Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:5715

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 07-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:5715, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/817634-16 Ontneming


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/817634-16

Datum uitspraak: 7 juni 2019

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

(Promis)
Beslissing op de vordering van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] .

ECLI:NL:RBDHA:2019:5715:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/817634-16

Datum uitspraak: 7 juni 2019

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

(Promis)
Beslissing op de vordering van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] .
1

De vordering is voor de eerste keer aan de orde geweest op de terechtzitting van 3 december 2018 (regie zitting).

Hierna heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde, mr. J.S. Jordan.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende conclusies:

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 mei 2019.

De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr. J.S. Jordan, is verschenen en op de vordering gehoord.

-

de conclusie van eis van de officier van justitie van 26 april 2018;

de conclusie van antwoord van de raadsman van 5 februari 2019;

de conclusie van repliek van de officier van justitie van 26 april 2019;

de conclusie van dupliek van de raadsman van 16 mei 2019.

2

2.1.
Standpunt van de officier van justitie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het geldbedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), wordt geschat en dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 37.725,60.Bij conclusie van repliek heeft de officier van justitie de vordering in die zin gewijzigd, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een geldbedrag van € 36.588,64 en dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dit geldbedrag.
Ter terechtzitting van 24 mei 2019 heeft de officier van justitie bij de conclusie van repliek gepersisteerd. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 37.725,60 bedraagt. De officier van justitie heeft in de conclusie van repliek en ter terechtzitting van 24 mei 2019 echter gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 36.588,64 bedraagt nu er 33 incidenten aan de veroordeelde ten laste zijn gelegd (en geen 35 incidenten) De incidenten 2.13 en 2.22 kunnen immers niet worden bewezenverklaard. Hiermee rekening houdend is na herberekening sprake van een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 36.588,64, inhoudende € 4.715,70 minus € 117,28 minus € 24,84 = € 4.573,58 per maand x 8 = € 36.588,64.
2.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 24 mei 2019 primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Onvoldoende aannemelijk is dat de verdachte zich ook buiten de (op camera) vastgestelde tijdstippen zou hebben schuldig gemaakt aan frauduleuze annuleringen op de kassa. Verdachte heeft betwist dat hij in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde (in vergelijkbare mate) strafbare feiten heeft gepleegd door aangeboden goederen te annuleren. Nu de handelwijze van de verdachte juist toezag op het annuleren van goederen zou men op deze wijze ook buiten de door aangever gecontroleerde periode de door hem verrichte annuleringen hebben kunnen controleren. Dit zou uit het kassasysteem moeten kunnen worden uitgelezen. Aangever heeft dit echter verzuimd, waardoor het onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geweest en extrapolatie niet zonder mee kan worden toegepast, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag dient te worden geschat dan door de officier van justitie is gevorderd, te weten op een bedrag van € 2.357,75. De opbrengst die valt binnen de periode van de tenlastelegging, te weten een bedrag van € 4.715,70, moet door de helft worden gedeeld nu de veroordeelde maar 25% van de verkoopwaarde van de goederen heeft ontvangen (en de door veroordeelde genoemde [naam] de andere 25%).

overwegingen

3

3.1.
Grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 24 mei 2019 van deze rechtbank veroordeeld ter zake van het volgende strafbare feit:

-

De grondslag voor de ontnemingsvordering is derhalve een veroordeling voor een strafbaar feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan.

