Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:5968

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 12-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:5968, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C-09-572704-KG ZA 19-405


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/572704 / KG ZA 19-405

Vonnis in kort geding van 12 juni 2019

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [X] ,

eiser,advocaat mr. ing. A. Ramsaroep te Wassenaar,
tegen:

ECLI:NL:RBDHA:2019:5968:DOC
nl

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/572704 / KG ZA 19-405

Vonnis in kort geding van 12 juni 2019

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [X] ,

eiser,advocaat mr. ing. A. Ramsaroep te Wassenaar,
tegen:

1

2. te [plaats 1] ,3. te [plaats 2] ,4. te [plaats 3] ,
gedaagden,advocaat mr. S.K. Gopal te Den Haag,
en tegen:

[gedaagde 5]

gedaagde,advocaat mr. T. Bissessur te Den Haag.
Eiser wordt hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘gedaagden’. Gedaagde sub 5 zal hierna afzonderlijk tevens worden aangeduid als ‘ [gedaagde 5] ’.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaardingen van 1 mei 2019, met producties;- de herstelexploten van 3 mei 2019;- de brieven van mr. Gopal van 23 mei 2019, met producties;- de faxbrief van mr. Bissessur van 23 mei 2019, met producties;- de brief van mr. Ramsaroep van 24 mei 2019, met producties;- de brief van mr. Ramsaroep van 27 mei 2019, met producties;- de brief van mr. Gopal van 27 mei 2019, met productie;- de op 28 mei 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.
[eiser] drijft een eenmanszaak onder de naam [X] . Deze eenmanszaak houdt zich bezig met de organisatie van evenementen. Jaarlijks organiseert [eiser] via zijn eenmanszaak de Miss India Holland-verkiezing (hierna: ‘MIH-verkiezing’).
2.2.
Gedaagden zijn samen met zeven anderen geselecteerd voor de finale van de MIH-verkiezing 2019. Het finale-traject is in november 2018 van gestart gegaan. De finale heeft plaatsgevonden op 20 april 2019.
2.3.
Alle finalisten hebben met [X] / [eiser] een ‘Miss India Holland 2018-2019 Contractovereenkomst’ en een geheimhoudingsovereenkomst gesloten. Hierin is – voor zover thans van belang – bepaald dat de finalisten op straffe van een boete en een verplichting tot vergoeding van kosten verplicht zijn om deel te nemen aan alle activiteiten die in het kader van de MIH-verkiezing worden georganiseerd. Daarnaast is bepaald dat de finalisten zich op straffe van een boete en diskwalificatie dienen te onthouden van gedragingen en uitlatingen die [X] en de MIH-verkiezing kunnen schaden en voorts dat zij zich in de pers en op sociale media niet mogen uitlaten over in het kader van de MIH-verkiezing verrichte of te verrichten werkzaamheden. Ook geldt voor de finalisten een geheimhoudingsverplichting ten aanzien van alle informatie, waarvan zij in het kader van de MIH-verkiezing kennisnemen.
2.4.
De geselecteerde finalisten hebben in het kader van het finale-traject van de MIH-verkiezing op een aantal zondagen deelgenomen aan voor hen georganiseerde trainingen. Tijdens die trainingen werden zij onder meer begeleid door [A] , de first runner up van de MIH-verkiezing 2018 (hierna: ‘ [A] ’).
2.5.
Tijdens de training op zondag 14 april 2019 is [eiser] in het bijzijn van een aantal finalisten door vijf mannen mishandeld. [eiser] heeft van deze mishandeling aangifte gedaan.
2.6.
[A] heeft op 17 april 2019 via een WhatsApp-groepsgesprek aan de finalisten bericht dat zij met hen wil spreken over hun ‘veiligheid in verband met seksuele handelingen’.
2.7.
Op 18 april 2019 heeft in dat kader een bespreking plaatsgevonden, waarbij behoudens bijna alle finalisten en [A] ook de aanvankelijk bij de organisatie van de MIH-verkiezing betrokken [B] (hierna: ‘ [B] ’), [C] (hierna: ‘ [C] ’) en [D] (hierna: ‘ [D] ’) aanwezig waren. Tijdens die bespreking hebben [B] en [D] de finalisten onder meer verteld dat zij op 16 april 2019 een gesprek met [eiser] hebben gehad, waarbij [eiser] volgens hen heeft erkend dat hij tegen betaling seksueel contact heeft gehad met (oud-)deelnemers aan de MIH-verkiezing, die veelal financiële problemen hadden, en dat er sprake is geweest van een ongepaste fotoshoot met [A] . [B] en [D] hebben de finalisten medegedeeld dat zij in verband met het voorgaande de finale van de MIH-verkiezing 2019 niet meer willen presenteren. [A] heeft tijdens deze bespreking aan de finalisten verteld dat zij in de zomer van 2018 door [eiser] is aangerand en dat de MIH-verkiezing in 2018 niet eerlijk is verlopen omdat zij door [eiser] werd voorgetrokken. Ook heeft [A] de finalisten verteld dat zij die dag (18 april 2019) in elkaar is geslagen.
2.8.
Gedaagden hebben op 19 april 2019 aan [eiser] bericht dat zij niet zullen deelnemen aan de finale van de MIH-verkiezing.
2.8.1.
In haar e-mail van die datum motiveert [gedaagde 5] haar beslissing als volgt:
“Ik ben zeer getraumatiseerd en geschrokken van het incident dat plaats vond op zondag 14 april 2019, vandaar dat voor mijn eigen veiligheid genoodzaakt ben mezelf terug te trekken.”

