Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:5877

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:5877, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/767243-17


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767243-17

Datum uitspraak: 11 juni 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] 1992 [geboorteplaats] ) [adres]

ECLI:NL:RBDHA:2019:5877:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767243-17

Datum uitspraak: 11 juni 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] 1992 [geboorteplaats] ) [adres]
1

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 februari 2019 (pro forma) en 28 mei 2019 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. R.P.A Kint naar voren is gebracht.

2

1.
2. hij in of omstreeks de periode van 10 juli 2017 tot en met 16 augustus 2017 te Heereveen en/of Lemmer, in ieder geval in Nederland (een) wapen(s) van categorie 1 onder 7°, te weten een veerdrukwapen ( [merk] [model] , zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2017 tot en met 12 juli 2017 te ‘s-Gravenhage en/of Lemmer, in ieder geval in Nederland, G. Wilders (voorzitter en/of fractieleider PW) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door in een (facebook messenge)bericht aan [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen “first i will kill Geert Wilders”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke dreigende woorden die G. Wilders(vervolgens) hebben bereikt;
overwegingen

3

3.1
Inleiding
Op 12 juli 2017 deed G. Wilders (hierna: Wilders), voorzitter van de politieke partij Partij Voor de Vrijheid, aangifte van bedreiging met de dood. Door een e-mail van [naam 1] , wonend in de Verenigde Staten van Amerika, was Wilders ervan op de hoogte geraakt dat hij op de sociaalnetwerksite Facebook met de dood werd bedreigd door een persoon met de [verdachte] . Als bijlage bij de aangifte is een printscreen gevoegd waarop een deel van de Facebookconversatie tussen [naam 1] en [verdachte] is weergegeven. Op de printscreen zijn de woorden te zien “first I will kill Geert Wilders”. Dit bericht zou [verdachte] aan [naam 1] hebben verstuurd. Verder zou [verdachte] voornemens zijn een McDonald’s restaurant op te blazen en zou hij [naam 1] foto’s hebben toegestuurd van een zwart automatisch geweer en een filiaal van een McDonald’s restaurant.

Na onderzoek door de politie werd duidelijk dat met [verdachte] werd gedoeld op de verdachte. Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat hij de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen heeft verstuurd aan [naam 1] , maar dat dit als een grap was bedoeld en dat dit plaatsvond in een privé chatgesprek en niet in het openbaar. Bij verdachte trof de politie voorts een nep-wapen aan. De politie heeft verder vastgesteld dat de conversatie tussen [naam 1] en de verdachte inderdaad plaatsvond in een privé-chatgesprek en dat [naam 1] een beperkte selectie van de verstuurde berichten heeft bijgevoegd bij zijn e-mail aan Wilders.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het versturen van de tekst “first I will kill Geert Wilders” in een prive-chat kan worden beschouwd als een bedreiging tegen Wilders.

3.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – kort gezegd – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat Wilders van de bedreiging op de hoogte is geraakt en zich daadwerkelijk bedreigd voelde. Gelet op de veiligheidssituatie van Wilders moeten bedreigingen aan zijn adres uiterst serieus genomen worden. Ook teksten die door anderen als grap kunnen worden gelezen kunnen als bedreiging worden aangemerkt. De officier van justitie acht ten aanzien van feit 1 voorwaardelijk opzet bewezen.

