Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:4956

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:4956, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C-09-569614-KG ZA 19-222


Bron: Rechtspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/569614 / KG ZA 19-222

Vonnis in kort geding van 15 mei 2019

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [locatie] ,eiser,advocaat mr. E.G.S. Roethof te Amsterdam,
tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),zetelend te Den Haag,gedaagde,advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

ECLI:NL:RBDHA:2019:4956:DOC
nl

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/569614 / KG ZA 19-222

Vonnis in kort geding van 15 mei 2019

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [locatie] ,eiser,advocaat mr. E.G.S. Roethof te Amsterdam,
tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),zetelend te Den Haag,gedaagde,advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding, met producties;- de akte "Feiten en achtergronden" van de Staat, met producties;- de brief van de Staat van 27 maart 2019, met productie;- de brief van [eiser] van 28 maart 2019, met producties;- de op 29 maart 2019 gehouden mondelinge behandeling;- de brief van de Staat van 2 mei 2019, met productie;- de op 8 mei 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op 29 mei 2019. Deze datum is vervroegd naar 15 mei 2019.
2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.
[eiser] heeft de Albanese nationaliteit. Aan hem is in Albanië bij uitspraak van het "" van 29 juni 2015 een voor tenuitvoerlegging vatbare levenslange vrijheidsstraf opgelegd wegens doodslag van een politiefunctionaris en verboden wapenbezit.
2.2.
Op 4 mei 2016 hebben de Albanese autoriteiten de Staat om de uitlevering van [eiser] verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van de hiervoor vermelde straf.
2.3.
De internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 augustus 2016 de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. Het door [eiser] tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad - bij arrest van 16 mei 2017 - verworpen.
2.4.
Op 8 juni 2017 is het cassatieberoep van [eiser] tegen de onder 2.1 vermelde uitspraak van 29 juni 2015 verworpen.
2.5.
De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij besluit van 10 augustus 2017 de uitlevering van [eiser] toegestaan.
2.6.
Bij vonnis in kort geding van 26 februari 2018 heeft de voorzieningenrechter de Staat verboden [eiser] aan Albanië uit te leveren.
2.7.
De Staat heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Bij arrest van 12 februari 2019 heeft het gerechtshof Den Haag - onder aanvulling van gronden - het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
2.8.
Bij beschikking van 27 februari 2019 heeft de Minister - na verkregen nadere informatie van de Albanese autoriteiten - de uitlevering van [eiser] aan Albanië andermaal toegestaan.
3

3.1.
[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te verbieden hem uit te leveren aan Albanië, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.Als gevolg van de uitlevering van [eiser] naar Albanië worden zijn rechten, zoals beschermd in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ('EVRM'), geschonden, aangezien:
(ii) de detentieomstandigheden in Albanië ver onder de maat zijn;(iii) hij niet (voldoende) kan worden beschermd tegen de in Albanië bestaande corruptie binnen de rechterlijke macht en andere instellingen;(iv) de door de Albanese autoriteiten verstrekte garanties met betrekking tot zijn detentie onvoldoende specifiek zijn;
( i) Albanië ten behoeve van levenslanggestraften geen herbeoordelingsprocedure kent die voldoet aan de eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM') daaraan stelt;( v) hij in Albanië slachtoffer dreigt te worden van bloedwraak.
3.3.
De Staat voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.
overwegingen