2.8.2.
De overige gedaagden hebben ook op die datum een e-mail aan [eiser] gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Doordat u (…) op zondag 14 april 2019 in elkaar geslagen bent, zijn wij ons gaan afvragen wat het motief kan zijn van de daders. De aanval was duidelijk naar u gericht en dat heeft u ook aan één van de missen bevestigd. Wij zijn namelijk erg geschrokken van het ongeval en wisten niet hoe wij ermee moesten omgaan.

Er gingen al geruchten rond dat u wellicht ongepast omgaat met uw missen. U heeft afgelopen dinsdag 16 april 2019 een gesprek gehad met één van uw collega’s en daarbij heeft u een aantal geruchten toegekend, waarvan wij enorm geschrokken zijn. Overigens is er op donderdag 18 april 2019 een oude miss van vorig jaar in elkaar geslagen , waardoor wij ons echt zorgen maken over onze eigen veiligheid.
Wij hebben de laatste paar dagen niet kunnen slapen, omdat dit ons teveel stress heeft gegeven. Wij zijn bang dat wij aangevallen zullen worden op de finale en daarnaast kunnen wij ons niet meer focussen op de finale met al deze informatie en stress.

Vandaag op 19 april 2019 moeten wij met u in een hotel overnachten en dit risico willen wij echt niet nemen, omdat wij ons niet veilig bij u voelen.

Wij durven niet meer op straat te lopen, omdat wij hierdoor erg getraumatiseerd zijn. Door de geruchten die rondgaan dat u de missen in het verleden bedreigd heeft, zijn wij ook bang dat wij één van de slachtoffers zullen worden.

Hierdoor hebben wij besloten dat wij onze veiligheid vooropstellen en geen risico’s willen nemen door op de finale aanwezig te zijn.”

2.9.
De advocaat van [eiser] heeft gedaagden bij brief van 19 april 2019 gesommeerd hun contractuele verplichting tot deelname aan de finale van de MIH-verkiezing na te komen. Daarbij heeft de advocaat gedaagden erop gewezen dat bij niet-nakoming de reeds gemaakte kosten en geleden en nog te lijden schade op hen zullen worden verhaald. De advocaat van [eiser] stelt in deze brief dat [A] met hulp van [D] , [B] en [C] via een smaad- en lastercampagne probeert om [eiser] buiten spel te zetten met als doel de organisatie van de MIH-verkiezing naar zich toe te trekken en [eiser] zoveel mogelijk schade toe te brengen. Volgens de advocaat van [eiser] handelen gedaagden door hieraan mee te werken eveneens onrechtmatig. De advocaat van [eiser] heeft [A] , [D] , [B] en [C] bij separate brief van gelijke datum gesommeerd hun smaad- en lastercampagne tegen [eiser] te staken en hen aansprakelijk gesteld voor de dientengevolge door [eiser] geleden schade.
2.10.
[gedaagde 5] heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 20 april 2019 bericht dat haar beslissing om niet verder aan de MIH-verkiezing deel te nemen uitsluitend is ingegeven door het incident van 14 april 2019 en de volgens haar niet (actief) door de organisatie weggenomen zorgen omtrent de veiligheid van de finalisten. [gedaagde 5] heeft in deze brief iedere aansprakelijkheid voor gemaakte kosten en geleden schade van de hand gewezen.
2.11.
Op 19 april 2019 is op de Facebook-pagina van DAGonline Nieuws een nieuwsbericht geplaatst met als kop ‘Vijf finalisten stappen uit finale Miss India Holland’. In dit nieuwsbericht wordt door DAGonline vermeld dat wordt beschikt over de in rov. 2.8.2 genoemde e-mail aan [eiser] . Verder valt in dit bericht, waarbij foto’s van gedaagden zijn afgebeeld, onder meer het volgende te lezen:
“De vijf missen geven in de brief aan zich zorgen te maken over hun veiligheid en willen geen risico nemen. Wegens privacy redenen publiceert DAGonline verder geen inhoudelijke informatie uit de brief.

