van Reclassering Nederland tegen het nog nader te bepalen tijdstip;
- wijzigt de voorwaarden, zoals vastgelegd bij beslissing van 23 oktober 2018, in die zin dat deze komen te luiden:
- houdt iedere verdere beslissing aan.

arabic

de terbeschikkinggestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

de terbeschikkinggestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht, deze medewerking houdt in:

a. dat de terbeschikkinggestelde zich op afspraken bij de reclassering zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;b. de terbeschikkinggestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering, die zij nodig acht voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;c. de terbeschikkinggestelde werkt zo nodig mee aan huisbezoeken; d. de terbeschikkinggestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering; e. de terbeschikkinggestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, indien dat van belang is voor het toezicht;
Aldus beslist te Den Haag door:mr. J. Eisses, voorzitter, mr. M.M. Meessen, rechter, mr. A.M. Boogers, rechter,in tegenwoordigheid van mr. E.N.A. Wooning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.
Bijlage

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-

de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2002, waarbij de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege werd gelast;

de beslissing van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2018, waarbij de terbeschikkingstelling laatstelijk met één jaar is verlengd en waarbij de beslissing omtrent een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging voor een periode van ten hoogste drie maanden is aangehouden;

de beslissing van deze rechtbank van 23 oktober 2018, waarbij de verpleging van overheidswege onder voorwaarden is beëindigd;

de voortgangsverslagen van 9 januari 2019 en 15 mei 2019 van [Naam kliniek] ;

het verlengingsadvies voorwaardelijke beëindiging tbs “Advies aan opdrachtgever toezicht” van 3 mei 2019 van [Naam kliniek] ;

het advies op grond van artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering van psychiater [Naam] , van 6 april 2019;

de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 11 juni 2019.