4

4.1.
De onderhavige zaak betreft de tweede kort gedingprocedure naar aanleiding van het verzoek van de Albanese autoriteiten tot uitlevering van [eiser] . De eerste procedure speelde zich af in twee instanties. In eerste aanleg verbood de voorzieningenrechter de uitlevering van [eiser] , omdat deze zou leiden tot een (voltooide) schending van artikel 3 EVRM, aangezien de criteria voor invrijheidstelling van een tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde in Albanië te vaag zijn om te voldoen aan de eisen die daaraan volgens de jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad worden gesteld. In hoger beroep is die beslissing bekrachtigd. Daarvoor zijn volgens het gerechtshof (hierna 'het Hof') drie redenen:(i) onduidelijk is of de oude - in 2017 gewijzigde - versie van artikel 65 van het Albanese wetboek van strafrecht ('AWvSr') wordt toegepast op de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde levenslange gevangenisstraf;(ii) de criteria die in Albanië worden gehanteerd bij de herbeoordeling van een levenslanggestrafte zijn onvoldoende kenbaar;(iii) niet kan worden geconcludeerd dat in Albanië daadwerkelijk een mechanisme functioneert door middel waarvan wordt beoordeeld of tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden voor invrijheidstelling in aanmerking komen.Naar het oordeel van het Hof moet op grond daarvan (voorlopig) worden geoordeeld dat de Albanese wet- en regelgeving niet voldoen aan de eisen van artikel 3 EVRM. Het Hof voegt daaraan toe dat elk van de drie redenen voldoende is om de uitlevering van [eiser] te verbieden.
4.2.
Bij de beoordeling van het onderhavige (tweede) kort geding, zal allereerst worden beoordeeld of die drie - door het gerechtshof aanwezig geachte - bezwaren tegen de uitlevering van [eiser] thans zijn weggenomen. Volgens de Staat is dat het geval; de beschikking van de Minister van 27 februari 2019 is in feite ook enkel daarop gebaseerd. [eiser] bestrijdt dat en baseert daarop zijn hiervoor onder 3.2 sub (i) vermelde grondslag van zijn vordering. De dragende overwegingen van het Hof, die dus richtinggevend zijn voor die grondslag, luiden als volgt:
"2.4 Art. 65 van het Albanese wetboek van strafrecht (AWvSr) luidde tot voor kort (in Engelse vertaling):

"A convict serving life imprisonment shall not be allowed to be released on parole. Only under extraordinary circumstances may the convict serving life imprisonment be released on parole, if: He has served no less than twenty-five years imprisonment and during the period serving his sentence has shown excellent behavior and it is deemed that the educational aim of the sentence has been achieved."

[eiser] heeft erop gewezen dat art. 65 AWvSr onlangs is gewijzigd en thans luidt als volgt:

"A convict serving life imprisonment shall not be allowed to be released on parole. Only under extraordinary circumstances may the convict serving life imprisonment be released on parole, if: He has served no less than thirty-five years imprisonment and during the period serving his sentence has shown excellent behavior and it is deemed that the educational aim of the sentence has been achieved. Persons sentenced for criminal offences foreseen in articles 78/a, 79/a, 79/b, 79/c and article 100 paragraph 3 shall be exempt from this rule."

De Staat erkent dat art. 65 AWvSr in deze zin is gewijzigd, maar voert aan dat deze bepaling ingevolge art. 3 lid 3 AWvSr niet op [eiser] van toepassing is.

2.5
[eiser] is tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld voor de moord op een politieambtenaar, strafbaar gesteld bij art. 79/b AWvSr. Indien art. 65 AWvSr in zijn huidige versie op hem van toepassing is zou hij dus niet voor invrijheidsstelling in aanmerking komen.

2.6
Het is duidelijk dat het nieuwe artikel 65 AWvSr de eisen die het EHRM stelt aan de herbeoordeling van een tot levenslang veroordeelde op flagrante wijze miskent. Niet alleen is de termijn waarna een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden 10 jaar langer dan de maximale termijn waar het EHRM als beginsel van uitgaat, bovendien is invrijheidsstelling voor bepaalde categorieën misdrijven, waaronder het misdrijf waarvoor [eiser] is veroordeeld, in het geheel niet mogelijk. De Staat heeft aangevoerd dat art. 65 AWvSr is gewijzigd bij Wet no. 36/2017 van 30 maart 2017 en dat de oude versie van art. 65 van toepassing is, nu de moord waarvoor [eiser] is veroordeeld is gepleegd op 24 februari 2013. De Staat baseert zich daarbij op art. 3 lid 3 AWvSr dat bepaalt:

"If the law in force at the time when the criminal offence was committed and the subsequent law are different, the law, the provisions of which are more favorable to the person having committed the criminal offence, shall apply."