De finalisten staan erop dat het evenement morgen wordt afgelast. “Wij willen dat de show op een eerlijke manier wordt georganiseerd, met een eerlijk verloop. Je kunt niet als miss een bijdrage leveren aan de samenleving als er dingen oneerlijk gaan. Je bent een voorbeeldfunctie voor anderen en daar hoort negativiteit niet bij. Wij willen hieraan geen bijdrage leveren. Wij willen dat dit stopt. Wij staan voor de Miss India Holland-verkiezing, alleen niet op deze manier”, aldus de missen in een verklaring.

Ook [A] , finalist van Miss India Holland-verkiezing 2018, sluit zich aan bij de vijf eerder genoemde finalisten. [A] laat weten dat zij tijdens het traject het gevoel kreeg dat zij werd voorgetrokken. De ex-deelneemster is destijds in de finale gekroond als First Runner Up, Miss Charity en Miss Mithais.

[A] geeft aan dat zij er nu achter is gekomen dat zij deze titels niet eerlijk heeft verdiend, omdat zij ongewild over informatie beschikte waar zij voordeel uit kon halen. Ook spreekt zij over ongewenste intimiteiten. Uit angst voor de gevolgen van dit alles en de aanname dat zij de enige was, zegt zij haar mond te hebben gehouden. “Ik vind dat dit traject eerlijk zou moeten verlopen, zodat meiden die net als mij onzeker en kwetsbaar zijn op een goede manier kunnen opbloeien, in plaats van dat er misbruik van je wordt gemaakt”, aldus [A] .”

2.12.
Op 20 april 2019 is voormeld nieuwsbericht met foto’s eveneens geplaatst op de Facebook-pagina van Actionnieuws Suriname.
2.13.
Op de Facebook-pagina van Dagblad Suriname is op 20 april 2019 een bericht geplaatst met daarbij de foto’s van twee finalisten. Hierin valt het volgende te lezen:
“Vijf finalisten trekken zich terug tijdens Miss India Holland verkiezing

Vandaag vindt de Miss India Holland verkiezing plaats in Nederland. Echter hebben de finalisten, te weten: [gedaagde 3] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 5] zich teruggetrokken. “Wij zijn erachter gekomen dat Miss India Holland niet eerlijk verloopt. De top 3 en de subtitels zijn van te voren bepaald om ongeldige redenen. Het heeft voor mij dan geen zin op het podium te staan als het toch oneerlijk gaat verlopen.

Er gingen al een lange tijd geruchten rond dat hij (organisator [eiser] ) meisjes seksueel misbruikt heeft. Nadat wij getuigenverklaringen gehoord hebben, zijn wij tot de conclusie gekomen dat hij niet hiermee mag wegkomen. Wij gaan niet op het podium staan en doen alsof alles goed gaat. Als wij dat zouden doen, zou niemand er iets achter zoeken en kan hij het volgend jaar weer hetzelfde doen. Om nieuwe slachtoffers te voorkomen, hebben wij ons nu terug getrokken van de verkiezing. Wij willen dat hij stopt want hij hoort niet te werken met zulke jonge meisjes. Wij willen dat de show niet doorgaat en dat iemand anders de leiding over gaat nemen. De show moet natuurlijk wel doorgaan, maar op een eerlijke manier en een eerlijke verloop. Je kunt je niet als miss een bijdrage leveren aan de samenleving, als er dingen oneerlijk gaan. Je bent namelijk een voorbeeldfunctie voor anderen en daarin hoort negativiteit niet erbij. Wij kunnen hieraan geen bijdrage geven en daarom willen wij dit echt stoppen. Wij staan wel voor de Miss India Holland verkiezing, alleen moet het niet op deze manier gaan, maar op een eerlijke manier”, stellen de finalisten.”