3.2.
BewijsmiddelenDe rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel:
- de verklaring van de veroordeelde, afgelegd ter terechtzitting van 24 mei 2019;
- een afschrift van het vonnis van deze rechtbank, gewezen in de strafzaak tegen veroordeelde van 24 mei 2019;
- het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, rapportnummer 2015310655 d.d. 26 april 2018, blz. 1 tot en met 12.
3.3.
Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
In de ontnemingsrapportage van 26 april 2018 wordt ervan uitgegaan dat met de in de strafzaak bewezen verklaarde feiten in totaal een bedrag van € 37.725,60 wederrechtelijk is verdiend aan de diefstallen bij Ikea. Zo is er met de incidenten 2.1 tot en met 2.35 een bedrag van in totaal € 4.715,70 verdiend. Deze 35 diefstallen hebben plaatsgevonden in de periode van 24 september 2015 tot en met 18 oktober 2015, dit zijn 25 dagen. In het voordeel van de veroordeelde is de periode waarin dit bedrag werd verdiend naar boven toe afgerond op één maand. De veroordeelde heeft verklaard in december 2014/januari 2015 te zijn begonnen met het op deze wijze wegsluizen van goederen uit de Ikea vestiging in Delft. Dit betreft tot het moment van ontslag een periode van 10 maanden. Gelet op het feit dat de veroordeelde heeft verklaard dat het in maart 2015 rustig was en hij nog een maand op vakantie is geweest, is gebleken dat de veroordeelde zich ten minste 8 maanden lang schuldig heeft gemaakt aan diefstallen. De veroordeelde heeft geen kosten hoeven maken om het strafbare feit te plegen waar hij wederrechtelijk verkregen voordeel van heeft gehad. Volgens de ontnemingsrapportage bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel aldus 8 x € 4.715,70 = € 37.725,60.

Naar het oordeel van de rechtbank is het extrapoleren in het licht van de gemotiveerde betwisting van de verdediging, onvoldoende nader onderbouwd, zodat de rechtbank bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel alleen uit zal gaan van de tenlastegelegde periode, te weten de periode van 24 september 2015 tot en met 18 oktober 2015.

Uitgaande van het bovenstaande maakt de rechtbank de volgende berekening:

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:

Incident 2.1 € 35,38Incident 2.2 € 50,72Incident 2.3 € 89,90Incident 2.4 € 166,86Incident 2.5 € 134,00Incident 2.6 € 318,90Incident 2.7 € 263,09Incident 2.8 € 184,65Incident 2.9 € 100,94Incident 2.10 € 298,70Incident 2.11 € 291,52Incident 2.12 € 126,00Incident 2.14 € 171,59Incident 2.15 € 158,02Incident 2.16 € 75,66Incident 2.17 € 215,22Incident 2.18 € 93,68Incident 2.19 € 15,00Incident 2.20 € 201,81Incident 2.21 € 46,38Incident 2.23 € 67,06Incident 2.24 € 85,87Incident 2.25 € 40,26 € 201,85Incident 2.26 € 79,91Incident 2.27 € 74,32Incident 2.28 € 43,46Incident 2.29 € 188,47Incident 2.30 € 40,58Incident 2.31 € 73,28Incident 2.32 € 268,97Incident 2.33 € 233,01Incident 2.34 € 101,97Incident 2.35 € 46,55
Totaal: € 4.715,70.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de veroordeelde in de periode van 24 september 2015 tot en met 18 oktober 2015 een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van € 4.715,70 uit het feit waarvoor hij in de strafzaak is veroordeeld. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel aldus kan worden geschat op € 4.715,70.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging, voor zover strekkende tot vaststelling van een lager bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij op grond van wettige bewijsmiddelen het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op voornoemd bedrag vaststelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ene [naam] daadwerkelijk 50% van de opbrengst zou hebben ontvangen. In het dossier bevinden zich hiervoor onvoldoende aanwijzingen. Dat de veroordeelde de opbrengst van € 4.715,70 met een ander zou hebben gedeeld is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de veroordeelde het bedrag van € 4.715,70 heeft verdiend aan de diefstallen en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel op dit bedrag vast.

3.4.
Betalingsverplichting
De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 4.715,70 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

5


De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 4.715,70;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van 4.715,70 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen doormr. B. Hammer, voorzitter,mr. P. van Essen, rechter,mr. A.P. Sno, rechter,in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juni 2019.