2.7
Het hof is er echter niet van overtuigd dat genoemd art. 3 lid 3 AWvSr inderdaad meebrengt dat de oude versie van art. 65 AWvSr op de situatie van [eiser] van toepassing zal zijn. Het gaat bij art. 3 lid 3 AWvSr niet om een overgangsbepaling die specifiek betrekking heeft op de Wet van 30 maart 2017, noch om een bepaling die expliciet betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een reeds door de rechter opgelegde straf (in plaats van bijvoorbeeld de strafbaarstelling of strafbedreiging). Het is een algemeen strafrechtelijk beginsel waarvan niet is gebleken dat het wordt of zal moeten worden toegepast op de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf. Jurisprudentie die het standpunt van de Staat zou kunnen bevestigen is niet aangevoerd. Het had op de weg van de Staat gelegen om aannemelijk te maken dat zijn standpunt ten aanzien van het overgangsrecht juist is, nu de nieuwe versie van art. 65 AWvSr een flagrante schending van art. 3 EVRM inhoudt en de Staat tegen die achtergrond slechts mag meewerken aan de uitlevering van [eiser] als op voorhand voldoende duidelijk is dat de voor herbeoordeling bevoegde autoriteit op hem slechts de oude versie zal toepassen. Daarvan is bij de huidige stand van zaken geen sprake. De enkele mededeling van de Albanese autoriteiten dat de oude versie van art. 65 AWvSr op grond van artikel 3 lid 3 AWvSr van toepassing zal zijn, is in ieder geval onvoldoende. Nu Albanië zeer onlangs art. 65 AWvSr heeft gewijzigd op een wijze die in flagrante strijd is met art. 3 EVRM, kan het vertrouwensbeginsel, inhoudend dat de Staat erop mag vertrouwen dat Albanië zijn verplichtingen onder het EVRM zal nakomen, niet onverkort toepassing vinden.

2.8
Daarbij komt nog het volgende. De Albanese autoriteiten hebben in de hiervoor genoemde brief van 22 mei 2018 onder meer uiteengezet aan de hand van welke criteria wordt beoordeeld of sprake is van ‘exemplary behaviour’ (in de vertaling hiervoor onder 2.4: ‘excellent behavior’) in de zin van art. 65 AWvSr. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juli 2016 (hiervoor geciteerd onder 2.2; zie ook EHRM 9 juli 2013, inzake Vinter e.a. tegen Verenigd Koninkrijk, nrs. 66069/09, 130/10 en 3896/10, par. 122) volgt dat het voor de veroordeelde reeds ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in voldoende mate duidelijk moet zijn welke objectieve criteria zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, zodat hij weet aan welke vereisten zal moeten worden voldaan, wil hij – op termijn – voor verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling in aanmerking komen. Vereist is - in de woorden van het EHRM in de zaak Trabelsi tegen België (EHRM 4 september 2014, nr. 140/10, par. 137):

"a review mechanism requiring the national authorities to ascertain, on the basis of objective, pre-established criteria of which the prisoner had precise cognisance at the time of imposition of the life sentence, whether, while serving his sentence, the prisoner has changed and progressed to such an extent that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds" (onderstreping toegevoegd)

Uit niets blijkt dat de in de brief van 22 mei 2018 genoemde criteria zijn gepubliceerd op een wijze die waarborgt dat tot levenslang veroordeelde personen zoals [eiser] daarvan kennis kunnen nemen, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat en op welke wijze [eiser] daarvan bij zijn veroordeling kennis heeft kunnen nemen. Onvoldoende is in ieder geval dat de te hanteren criteria in een brief uiteen worden gezet die in dit geding als productie wordt overgelegd, waarbij op geen enkele wijze kan worden gecontroleerd of het inderdaad om officiële (beleids)regels gaat die op de beoordeling op grond van art. 65 AWvSr van toepassing zijn.