2.14.
Het Algemeen Dagblad (AD) heeft op 21 april 2019 zowel op haar Facebook-pagina als op haar website een artikel (met foto’s van gedaagden) geplaatst met de volgende inhoud:
“De finale van de Miss India Holland verkiezing die afgelopen zaterdagavond werd gehouden in Den Haag, is uitgedraaid op een pijnlijke ontknoping. Vijf van de twaalf vrouwen kwamen op het allerlaatste moment niet opdagen omdat ze zich niet veilig voelden bij de organisatie.
Aanleiding is volgens de vrouwen de mishandeling van de directeur van het evenement een week voor de grote finale, zo blijkt uit een brief die ze gezamenlijk hebben opgesteld. Dat zou zijn gebeurd tijdens een laatste training waar de meeste kandidaten bij waren, vertelt [gedaagde 1] (22), een van de finalisten die nu thuis bleef. „Het was eng om mee te maken. Iedereen had een capuchon op. Eerst dacht ik dat het een overval op ons allemaal was, maar ze hadden het duidelijk gemunt op de organisator.”

De mishandeling was niet het enige dat meespeelde. Volgens de vrouwen hoorden ze al langer geruchten dat de directeur mogelijk op ongepaste wijze omging met sommige kandidaten die hij begeleidde. Ook kregen de vijf kandidaten te horen dat er zou worden gesjoemeld met de manier waarop de uitslag tot stand komt en zou afgelopen week een finaliste van vorig jaar in elkaar zijn geslagen.

Voor de vijf vrouwen waren alle verhalen en het geweldsincident genoeg reden om het vertrouwen in de organisatie op te zeggen. Ze bedankten voor de overnachting in het hotel voorafgaand aan de finale en kwamen niet opdagen tijdens de uitreiking. „Ik ben een voorbeeldfiguur. Als ik nu doe alsof alles in orde is, spoor ik daarmee andere meisjes aan om ook mee te doen, terwijl wat hier gebeurt niet ok is”, zegt [gedaagde 5] (22) die ook bedankte voor de eer.

Voor de organisatie was de vertrouwensbreuk van bijna de helft van de kandidaten geen reden het evenement af te blazen. Tijdens de openingsspeech meldde de directeur dat de vrouwen zijn overgehaald niet te komen. Dat zou zijn gebeurd door een van de kandidaten van vorig jaar, die volgens hem niet kan accepteren dat aan haar roem een einde is gekomen en die nu een lastercampagne zou zijn begonnen. Zij zou het evenement willen kapen. Volgens advocaat […] Ramsaroep van de organisatie zijn de verhalen die de ronde doen over het ongepaste gedrag van de directeur gebaseerd op fabels en wordt er binnenkort aangifte gedaan van smaad en laster. „Hij is er niet van gediend dat zijn goede naam zo te grabbel wordt gegooid.”

Dat de vrouwen zich onveilig voelden na de mishandeling vorige week zondag is de directeur vrijdagavond volkomen onverwachts meegedeeld, aldus de advocaat. „Er is vanuit de vrouwen eerder die week niet aangegeven dat ze hiermee zaten.” De vrouwen zeggen dat ze dat wel hebben gedaan, maar volgens hen is daarmee niets gedaan. De advocaat heeft de missen die niet kwamen opdagen een brief gestuurd en aangegeven dat gemaakte kosten – minimaal 2500 euro – op hen worden verhaald. Ook moeten ze opdraaien voor eventuele verdere schade.”

2.15.
Omroep West heeft op 26 mei 2019 naar aanleiding van een gesprek met twee niet bij naam genoemde finalisten een artikel gepubliceerd met de kop “Miss India Holland verkiezing eindigt in rechtszaak: Seksuele intimidatie en gesjoemel”. Hierin valt onder meer het volgende te lezen:

“De Miss India Holland verkiezing in Den Haag is dit jaar uitgelopen op een rechtszaak. Vijf van de twaalf finalisten kwamen 20 april niet opdagen bij de verkiezing in het World Trade Center. Ze schreven een brief aan de organisator, waarin ze uitleggen dat er sprake is van seksuele intimidatie en gesjoemel. De organisator is woest en beschuldigt de missen van het verspreiden van leugens. De rechtszaak dient dinsdag.

