Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:4971

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 17-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:4971, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 09/852102-18


Bron: Rechtspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/852102-18 en 09/927050-14 (tul)

Datum uitspraak: 17 mei 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan te Alphen aan den Rijn.

ECLI:NL:RBDHA:2019:4971:DOC
nl

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/852102-18 en 09/927050-14 (tul)

Datum uitspraak: 17 mei 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan te Alphen aan den Rijn.
1

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 19 oktober 2018, 11 januari 2019, 29 maart 2019 (alle pro forma) en 3 mei 2019 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.C.C. van Roessel en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Hemelaar naar voren is gebracht.
2

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 juli 2018 te Leiden [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] meermalen althans éénmaal, met één of meer (vlees)mes(sen), in de borst en/of zij, althans het (boven)lichaam, te steken.

3

Het gaat in deze zaak om een gebeurtenis met dodelijke afloop die plaatsvond in de nacht van 7 op 8 juli 2018 op het [straatnaam] te Leiden. Die avond, rond middernacht, heeft het latere slachtoffer, [naam] (hierna ook te noemen: [slachtoffer] ), aangebeld bij het aan die straat gelegen bellenbord van een flatwoning aldaar, waar – naar [slachtoffer] wist – toen [getuige 1] met vier van hun gezamenlijke kinderen logeerde. Ook verdachte verbleef in die woning. Hij had destijds een relatie met [getuige 2] , de zus van [getuige 1] . [slachtoffer] werd niet binnengelaten en is toen op de galerij van de eerste etage geklommen. Hij heeft vervolgens al schreeuwend op de deur van de woning staan bonzen. Op zeker moment is verdachte naar buiten gekomen waarna een confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft daarbij verwondingen opgelopen. Hij is, door verdachte (die nog steeds een mes in zijn hand had) achtervolgd, weggevlucht, de straat op, waar hij in elkaar is gezakt. [slachtoffer] is aan zijn verwondingen overleden. Verdachte heeft erkend dat hij het mes heeft gehanteerd waarmee de dodelijke verwonding is toegebracht.

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als moord dan wel doodslag, zoals aan hem is ten laste gelegd. Voor zover dat het geval zou zijn komt de vraag aan de orde naar de strafbaarheid van het feit en van verdachte, nu namens verdachte een beroep is gedaan op zelfverdediging. Mocht dat beroep niet slagen, dan komt de vraag naar een toe te passen reactie aan de orde. Daarbij gaat het niet alleen om een mogelijke straf, maar ook dient beoordeeld te worden of aan verdachte wel of niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde (moord) en dat het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag) wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde (moord). Voorts heeft hij vrijspraak van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag) bepleit.

4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op 7 juli 2018, omstreeks 0.20 uur, kregen verbalisanten de melding dat iemand zou zijn neergestoken op het [straatnaam] te Leiden. Ter plaatse zagen verbalisanten midden op straat een persoon liggen. Deze persoon werd gereanimeerd en bleek [slachtoffer] te zijn. De verbalisanten hoorden een omstander zeggen dat [slachtoffer] was neergestoken. Een van de verbalisanten heeft vervolgens de reanimatie overgenomen. Toen de ambulance ter plaatse was gekomen, heeft het ambulancepersoneel de medische zorg voor [slachtoffer] overgenomen.
Vast staat dat [slachtoffer] enige tijd later is komen te overlijden. Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] is vastgesteld dat dit vijf steek- en drie snijverwondingen vertoonde. Het dodelijke letsel (aangemerkt als verwonding D) betrof een perforatie van 2.5 cm lengte op circa 150 cm van de voetzoolrand en circa 17 cm van het midden van het lichaam, aan de linkerzijkant van de borst. In relatie met deze verwonding was er een steekkanaal van minimaal circa 12 cm diep, verlopend van links naar rechts, hoofdwaarts en voorwaarts. Daarbij waren (onder meer) de bovenkwab van de linkerlong, de luchtpijp (2x), de slagader en ader die onder het linker sleutelbeen lopen (arteria en vena subclavia sinistra) geperforeerd. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door algehele weefstelschade als gevolg van bloedverlies en zuurstofgebrek in relatie met letsel D.

