Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:5713

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 07-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:5713, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/817634-16


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817634-16

Datum uitspraak: 7 juni 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] .

ECLI:NL:RBDHA:2019:5713:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817634-16

Datum uitspraak: 7 juni 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] .
1

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 december 2018 (regie zitting) en 24 mei 2019 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.S. Jordan naar voren is gebracht.

2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

(incident 2.1 tot en met 2.12 en/of 2.14 tot en met 2.21 en/of 2.23 tot en met2.35)
hij op diverse tijdstippen in de periode van 24 september 2015 en met 18oktober 2015 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen,althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening meermalenheeft weggenomen grote hoeveelheden winkelgoederen, in elk geval enig goed,geheel of ten dele toebehorende aan Ikea (vestiging Delft) en/of [benadeelde] ,in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijnmededader(s):
en/of

één of meer tot op heden onbekend gebleven personen op diverse tijdstippen inde periode van 24 september 2015 tot en met 18 oktober 2015 te Delft tezamenen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerkvan wederrechtelijke toe-eigening meermalen heeft weggenomen grotehoeveelheden winkelgoederen, in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan Ikea (vestiging Delft) en/of [benadeelde] , in elk geval aaneen ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon/personen en/of zijnmededader(s) en/of aan verdachte, bij het plegen van welk misdrijf verdachtetoen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door als kassamedewerker diegoederen niet te laten afrekenen.
overwegingen

3

3.1
InleidingVerdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging gepleegd (eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde) en/of de medeplichtigheid aan die diefstal door – als kassamedewerker – klanten de gelegenheid te bieden goederen niet af terekenen (tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde).
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde, namelijk diefstal in vereniging gepleegd en vrijspraak van het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde, de medeplichtigheid daaraan. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich bij de (in het dossier genummerde) incidenten 2.1 tot en met 2.12, 2.14 tot en met 2.21 en 2.23 tot en met 2.35 schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke toe-eigening van die goederen, in vereniging gepleegd. Er is sprake geweest van medeplegen en niet van medeplichtigheid omdat verdachte niet slechts bij die diefstallen behulpzaam is geweest, maar die diefstallen in nauwe en bewuste samenwerking heeft gepleegd. Zo heeft verdachte vooraf afspraken gemaakt over een verdeling van de buit en heeft verdachte een deel van de opbrengst van de niet afgerekende goederen daadwerkelijk ontvangen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte onderhavige incidenten in dienstbetrekking heeft gepleegd waardoor sprake is geweest van verduistering, hetgeen niet ten laste is gelegd.De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele bewezenverklaring van diefstal rekening te houden met de rol van [naam] , die door verdachte is aangewezen als de bedenker van de diefstallen.
3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
Op 24 oktober 2015 heeft [benadeelde] namens Ikea aangifte gedaan van fraude, diefstal in vereniging dan wel verduistering. Door aangever is verklaard dat uit onderzoek is gebleken dat verdachte in de periode februari 2015 tot heden bij zijn kassawerkzaamheden fraude heeft gepleegd. Zo heeft verdachte op een haast onzichtbare wijze door klanten aan de kassa aangeboden producten niet gescand, waardoor deze niet zijn betaald. Tevens is gebleken dat dure, wel gescande producten door verdachte direct weer werden geannuleerd, waardoor deze goederen uiteindelijk niet zijn afgerekend. Op deze wijze zijn 36 zaken onderzocht waarvan de gedraging van verdachte op beeld van de bewakingscamera’s van Ikea zijn vastgelegd. Aangever heeft alle beschikbare beelden en administratie van die 36 zaken ter beschikking gesteld aan de politie voor het onderzoek.

Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en heeft verklaard dat hij in december 2014 is benaderd door een buurtgenoot genaamd [naam] . [naam] heeft hem verteld dat het met behulp van hem, als kassamedewerker bij Ikea, mogelijk zou zijn om spullen vanuit de Ikea weg te sluizen. Verdachte kon de goederen die bij de kassa werden gescand, namelijk direct weer annuleren en vervolgens toch meegeven aan de klanten. [naam] heeft verdachte vervolgens weten te overtuigen om dit plan ten uitvoer te leggen. Verdachte heeft afspraken gemaakt met [naam] over hoe zij dit gingen doen, wanneer zij het zouden doen en hoe zij de opbrengst zouden gaan verdelen. In februari 2015 hebben zij dit vervolgens een aantal keren geprobeerd. Als er iemand aan de kassa kwam en de naam [naam] noemde dan scande verdachte de goederen, annuleerde hij die goederen weer en gaf hij de goederen mee aan de betreffende klant. Meestal scande verdachte de goedkopere spullen wel zodat er een klein bedrag door de klant gepind moest worden. In de periode na februari 2015 is het een tijdje rustig geweest en in september 2015 heeft verdachte het samen met [naam] opnieuw gedaan, meerdere keren in de week. Verdachte had iedere week ook contact met [naam] . Op straat werd verdachte door [naam] betaald. Zo ontving hij 25% van de verkoopwaarde van de goederen. In totaal heeft verdachte hier naar eigen zeggen € 2.500,- á € 3.000,- mee verdiend.