(…)

De organisator laat via zijn advocaat […] Ramsaroep weten dat alle beschuldigingen vals zijn: ‘De verkiezingen verlopen eerlijk onder leiding van een onafhankelijke notaris en er is een mislukte poging geweest om het evenement te kapen van de organisator. En nu is er een hetze gaande om de reputatie van de organisator en het Miss India Holland evenement kapot te maken, reden waarom men nu weer de publiciteit zoekt.’

(…)

‘Vanaf het begin waren er al verhalen over voorgaande verkiezingen die oneerlijk waren verlopen. De organisator zei steeds dat hij alle rechtszaken gewonnen had, dus ik heb die verhalen niet echt serieus genomen,’ zegt een van de meisjes.

Totdat er op de laatste trainingszondag iets raars gebeurt. ‘We waren net klaar toen er plotseling een paar jongens met een capuchon over hun hoofd het theater binnenkwamen. Ze liepen op de organisator af en sloegen hem in elkaar. Het was echt een gerichte aanslag. Daarna liepen ze rustig weg,‘ vertelt de 21-jarige deelneemster. ‘We waren verbaasd, waarom is hij geslagen? De politie vroeg dat ook aan hem, maar hij zei dat hij geen vijanden had.’

(…)

De politie bevestigt dat er iemand in elkaar is geslagen in het theater. Twee dagen later krijgen alle twaalf missen een berichtje van een meisje dat bij de vorige verkiezing tweede werd. ‘Ik wil jullie waarschuwen, het gaat niet eerlijk en er is sprake van seksuele intimidatie. Ik las het in de bus naar school en mijn maag draaide zich om,’ zegt de 20-jarige studente.

De oud-deelneemster die het berichtje stuurt, zou aangifte hebben gedaan van seksuele intimidatie. Vervolgens zou ze op straat in elkaar zijn geslagen. De politie kan dat niet bevestigen. Advocaat Ramsaroep trekt haar verhaal in twijfel: ‘Niemand heeft enige letsel bij haar kunnen zien en er is geen enkel bewijs van de politie dat zij inderdaad is mishandeld of zelfs dat aangifte is gedaan.’

(…)

Volgens de advocaat was de oud-deelneemster een van de trainers van de missen van dit jaar. ‘Ze heeft kortgeleden bij de organisatie aangeklopt voor financiële steun, maar zij kon helaas niet geholpen worden. Voorts zou de organisatie haar diensten na de Miss India Holland verkiezing niet meer nodig hebben. De organisator weet niet of er een verband is tussen deze afwijzing en zijn mishandeling en wacht de resultaten van het politieonderzoek af.’

Drie dagen voor de verkiezingsavond komen de missen bij elkaar om te bespreken hoe het nu verder moet. ‘Van verschillende kanten kwamen dezelfde verhalen over de organisator, ook over voorgaande jaren. Meisjes die seks met hem hebben en voorgetrokken worden. Het moest wel waar zijn,’, vertelt een van de missen aan Omroep West. ‘Ik dacht meteen: ik kan niet meelopen in een verkiezing die fake is.’

(…)

Volgens advocaat Ramsaroep heeft de oud-deelneemster de missen overgehaald om niet meer mee te doen, zodat ze zelf de organisatie kon overnemen. ‘Deze dame beloofde aan de missen het evenement op een later moment te organiseren, zonder de organisator.’ De beschuldigingen van seksuele intimidatie noemt hij ‘smaad en lasterpraatjes’.

De meisjes gaan donderdag na de bijeenkomst met gemengde gevoelens naar huis. ‘We hadden allemaal twijfels, maar we hadden ook een contract getekend en wilden geen boete betalen.’ Uiteindelijk besluiten vijf meisjes te stoppen. ‘We zijn naar het juridisch loket geweest, hebben een docent om advies gevraagd en de politie gebeld. Die zeiden: je eigen veiligheid is belangrijk. En we voelden ons niet meer veilig. Er waren twee mensen in elkaar geslagen.’

(…)

De advocaat van de organisator laat weten dat de veiligheid van de missen nooit een issue is geweest. ‘Veiligheid wordt als excuus gebruikt om de contractuele boetes en schadevergoeding te voorkomen, waarvoor zij zich ook binnenkort bij de rechter zullen moeten verantwoorden. Ze moeten wel iets bedenken om hun hachje te redden, want het contract, de boetes en hun aansprakelijkheid voor geleden schade zijn glashelder.’”