De verdachte heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting erkend dat hij de dodelijke verwonding aan [slachtoffer] heeft toegebracht met een door hem gehanteerd mes. Op grond van de bevindingen in het sectierapport, meer in het bijzonder de vastgestelde diepte van het steekkanaal en de opwaartse richting daarvan, stelt de rechtbank vast dat de dodelijke verwonding het gevolg is geweest van het kennelijk met kracht inbrengen van een mes van niet geringe omvang in het lichaam van [slachtoffer] . Daargelaten of dit inbrengen een gevolg is geweest van een steek- of een zwaaibeweging (waar over de verdachte geen duidelijkheid heeft kunnen of willen verschaffen), kwalificeert dat in elk geval als een handeling die reeds naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op levensberoving, dat daarmee de opzet van verdachte op die levensberoving vaststaat. Hoewel niet relevant voor de bewezenverklaring, stelt de rechtbank verder vast dat hier sprake is van onvoorwaardelijk opzet. Aan een beoordeling van de vraag naar voorwaardelijk opzet komt de rechtbank dan ook niet toe.

Van voorbedachte raad bij het handelen van verdachte is niet gebleken. Dat betekent dat de primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Gelet op de zojuist vastgestelde opzettelijke levensberoving van [slachtoffer] door verdachte zal de subsidiair ten laste gelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 07 juli 2018 te Leiden [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] met een mes, in de borst te steken.

5

5.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dan wel de verdachte niet strafbaar zijn, omdat de verdachte handelde uit noodweer, dan wel noodweerexces.

Hij heeft bepleit dat de verdachte daarom zal worden ontslagen van rechtsvervolging.

5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Ook het beroep op noodweerexces kan daarom niet slagen.

5.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van het beroep op noodweer subsidiair noodweerexces zijn de volgende, bij het onderzoek ter terechtzitting gebleken, omstandigheden van belang.

De verdachte

Hij was op 7 juli 2018 in de woning van zijn vriendin aan het [straatnaam] te Leiden aanwezig. Op dat moment waren daar ook zijn vriendin [getuige 2] , haar dochter, de zus van zijn vriendin [getuige 1] en de kinderen van haar en [slachtoffer] . Behalve hijzelf sliep iedereen. Rond middernacht hoorde hij dat [slachtoffer] voor de deur van de woning stond. [slachtoffer] was aan het schreeuwen en schelden en bonkte op de voordeur en op de ramen. De verdachte probeerde via het slaapkamerraam [slachtoffer] te kalmeren maar dat lukte niet. Hij zag dat [slachtoffer] voor het keukenraam stond en is vervolgens naar de keuken gelopen. Hij zag dat [slachtoffer] probeerde via het bovenlicht de woning in te klimmen. De verdachte probeerde wederom [slachtoffer] te kalmeren. Hij vroeg of [slachtoffer] normaal en rustig wilde doen, maar die bleef maar schelden. [slachtoffer] begon op enig moment de moeder van de verdachte uit te schelden en te beledigen. De verdachte vroeg: “Bro stop, weet je het zeker?” [slachtoffer] ging echter door met het uitschelden van de moeder van de verdachte. De verdachte vroeg hem: “Weet je het zeker, wil je dit?” Volgens de verdachte ging er op dat moment een knop om. Verdachte heeft hierover letterlijk verklaard: “Toen ging het fout. Toen begon iemand met die dingen te zeggen die je niet moet zeggen tegen mij. Met “Je kankermoeder, ik ga je kankermoeder neuken”. Toen was het klaar. Basta. Toen ging er iets kapot bij mij denk ik. Toen kon ik even niet meer nadenken. Ik zei hem stoppen, niet dat soort dingen zeggen. Hij ging door, “Ik neuk je kankermoeder”. Hij wilde niet horen. En toen, ja. Begon het te borrelen bij mij..”. De verdachte is naar de keukenla gegaan en vroeg nogmaals aan [slachtoffer] : “Weet je het zeker?” en “Wil je dit?” [slachtoffer] zei “Ja”. De verdachte heeft vervolgens twee grote messen uit de keukenla gepakt. Hij heeft de voordeur, die op slot zat, opgemaakt en is met de twee messen naar buiten gegaan. Hij is toen [slachtoffer] met de messen aangevlogen en is als een wilde tegen hem tekeer gegaan, aldus verdachte.
[getuige 1]
_b4ed19df-3eac-4c04-bb74-a7c0fb6026d3

[getuige 2]
_46724f24-375e-48dc-9f83-39ed9f6a9eda

Het beroep op noodweer berust op de grond dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan omdat dit geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Die aanranding zou hebben bestaan in het gedrag van [slachtoffer] , zoals weergegeven in de verklaring van de verdachte.

