Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:8257

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:8257, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/576919 / KG RK 19-1038


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2019/40zaak- /rekestnummer: C/09/576919 / KG RK 19-1038
Beslissing van 8 augustus 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van

mr. M.C.J.A. Huijgens,

rechter in deze rechtbank,hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,gevestigd te Groningen,gemachtigden: [gemachtigde belanghebbende] .

ECLI:NL:RBDHA:2019:8257:DOC
nl

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2019/40zaak- /rekestnummer: C/09/576919 / KG RK 19-1038
Beslissing van 8 augustus 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van

mr. M.C.J.A. Huijgens,

rechter in deze rechtbank,hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbende in deze procedure is:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,gevestigd te Groningen,gemachtigden: [gemachtigde belanghebbende] .
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het proces-verbaal van de zitting van 8 juli 2019 waarin het mondelinge wrakingsverzoek is vermeld;- de brief van verzoekster van 9 juli 2019, gericht aan de wrakingskamer;- de brief van verzoekster van 9 juli 2019, gericht aan Team Bestuursrecht;- het faxbericht van verzoekster, binnengekomen op 15 juli 2019;- de schriftelijke reactie van de rechter van 30 juli 2019;- het faxbericht van verzoekster van 2 augustus 2019.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling op 5 augustus 2019 zijn verschenen:- verzoekster;- mevrouw H. Abdulla als tolk in de Engelse taal;- [moeder verzoekster] (de moeder van verzoekster) was in de zaal aanwezig.
De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 19/604 tussen verzoekster en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
2.2.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting op 8 juli 2019, waarbij zij het mondelinge verzoek heeft gedaan, en blijkens haar brief van 9 juli 2019, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling van de wrakingskamer, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Verzoekster verwijt de rechter een gebrek aan transparantie. Van de zitting van 3 mei 2019 is geen proces-verbaal opgemaakt en vervolgens heeft de rechter besloten tot heropening van de zaak op 6 mei 2019, waar geen reden voor is gegeven. Bij aanvang van de zitting van 8 juli 2019 heeft verzoekster bovendien geen gelegenheid gehad om preliminaire verweren te voeren. Voorts heeft zij het dossier onvoldoende in kunnen zien.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
2.4.
De belanghebbende heeft zich niet uitgelaten over het wrakingsverzoek.
2.5.
Bij aanvang van de terechtzitting heeft verzoekster een mondeling wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de wrakingskamer. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij vreest dat de wrakingskamer jegens haar vooringenomen is, wegens de manier waarop de wrakingskamer in de zaak van haar moeder - voorafgaand aan haar zaak - haar moeder ter terechtzitting heeft bejegend.
2.6.
De wrakingskamer heeft - na een korte schorsing - haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek aan verzoekster medegedeeld. De wrakingskamer heeft dit verzoek naast zich neergelegd, nu de bejegening van een ander dan verzoekster in een andere procedure niet kan leiden tot de schijn van vooringenomenheid jegens verzoekster zelf. Waar sprake is van een opeenstapeling van wrakingsverzoeken, eerst van de zittingsrechter en nu van de wrakingskamer, beiden direct bij aanvang van de behandeling, ziet de wrakingskamer het door verzoekster gedane verzoek als misbruik van recht, wordt het verzoek buiten behandeling gelaten en is voortgegaan met de behandeling van het wrakingsverzoek tegen mr. Huijgens.
overwegingen

3

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoekster heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij de hele gang van zaken rondom haar procedure niet transparant vindt en dat zij onvoldoende vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem heeft. Zij heeft daartoe aangevoerd dat geen proces-verbaal van de zitting van 3 mei 2019 is opgemaakt, dat haar geen duidelijkheid is gegeven over de reden van heropening van de zaak op 6 mei 2019, dat zij bij de zitting van 8 juli 2019 niet in de gelegenheid is gesteld om preliminaire verweren te voeren en geen deugdelijke inzage in het dossier heeft gehad. Bij de mondelinge behandeling heeft verzoekster nog als grond aan haar verzoek toegevoegd dat zij tijdens de inzage in het dossier in de hoofdzaak op vrijdag 2 augustus 2019 een zogenaamde instructie heeft aangetroffen, waarin werd geconcludeerd dat het beroep van verzoekster ongegrond zou moeten worden verklaard.
3.3.
Op basis van het proces-verbaal van de zitting van 8 juli 2019 is de wrakingskamer gebleken dat de rechter op die zitting nooit de gelegenheid heeft gehad om verzoekster uit te leggen waarom er geen proces-verbaal van de zitting van 3 mei 2019 is opgemaakt, waarom de zaak is heropend op 6 mei 2019 en dat hij ook geen gelegenheid heeft gehad te beslissen op preliminaire verweren, nog daargelaten de vraag of verzoekster deze heeft gedaan. Immers heeft verzoekster de rechter bij binnenkomst direct gewraakt, waarna de rechter het onderzoek ter zitting heeft geschorst en heeft medegedeeld dat een proces-verbaal zal worden opgemaakt en dat de zaak zo spoedig mogelijk naar de wrakingskamer zal worden verwezen.
3.4.
Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken in de door verzoekster aangevoerde gronden. Daarom zal de wrakingskamer het verzoek afwijzen. Dat verzoekster een deugdelijke inzage in het dossier is onthouden maakt - als daarvan al sprake is - evenmin dat het wrakingsverzoek dient te worden gehonoreerd. Het al of niet ter inzage verstrekken van het rechtbankdossier is een procedurele beslissing die - behoudens hier niet aan de orde zijnde bijzondere omstandigheden - geen grond voor wraking op kan leveren.
3.5.
Voor zover het wrakingsverzoek gegrond is op het aantreffen van de instructie in het dossier (die verzoekster tijdens de inzage van het dossier heeft gezien) met daarop het advies om de zaak ongegrond te verklaren, merkt de wrakingskamer het volgende op. Een instructie is een intern document dat door de griffier is opgemaakt en dient ter voorbereiding voor de rechter. De conclusie in die voorbereiding voorafgaand aan de zitting van 3 mei 2019 is een voorlopige en hoeft door de rechter uiteraard niet te worden gevolgd. Dat daaruit in dit specifieke geval geen vooringenomenheid van de rechter kan worden afgeleid, geldt te meer nu is gebleken dat de rechter het advies (inhoudende dat het beroep ongegrond moet worden verklaard) niet heeft gevolgd, maar de zaak op 6 mei 2019 heeft heropend voor behandeling ter zitting op 8 juli 2019. Ook in deze grond voor het verzoek ontbreken derhalve concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, waarom de wrakingskamer het verzoek zal afwijzen.
3.6.
De wrakingskamer constateert dat de door verzoekster aangevoerde gronden allemaal zijn gelegen in procedurele beslissingen, die volgens vaste rechtspraak als zodanig geen grond kunnen zijn voor wraking. Gelet op haar verzoeken van de afgelopen weken, waaronder ook voor aanvang van de behandeling van de wraking ook weer de wraking van de wrakingskamer zelf, acht de wrakingskamer de kans op een nieuwe wraking op dezelfde gronden aanwezig. Dit geldt te meer nu bij verzoekster is gebleken van een gebrek aan vertrouwen in het Nederlandse rechtssysteem. Om onredelijke vertraging van de rechtspleging te voorkomen zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
beslissing

4

De wrakingskamer

4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
4.4.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan: • de verzoekster;• de belanghebbende;• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. S.W.E. de Ruiter, T.A. de Hek en J.C. Sluymer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in openbaar uitgesproken op 8 augustus 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.