3

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een veroordeling van gedaagden tot het op straffe van verbeurte van een dwangsom (doen) plaatsen van een rectificatie op hun Facebook-pagina, in het AD (papieren editie) en op de verschillende online nieuwsfora die de uitlatingen van gedaagden hebben gepubliceerd. [eiser] vordert daarnaast dat het hem wordt toegestaan het rectificatiebericht ook zelf te publiceren. Voorts vordert [eiser] een verbod voor gedaagden om zich negatief uit te laten over hem, [X] en de MIH-verkiezing, zulks eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ten slotte vordert [eiser] een veroordeling van gedaagden in de proces- en nakosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat zijn eer en goede naam en de reputatie van [X] en meer in het bijzonder die van de MIH-verkiezing als gevolg van de door gedaagden publiekelijk gedane onjuiste uitlatingen omtrent zijn persoon en het verloop van de MIH-verkiezing ernstig zijn geschaad. Bedoelde uitlatingen van gedaagden vinden volgens [eiser] geen enkele steun in het beschikbare feitenmateriaal en gedaagden hebben nagelaten om eerst met hem te spreken over hun aantijgingen en hebben zodoende hem de mogelijkheid ontnomen om kennelijk bij hen bestaande zorgen over hun veiligheid en het verloop van de MIH-verkiezing weg te nemen. De gedane uitlatingen zijn volgens [eiser] strijdig met de in het kader van de MIH-verkiezing met gedaagden gesloten overeenkomsten en tevens onrechtmatig. Het recht op bescherming van zijn eer en goede naam en op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer dient naar de mening van [eiser] zwaarder te wegen dan het door gedaagden ingeroepen recht op vrijheid van meningsuiting. Teneinde verdere (blijvende) schade voor zowel hemzelf, zijn bedrijf als de MIH-verkiezing te voorkomen, dienen volgens [eiser] de door hem verlangde voorzieningen zo spoedig mogelijk te worden getroffen. In een nog aanhangig te maken bodemprocedure stelt [eiser] jegens gedaagden aanspraak te zullen maken op de contractueel verbeurde boetes en vergoeding van de geleden en nog te lijden schade.
3.3.
Gedaagden voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
overwegingen