Dit verweer van verdachte stuit reeds af op de omstandigheid dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdediging maar –naar de kern bezien- als aanvallend moet worden gezien (HR 22 maart 2016, ECLI:NL:2016:456, rechtsoverweging 3.3.).

Laatstbedoelde situatie doet zich in dit geval voor. Uit de verklaring van de verdachte en de beide aanwezigen in de woning volgt immers onomstotelijk dat verdachte in het geheel niet heeft gehandeld uit (zelf)verdediging, maar uit blinde woede, opgeroepen door de herhaalde beledigingen door [slachtoffer] aan het adres van de moeder van verdachte. Het is die specifieke omstandigheid geweest die hem ertoe heeft gebracht om de messen uit de keukenlade te halen, de deur te openen en onmiddellijk [slachtoffer] aan te vallen door met één van de messen in de richting van [slachtoffer] uit te halen met als gevolg het oplopen van de dodelijke verwonding door [slachtoffer] ,

Op deze grond dient het beroep op noodweer te worden verworpen. Dat geldt ook voor het subsidiaire beroep op noodweerexces omdat daarvan slechts sprake kan zijn in het geval de dader zich verdedigt.

De conclusie is dat het feit strafbaar is en de verdachte eveneens strafbaar, nu geen (andere) feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met een bevel tot verpleging.

6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte geen TBS op te leggen. Voorts heeft hij verzocht aan de verdachte een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist op te leggen.

6.3
Het oordeel van de rechtbank

Op te leggen straf

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en is gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Doodslag behoort tot de ernstigste strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor dit misdrijf als maximumstraf een gevangenisstraf van 15 jaren vastgesteld. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het in die zin lastig is om te vergelijken met andere zaken, lijkt het erop dat doorgaans voor een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf wordt opgelegd van tussen de 8 en 12 jaren. Dat neemt niet weg dat het gedrag dat tot toepassing van deze strafbepaling leidt, vele verschillende vormen kan aannemen, zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte heeft met zijn handelen een jonge man van achtentwintig jaar oud het leven ontnomen. Daardoor heeft de verdachte de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan, zoals de moeder en de zoon van het slachtoffer in hun slachtofferverklaringen treffend hebben verwoord. De wijze waarop het slachtoffer het leven heeft verloren kenmerkt zich door extreme gewelddadigheid en gruwelijkheid. Het slachtoffer heeft moeten ervaren hoe hij met een mes is doorstoken en, hoewel reeds ten dode opgeschreven, heeft moeten trachten te lopen voor zijn leven, daarbij achtervolgd door verdachte.Ook de samenleving als geheel is door het handelen van de verdachte geschokt. Het incident heeft plaatsgevonden midden in een woonwijk. Veel buurtbewoners zijn geconfronteerd met het steekincident en de gevolgen daarvan. Het handelen van de verdachte heeft bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een steekincident met dodelijke afloop voor het grote publiek gevoelens van onveiligheid met zich.
Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur, in elk geval gelegen boven de zojuist genoemde benedengrens van 8 jaar.

Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.

Omtrent de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 4 maart 2019. Uit dat strafblad blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Bovendien liep hij in een proeftijd met betrekking tot een veroordeling voor een diefstal met geweld. De rechtbank houdt daarmee ten nadele van verdachte rekening.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het (gezamenlijke) Pro Justitia rapport van drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, en dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, d.d. 25 november 2018.

De rapporteurs concluderen dat er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de geestvermogens in de vorm van impulscontroleproblematiek, al dan niet te classificeren als een periodieke explosieve stoornis. Daarnaast is sprake van ADHD, van het voornamelijk onoplettende type. De gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens bestaatuit een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedden het handelen van de verdachte. Door de impulscontroleproblemen/periodiek explosieve stoornis liep verdachtes woede dermate hoog op dat hij de grip op de situatie en zichzelf verloor. Zijn contact met de realiteit raakte verstoord en hij raakte geheel in de ban van zijn woede. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusies over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat het feit de verdachte verminderd kan worden toegerekend.