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte in de periode van 24 september 2015 tot en met 18 oktober 2015 in Delft verschillende goederen bij de Ikea heeft weggenomen, de goederen die horen bij incidenten 2.1 tot en met 2.12, 2.14 tot en met 2.21 en 2.23 tot en met 2.35. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of het handelen van verdachte moet worden aangemerkt als diefstal in vereniging gepleegd dan wel medeplichtigheid daaraan of verduistering, zoals door de raadsman bepleit.

De rechtbank stelt vast dat verdachte als kassamedewerker van Ikea de goederen van klanten die bij hem aan de kassa kwamen en de naam [naam] noemden, heeft gescand, vervolgens heeft geannuleerd en onbetaald aan hen heeft meegegeven. Op het moment dat verdachte die goederen annuleerde, behoorden die goederen weer terug de winkel in te gaan. Op dat moment heeft verdachte er echter voor gekozen om deze goederen onder zich te houden en niet terug de winkel in te sturen. Verdachte heeft die goederen vervolgens onbetaald meegegeven aan de betreffende klanten. Die klanten rekenden deze goederen daarna buiten af voor 50% van de verkoopprijs, waarvan verdachte naar eigen zeggen weer de helft, dus 25% van de verkoopprijs, heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze feiten weliswaar in dienstbetrekking heeft gepleegd, maar dat dit niet uitsluit dat de feitelijke handelingen van verdachte gekwalificeerd kunnen worden als diefstal in vereniging gepleegd. Met zijn handelingen heeft verdachte zich immers schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk toe-eigenen van voornoemde goederen. Het verweer van de raadsman dat sprake is geweest van verduistering in dienstbetrekking en niet van diefstal en dat daarom vrijspraak moet volgen, wordt daarom verworpen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde, diefstal in vereniging gepleegd.

Op grond van het onderzoek acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde, te weten medeplichtigheid aan diefstal, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu de raadsman en de officier van justitie zich beiden op het standpunt hebben gesteld dat vrijspraak dient te volgen, behoeft deze beslissing geen nadere motivering.

3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op diverse tijdstippen in de periode van 24 september 2015 en met 18oktober 2015 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening meermalen heeft weggenomen grote hoeveelheden winkelgoederen, toebehorende aan Ikea (vestiging Delft).
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring over te gaan tot oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, of een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een taakstraf.

6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen in vereniging gepleegd bij Ikea. Zo heeft verdachte als kassamedewerker bij Ikea meerdere goederen van klanten niet afgerekend en heeft hij zich nadien persoonlijk laten betalen voor die betreffende goederen. Verdachten heeft daarmee over vele geldbedragen kunnen beschikken, terwijl hij daar helemaal geen recht op had. Verdachte heeft op voornoemde wijze keer op keer de bewuste keuze gemaakt om zijn werkgever ernstig te benadelen. Verdachte heeft alleen maar oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en of dit geld ooit zal worden terugbetaald is maar zeer de vraag. Verdachte heeft voorts een essentiële rol gespeeld bij voornoemde strafbare feiten, omdat hij vanwege zijn dienstbetrekking bij Ikea toegang had tot de kassa en op die manier onbetaald goederen kon meegeven aan klanten. Verdachte heeft op deze wijze ook misbruik gemaakt van het vertrouwen dat een werkgever in zijn werknemer moet kunnen stellen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 24 april 2019. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport betreffende verdachte d.d. 13 november 2018. Daarin is onder meer vermeld dat voortzetting van het toezicht zoals dat heeft plaatsgevonden tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis niet wenselijk is nu alle doelen reeds behaald zijn.

Bij de bepaling van de zwaarte van de straf neemt de rechtbank de door de Landelijke Commissie voor Straftoemeting opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten) tot uitgangspunt, waaruit blijkt welke straffen in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

De rechtbank acht vanwege het ruime tijdsverloop in deze zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij zijn leven weer heeft opgebouwd en de afgelopen jaren niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer dan drieënhalf jaar na de bewezenverklaarde diefstallen niet passend. Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd acht de rechtbank een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wel aangewezen. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verdachte een stok achter de deur nodig heeft om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet thans, op grond van het tijdsverloop van de zaak en het advies van de reclassering, onvoldoende redenen om aan het voorwaardelijk strafgedeelte bijzondere voorwaarden te verbinden.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn waarbinnen een zaak behoort te zijn afgedaan met ruim 14 maanden is overschreden, nu verdachte voor het eerst is gehoord op 29 maart 2016 en de zaak niet binnen twee jaar is afgerond met een eindvonnis. De zaak heeft onnodig lang stil gelegen en daardoor heeft verdachte langer dan noodzakelijk in onzekerheid verkeerd over de afloop van de zaak. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding tot een vermindering van de op te leggen straf moet leiden. De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden.

7



De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

beslissing

8




De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van

bepaalt dat die straf, groot , niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van ;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen doormr. B. Hammer, voorzitter,mr. P. van Essen, rechter,mr. A.P. Sno, rechter,in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juni 2019.
_22117d1b-dd99-4d1c-9223-1d46dd05226e
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015310655, van de politie eenheid Den Haag, district Westland - Delft, basisteam Delft (doorgenummerd blz. 1 t/m 603).

_18f7aeca-2089-4f91-b761-53dcec8b2e88
2

Proces-verbaal aangifte, blz. 57 en 58 en blz. 61 tot en met 68.

_f9f755c0-99b8-49e3-b954-05d6cfb263c5
3

Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, blz. 495 en 496 en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 mei 2019.