4

4.1.
In deze procedure staan de uitlatingen centraal die gedaagden naar aanleiding van hun beslissing om niet aan de finale van de MIH-verkiezing 2019 deel te nemen richting de pers hebben gedaan over – kort gezegd – de persoon van [eiser] en het verloop van de MIH-verkiezingen. Niet ter beoordeling staat in dit geschil de vraag of gedaagden zich met hun beslissing schuldig hebben gemaakt aan contractbreuk en de vraag of gedaagden als gevolg daarvan kosten zijn verschuldigd dan wel contractuele boetes hebben verbeurd. Die vragen zullen in de reeds door [eiser] aangekondigde bodemprocedure moeten worden beantwoord.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat toewijzing van het door [eiser] gevorderde een beperking inhoudt van het in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde recht van gedaagden op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de eer of goede naam van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de door gedaagden gedane uitlatingen een zodanige inbreuk maken op de eer en goede naam van [eiser] dat die als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming van de eer en goede naam – in het concrete geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.
4.3.
Door [gedaagde 5] is allereerst betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij het door hem gevorderde. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde 5] in dit verweer niet. Met zijn betoog dat hij als gevolg van de door gedaagden gedane uitlatingen zowel privé als zakelijk ernstig in zijn belangen wordt geschaad en dat om die reden in rechte een voorziening dient te worden getroffen, is het spoedeisend belang van [eiser] in deze procedure in voldoende mate gegeven.
4.4.
Ter zitting is door [eiser] erkend dat al geruime tijd sprake is van geruchten over misstanden rondom de MIH-verkiezing. Daarbij gaat het zowel om geruchten over ongepast gedrag van [eiser] jegens (oud)deelnemers als over een oneerlijk verloop van de verkiezingsprocedure. Daarmee bestond dus ook voordat gedaagden de thans aan de orde zijnde uitlatingen hebben gedaan al een situatie waarin de eer en goede naam van zowel [eiser] als diens onderneming publiekelijk ter discussie stonden. Naar de voorzieningenrechter begrijpt stelt [eiser] zich op het standpunt dat dit als gevolg van de volgens hem onjuiste uitlatingen van gedaagden dusdanig ernstige vormen heeft aangenomen, dat hij hiervan thans zowel persoonlijk als zakelijk ernstige schade ondervindt en rechterlijk ingrijpen in kort geding is aangewezen.
4.5.
De voorzieningenrechter volgt [eiser] in dit standpunt niet. Gedaagden zijn op 14 april 2019 na afloop van een trainingssessie getuige geweest van de ernstige mishandeling van [eiser] . Deze gebeurtenis heeft begrijpelijkerwijs een grote impact op gedaagden gehad, vooral omdat [eiser] geen sluitende verklaring heeft kunnen geven over de reden van deze mishandeling. Vervolgens zijn gedaagden op 18 april 2019 door [A] op de hoogte gebracht van haar ervaringen met [eiser] (ongepaste fotoshoot en seksuele intimidatie) en haar vermeende mishandeling op 18 april 2019. Daarnaast hebben gedaagden op 18 april 2019 met [B] en [D] gesproken, die beiden stellen dat [eiser] op 16 april 2019 tegenover hen heeft erkend dat hij zich op ongepaste wijze ten opzichte van [A] heeft gedragen en dat hij in ruil voor betaling dan wel een gunstige verkiezingsuitslag seks heeft gehad met (oud-)deelnemers aan de MIH-verkiezing. Hoewel de gegrondheid van de door [A] , [B] en [D] aan het adres van [eiser] gemaakte aantijgingen in het beperkte bestek van deze procedure niet kan worden vastgesteld, moet ervan worden uitgegaan dat deze aantijgingen destijds als feiten aan gedaagden zijn gepresenteerd en ook als zodanig door hen zijn opgevat. Deze als feiten gepresenteerde aantijgingen hebben, bezien in het licht van de door hen waargenomen zware mishandeling van eiser, bij gedaagden begrijpelijkerwijs geleid tot een gevoel van onveiligheid en tot vragen omtrent het verloop van de MIH-verkiezingen. Niet weersproken is daarnaast door [eiser] dat een of meerdere gedaagden zich met de politie hebben verstaan en dat daarbij het advies is gegeven om met het oog op hun veiligheid niet aan de finale van de MIH-verkiezing deel te nemen. Onder die omstandigheden is de beslissing van gedaagden om zich als finalisten terug te trekken voorshands verdedigbaar. Dat gedaagden – zoals [eiser] heeft betoogd – actief met [A] , [B] en [D] hebben samengespannen om de MIH-verkiezing te kapen en [eiser] als organisator buiten spel te zetten, is in het kader van dit kort geding niet aannemelijk geworden. Met name is onvoldoende gebleken dat gedaagden hierbij een zelfstandig belang hebben.
4.6.
De omstandigheid dat gedaagden zich hebben teruggetrokken voor de finale van de MIH-verkiezing 2019 heeft begrijpelijkerwijs tot de nodige media-aandacht geleid. Aannemelijk is dat gedaagden hierbij de pers ook actief van informatie hebben voorzien. Dit volgt allereerst uit de hiervoor geciteerde artikelen van DAGonline, Actionnieuws en het AD, waarin is vermeld dat wordt beschikt over de op 19 april 2019 aan [eiser] verzonden e-mail. Daarnaast blijkt uit de artikelen van Dagblad Suriname, het AD en Omroep West dat deze artikelen zijn gebaseerd op informatie die is verkregen naar aanleiding van gesprekken met een of meerdere gedaagden.
4.7.