Een en ander brengt de rechtbank tot de slotsom dat voor de bewezenverklaarde doodslag oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, zoals ook door de officier van justitie gevorderd, passend is.

Beslissing over de gevorderde maatregel

In voornoemd Pro Justitia-rapport concluderen de rapporteurs dat de kans op hernieuwde geweldsescalaties als verhoogd wordt ingeschat als de problematiek van de verdachte onbehandeld blijft. Behandeling van zijn stoornissen dient volgens de rapporteurs klinisch gerealiseerd te worden. De kans op recidive wordt met een ambulante behandeling naar de mening van de rapporteurs onvoldoende teruggedrongen. Omdat de verdachte zich in het verleden nooit heeft geconformeerd aan behandeling in een voorwaardelijk kader, zich heeft onttrokken aan toezicht en controle, en zich sterk zelfbepalend heeft opgesteld, achten de rapporteurs een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden een gepasseerd station. De rapporteurs achten TBS met bevel tot verpleging geïndiceerd, zij het dat de verdachte tot op heden nog nooit een echt adequate en afdoende behandeling heeft gekregen. De behandelmogelijkheden zijn nog niet uitgeput. Bovendien heeft de verdachte aangegeven bereid te zijn om zich te houden aan voorwaarden en om zijn afspraken na te komen.
De rapporteurs adviseren daarom aan de verdachte TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het maatregelrapport ten behoeve van een TBS-maatregel met voorwaarden van 1 april 2019 van Fivoor, betreffende verdachte. De rapporteur meldt dat er sprake is van een hoog recidiverisico. Het ontbreekt de verdachte aan inzicht in het recidiverisico en inzicht in zijn problematiek. De verdachte geeft aan dat hij mee zal werken aan TBS met voorwaarden als dit nodig is om de maatschappij te helpen en justitie gerust te stellen. Zelf ziet hij echter geen meerwaarde in een dergelijk traject en herkent hij zich niet in de diagnostiek zoals gesteld door de Pro Justitia-rapporteurs. De rapporteur is van mening dat de verdachte zich mogelijk formeel zal houden aan de voorwaarden, maar dat hij door het ontbreken van intrinsieke motivatie niet inhoudelijk kan profiteren van de behandeling, zodat binnen een dergelijk kader niet gekomen kan worden tot een langdurige gedragsverandering/verkleining van de kans op recidive. Daarbij komt dat de rapporteur de kans op onttrekking inschat als hoog, omdat de verdachte zich eerder heeft onttrokken aan behandeling en begeleiding in een forensisch kader.De rapporteur is van oordeel dat het gewelds- en recidiverisico in het kader van TBS met voorwaarden niet op een verantwoorde wijze te managen is. De rapporteur adviseert daarom aan de verdachte TBS met bevel tot verpleging op te leggen.
De rechtbank neemt de conclusie uit het gecombineerde psychologisch/psychiatrisch rapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve behandeling van verdachte, zoals door de deskundigen beschreven, noodzakelijk is.

Nu, gelet op de hoogte van de op te leggen straf, behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel en/of TBS met voorwaarden niet aan de orde is, resteert de vraag of de door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling dat het begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat het begane feit zeer ernstig is en verdachte reeds eerder voor feiten die gepaard gingen met geweld is veroordeeld en ter zake nog in een proeftijd liep. Tegenover de ernst van het feit legt de omstandigheid dat verdachte nog niet eerder is behandeld voor de thans vastgestelde problematiek onvoldoende gewicht in de schaal om thans af te zien van het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De rechtbank zal die maatregel dan ook opleggen.