3.3
Het standpunt van de verdediging
Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, aangezien verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het feit dat Wilders daadwerkelijk op de hoogte zou raken van de ten laste gelegde bewoordingen. Verdachte heeft deze tekst namelijk verstuurd in een privé gesprek met een in de Verenigde Staten wonende man, terwijl hij niet had hoeven verwachten dat dit bij Wilders terecht zou komen. Daarnaast is de raadsman van mening dat de bedreiging niet van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij Wilders de redelijke vrees kon ontstaan voor een misdrijf tegen zijn leven. Bovendien had verdachte ook daarop geen (voorwaardelijk) opzet. Dat Wilders de tekst als bedreigend heeft ervaren was slechts het gevolg van het knip- en plakwerk van [naam 1] , die de ten laste gelegde bewoordingen uit de oorspronkelijke context heeft gerukt. Als Wilders de hele conversatie had kunnen lezen, dan was het hem van meet aan duidelijk geweest dat het niet ging om een serieus te nemen bedreiging. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2019 en - het proces-verbaal van bevindingen van de politie eenheid Noord-Nederland, district Fryslan, basisteam Zuidoost-Fryslan, met [nummer] , van 16 augustus 2017, met fotobijlage (doorgenummerd: p. 99); - het proces-verbaal van bevindingen onderzoek wapen van de politie eenheid Den Haag, dienst Regionale Recherche, afdeling Specialistische ondersteuning, team forensische opsporing, Wapens, Munitie en explosieven, met [nummer] en WME [nummer] , met bijlage (doorgenummerd: p. 102-105).
Ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt voorop dat, zoals de officier van justitie terecht heeft benadrukt, bedreigingen aan het adres van de politicus Wilders uiterst serieus moeten worden genomen. Verder stelt de rechtbank voorop dat deze bedreigingen, anders dan verdachte met betrekking tot zijn geval betoogt, bezwaarlijk als een grap kunnen worden gezien. De rechtbank wijst daarbij op de belemmerende invloed die deze bedreigingen op het maatschappelijk debat hebben en op de ingrijpende gevolgen daarvan voor het persoonlijk leven van Wilders, zoals permanente persoonsbeveiliging. Dit alles neemt echter niet weg dat de rechtbank dient te toetsen of in dit geval aan alle vereisten voor een strafbare bedreiging is voldaan.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Op beide elementen (het op de hoogte raken van de bedreiging én het ontstaan van vrees) moet het opzet van de verdachte zijn gericht. Daarvoor is zogenaamd voorwaardelijk opzet - het aanvaarden van een aanmerkelijke kans - voldoende.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat het opzet van de verdachte erop was gericht dat Wilders daadwerkelijk op de hoogte zou raken van de door de verdachte verstuurde bewoordingen, ook niet in voorwaardelijke zin. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is immers vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. In dit verband is van belang dat het bericht van verdachte niet in het openbaar is geplaatst, maar in een privé chatgesprek met een in de Verenigde Staten woonachtige man. Dat gesprek bestond zonder dat daarvoor een aanleiding is aan te wijzen uit een stroom van beledigende en bedreigende teksten die over en weer werden verstuurd, terwijl de gesprekspartners elkaar niet kenden en elkaar niet eerder hadden gesproken. Verder is nog van belang dat [naam 1] de conversatie heeft geopend met onder meer: “C.I.A. […] We love taking out the trash […] You my friend have now joined the theorist [de rechtbank begrijpt : “terrorist”] whatch list”. De conversatie kan, in haar geheel bezien door degenen die deze conversatie voerden bezwaarlijk serieus worden genomen. Het scenario dat teksten uit dit gesprek zouden worden doorgestuurd naar Wilders was niet uitgesloten, maar de kans daarop was niet zodanig groot dat het om een aanmerkelijke kans ging. Dat betekent dat dit deel van het vereiste opzet niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Aangezien de verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit van het ten laste gelegde feit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring:

3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat:

2. hij in de periode van 10 juli 2017 tot en met 16 augustus 2017 te Heereveen een wapen van categorie 1 onder 7°, te weten een veerdrukwapen ( [merk] , [model] , zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.
4

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uur, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman verwezen naar de bepleite vrijspraak. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman verzocht de zaak af te doen met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Verdachte heeft namelijk een arbeidsovereenkomst aangeboden gekregen bij [naam bedrijf] per 1 oktober 2019 en bij een veroordeling kan hij problemen ondervinden bij het aanvragen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna te noemen: VOG).

6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een imitatievuurwapen. Het voorhanden hebben van imitatievuurwapens die niet onder de Speelgoedrichtlijn vallen is strafbaar omdat zulke voorwerpen nauwelijks te onderscheiden zijn van echte vuurwapens. Daardoor kunnen ze worden gebruikt voor bedreiging van anderen.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 mei 2019 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor verboden wapenbezit en ook dat hij op 6 april 2018 is veroordeeld tot een geldboete voor rijden onder invloed zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Anders dan de raadsman meent, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a Sr vanwege de ernst van het feit. De straf dient als signaal aan de samenleving en de verdachte dat dergelijk gedrag niet wordt getolereerd. Wel zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Voor het voorhanden hebben van een imitatievuurwapen wordt doorgaans een geldboete van € 550,- opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze oriëntatiepunten af te wijken en acht een geldboete van € 550,- een passende sanctie, met aftrek van voorarrest naar rato van € 50,- per dag, op straffe van vervangende hechtenis

Ten aanzien van de VOG – waarvan de beslissing tot het al dan niet verstrekken aan verdachte niet aan deze meervoudige kamer is - overweegt de rechtbank dat in haar visie deze schuldigverklaring geen reden zou mogen zijn om de afgifte van een VOG te weigeren. Het weigeren van de afgifte van een VOG aan verdachte op grond van – uitsluitend – de onderhavige strafzaak zou een grote inbreuk opleveren op zijn privéleven en afbreuk doen aan zijn kansen op de arbeidsmarkt.

7

- 23, 24 c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

beslissing

8



De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 550,-

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete naar rato van € 50,- (vijftig euro) per dag;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangendoor hechtenis voor de tijd van 11 dagen.
Dit vonnis is gewezen doormr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,mr. D.R. Glass, rechter,mr. B.A. Sturm, rechter,in tegenwoordigheid van mr. F. Badji, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2019.