[gedaagde 5] heeft er terecht op gewezen dat haar aandeel in het verstrekken van informatie aan de pers beperkter is geweest dan dat van de andere gedaagden. De e-mail van 19 april 2019 is niet mede namens [gedaagde 5] verstuurd en de hierin vermelde informatie is dus niet mede uit haar naam verstrekt. Uit haar e-mail en brief aan [eiser] van respectievelijk 19 en 20 april 2019 blijkt dat [gedaagde 5] haar beslissing om niet langer aan de finale deel te nemen uitsluitend heeft gestoeld op de mishandeling van [eiser] en niet – zoals de overige gedaagden wel hebben gedaan – mede op de haar ter ore gekomen aantijgingen van ongepast gedrag van [eiser] en het oneerlijk laten verlopen van de MIH-verkiezingen. Uit de hiervoor geciteerde artikelen blijkt uitsluitend van een rechtsreeks contact van [gedaagde 5] met het AD. In dit artikel is haar uitlating geciteerd. Voor het overige is niet gebleken dat [gedaagde 5] de pers zelf te woord heeft gestaan. Weliswaar is bij een aantal publicaties haar foto geplaatst, maar niet gebleken is dat ten behoeve van die publicaties contact met [gedaagde 5] is gezocht en evenmin dat bedoelde foto’s met instemming van [gedaagde 5] zijn gepubliceerd. In haar hiervoor geciteerde uitlating kan wellicht een indirecte verwijzing worden gelezen naar de door de overige gedaagden aan het adres van [eiser] gemaakte verwijten, maar dit enkele citaat is onder de hiervoor vermelde omstandigheden onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [gedaagde 5] zich schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige aantasting van de eer en goede naam van [eiser] . Nu evenmin is gebleken dat [gedaagde 5] zich hieraan op korte termijn alsnog schuldig zal maken, ligt de vordering van [eiser] jegens [gedaagde 5] reeds op grond hiervan voor afwijzing gereed.
4.8.
Echter, ook als zou moeten worden geoordeeld dat alle door [eiser] gewraakte uitlatingen mede door of namens [gedaagde 5] zijn gedaan, is toewijzing van het door [eiser] gevorderde zowel jegens haar als de overige gedaagden niet aan orde. Gedaagden hebben hun besluit om niet langer deel te nemen aan de MIH-verkiezing richting de pers gemotiveerd door te wijzen op zowel het geweldsincident van 14 april 2019 als op de aantijgingen aan het adres van [eiser] , die hen via [A] , [B] en [D] ter ore zijn gekomen en die destijds als feiten aan hen zijn gepresenteerd. Hun verklaringen hieromtrent zijn in de hiervoor geciteerde artikelen op een zakelijke manier weergegeven, waarbij bovendien door zowel het AD als Omroep West wederhoor is toegepast. Overigens lijkt het artikel dat door Omroep West is gepubliceerd vooral een gevolg te zijn van het feit dat [eiser] de onderhavige kortgedingprocedure is gestart, zodat [eiser] de meest recente media-aandacht dus zelf lijkt te hebben veroorzaakt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, kunnen over de gegrondheid van de door gedaagden aan het adres van [eiser] gemaakte verwijten in het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure geen bindende uitspraken worden gedaan. Hiervoor dient eerst nader feitenonderzoek en/of bewijslevering plaats te vinden, waarvoor deze kortgedingprocedure zich niet leent. De vraag of bedoelde verwijten steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, kan dus eerst in een bodemprocedure (zoals in ieder geval reeds door [eiser] is aangekondigd) worden beantwoord. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat inmiddels door vier gedaagden een voorlopig getuigenverhoor is gestart, waarbij waarschijnlijk alle betrokkenen zullen worden gehoord. Het voorgaande neemt echter niet weg dat er voorshands vanuit moet worden gegaan dat gedaagden ten tijde van hun in de pers gedane uitlatingen daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerden en – naar thans niet kan worden uitgesloten – wellicht ook daadwerkelijk hebben mogen aannemen dat [eiser] zich op ongepaste wijze heeft gedragen en de MIH-verkiezingen niet op een eerlijke wijze verlopen. Gelet op de ernst van deze vermeende misstanden, is de gestelde keuze van gedaagden om toekomstige deelnemers hiervoor op een zakelijke wijze via de pers te waarschuwen, ondanks de verstrekkende gevolgen die dit voor [eiser] en zijn onderneming heeft, voorshands verdedigbaar. Daarmee hebben naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gedaagden zich niet aan onrechtmatig handelen schuldig gemaakt en dient de hiervoor geschetste belangenafweging voorshands dus in hun voordeel uit te vallen. Evenals ten aanzien van [gedaagde 5] is overwogen, is ten aanzien van de overige gedaagden evenmin gebleken dat zij zich op korte termijn wel op onrechtmatige wijze over [eiser] , diens onderneming en/of de MIH-verkiezing zullen uitlaten. Dit betekent dat de vordering van [eiser] tot inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting jegens alle gedaagden in zijn geheel dient te worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om – zoals ter zitting door mr. Gopal is betoogd – af te wijken van de gebruikelijke forfaitaire proceskostenveroordeling.
beslissing

5

De voorzieningenrechter:

5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van zowel [gedaagde 5] als de overige gedaagden telkens begroot op € 1.061,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 81,-- aan griffierecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2019.

mw