7

[vader van het slachtoffer]

[moeder van het slachtoffer]

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer]

Volgens vaste rechtspraak kan shockschade ontstaan bij degene bij wie door het waarnemen van een incident of ongeval of door de confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Een vordering tot vergoeding van shockschade kan alleen worden toegewezen als het gaat om geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dergelijke schade moet worden onderscheiden van de emotionele en psychische gevolgen die het verlies van een dierbare voor ouders, familie en andere nabestaanden heeft.In deze zaak is ter onderbouwing van de gestelde shockschade aangevoerd dat de benadeelde partij kort na het steekincident ter plaatse is gekomen en om zijn zoon heeft bekommerd. De benadeelde partij is derhalve direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het steekincident en hierdoor is een hevige emotionele schok teweeggebracht. Er is sprake van een posttraumatische stressstoornis met depressieve stemming. Gewezen is daarbij op een brief van een behandelaar waarin staat dat de benadeelde partij onder behandeling is wegens een posttraumatische stressstoornis naar aanleiding van forse boosheid- en wraakgevoelens na het overlijden van het slachtoffer.
De rechtbank is echter van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat sprake is van shockschade die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Er is immers niet gebleken van geestelijk letsel voortvloeiend uit een emotionele schok die is teweeggebracht door confrontatie met het bewezenverklaarde feit of de gevolgen daarvan. Zonder af te willen doen aan het grote leed dat de benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, is aangedaan, zal de rechtbank de gevorderde vergoeding voor immateriële schade moeten afwijzen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

Ten aanzien van de benadeelde partij [moeder van het slachtoffer]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door en namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.
Ter zake de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak kan shockschade ontstaan bij degene bij wie door het waarnemen van een incident of ongeval of door de confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Een vordering tot vergoeding van shockschade kan alleen worden toegewezen als het gaat om geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dergelijke schade moet worden onderscheiden van de emotionele en psychische gevolgen die het verlies van een dierbare voor ouders, familie en andere nabestaanden heeft.In deze zaak is ter onderbouwing van de gestelde shockschade aangevoerd dat de benadeelde partij kort na het steekincident ter plaatse is gekomen en haar zoon heeft gereanimeerd. De benadeelde partij is derhalve direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het steekincident en hierdoor is een hevige emotionele schok teweeggebracht. Er is sprake van een posttraumatische stressstoornis met depressieve stemming. Gewezen is daarbij op een brief van een GZ-psycholoog waarin staat dat de benadeelde partij onder behandeling is wegens een acute posttraumatische stressstoornis met depressieve stemming.
De rechtbank is van echter oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat sprake is van shockschade die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Er is immers niet gebleken van geestelijk letsel voortvloeiend uit een emotionele schok die is teweeggebracht door confrontatie met het bewezenverklaarde feit of de gevolgen daarvan. In voormelde brief van de GZ-psycholoog staat immers vermeld dat de posttraumatische stressstoornis mede is veroorzaakt door de emotionele en psychische gevolgen door het verlies van het slachtoffer. Zonder af te willen doen aan het grote leed dat de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, is aangedaan, zal de rechtbank de gevorderde vergoeding voor immateriële schade moeten afwijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 765,85 en de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 juli 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 765,85, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [moeder van het slachtoffer] .

8

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen opmerkingen met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 27 september 2018 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank d.d. 5 november 2014, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

9

9.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot het beslag.

9.3
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp.

10

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

beslissing

11




De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

doodslag

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt, dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan een bedrag van € 765,85, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 765,85, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van ;
bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van deze rechtbank d.d. 5 november 2014, gewezen onder parketnummer 09/827050-14, te weten een gevangenisstraf voor de duur van ;

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen doormr. J.W. du Pon, voorzitter,mr. A.P. Sno, rechter,mr. M.M. Dolman, rechter,in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 mei 2019.
_67b5157d-c99f-43e4-bf72-cdc7eb8030dc
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018180711, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden en Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 283).

_2d4ab3f2-d053-4fc7-a3d9-949829300e9a
2

Proces-verbaal van bevindingen, blz. 20 en 21, en proces-verbaal van bevindingen, blz. 23.

_06ebf706-f8a7-44f6-a7e1-5fa7a29edf63
3

Sectierapport, blz. 257

_1b3e8db2-d0ed-454e-b6f4-6ec62b6580ef
4

Sectierapport, blz. 267

_20a0e880-bb1a-4843-9880-7b61b5ed0aaa
5

Sectierapport, blz. 258

_d2c5f6b6-afc1-4682-9d85-95b3a8b8af1c
6

Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , blz. 56

_b4ed19df-3eac-4c04-bb74-a7c0fb6026d3
7

Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , blz. 27 e.v. en proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , 134 e.v.

_46724f24-375e-48dc-9f83-39ed9f6a9eda
8

Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , blz. 30 e.v., en proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , blz. 143 e.v.