2.9
Ten slotte eist art. 3 EVRM dat voor een tot levenslang veroordeelde de mogelijkheid tot invrijheidsstelling de facto aanwezig is. Daarbij kan statistische informatie over het functioneren van de procedure tot herbeoordeling, alsmede over het aantal gevallen waarin invrijheidsstelling werd toegestaan, van belang zijn (zie EHRM 26 april 2016, Murray tegen Nederland, nr. 10511/10, par. 100). De Staat heeft echter geen voorbeelden kunnen noemen van gevallen waarin een tot levenslang veroordeelde in vrijheid is gesteld, of althans een geval waarin een veroordeelde wel om invrijheidsstelling heeft verzocht maar dat in overeenstemming met de door het EHRM geëiste procedure en criteria werd geweigerd. Het argument van de Staat, dat art. 65 AWvSr eerst bij Wet van 27 januari 1995 is ingevoerd en dat er zich dus nog geen geval kan hebben voorgedaan waarin een tot levenslang veroordeelde 25 jaar in detentie heeft doorgebracht, overtuigt niet. Aan te nemen valt dat zich in Albanië ook voor 27 januari 1995 tot levenslang veroordeelde personen in detentie bevonden voor wie de termijn van 25 jaar inmiddels is verstreken. Het hof heeft in ieder geval niet kunnen constateren dat er in Albanië daadwerkelijk een mechanisme functioneert door middel waarvan wordt beoordeeld of tot levenslang veroordeelden voor invrijheidsstelling in aanmerking komen."

4.3.
Op 25 februari 2019 heeft de Staat naar aanleiding van het arrest van het Hof nadere informatie verzocht aan de Albanese autoriteiten. Deze hebben daarop op 27 februari 2019 als volgt gereageerd:
"In reference to the case of extradition from the Netherlands to Albania of the citizen [eiser] , the Albanian Ministry of Justice hereby communicates that it has been informed of the Hague Appeal Court decision to not grant the extradition of the Albanian citizen [eiser] to Albania. This is because in reference to the ECHR case law, for a life sentence to comply with ECHR case law, it must be reducible both de jure and de facto and that the criterion for assessing a request for early release or release on parole must be objective, clear and known to the sentenced person.

As above, deeming as unfair and prejudgmental the decision to not grant his extradition, this Ministry informs you as fottows:

1.

2.

This decision clarifies what special cases means and these cases are related to the work and behavior of the sentenced person during sentence serving term, but also in view of his family conditions or rehabilitation/re-education. This decision may serve as a reference even in the interpretation and understanding of extraordinary cases when the release on parole can apply, foreseen by Article 65.

(Please find attached the Unifying Decision of the Joint Benches of Supreme Court, Decision No. 2, dated 25.05.2018).

3.

Ministry of Justice of the Republic of Albania avails itself of this opportunity to renew to the Ministry of Security and Justice of the Kingdom of the Netherlands the assurance of its highest consideration

MINISTER

Etilda Gjornaj (Saliu)"
4.4.
De onder 1 vermelde reactie van de Albanese autoriteiten betreft niet meer dan een verwijzing naar de eerder door hen afgelegde verklaringen over de toepasselijkheid van artikel 65 AWvSr oud op de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde levenslange gevangenisstraf. In zoverre kan die reactie op zichzelf niet worden aangemerkt als een nieuwe omstandigheid waarmee het Hof destijds geen rekening heeft gehouden. Dit laatste geldt ook voor zover de Albanese autoriteiten in hun reactie onder 2 verwijzen naar de . [eiser] heeft naar aanleiding van die verwijzing aangevoerd dat daarmee wordt bedoeld een beslissing van de van 25 mei 2015, die het Hof heeft betrokken in zijn uitspraak van 12 februari 2019. De Staat heeft dat niet weersproken en in feite zelfs erkend (zie pleitnota onder 2.15). Gelet hierop zal van de juistheid van die stelling van [eiser] worden uitgegaan. Bovendien blijkt uit rechtsoverweging 2.8 - in samenhang met de door de Staat overgelegde producties 18 en 20 - dat het Hof de inhoud en strekking van die beslissing van de destijds heeft meegewogen.
4.5.
Dat betekent dat in feite enkel de onder 3 vermelde reactie van de Albanese autoriteiten - die ingaat op de hiervoor onder 4.1 sub (iii) vermelde reden die volgens het Hof in de weg staat aan de uitlevering - een novum betreft. Volgens de Staat brengt die reactie - in het bijzonder de daarin genoemde uitspraak van de rechtbank te Korçe van 14 februari 2019 inzake [X] - zelfs mee dat alle bezwaren van het Hof tegen de uitlevering van [eiser] , zoals hiervoor onder 4.1 opgenomen, zijn weggenomen (zie pleitnota sub 2.7). De Staat kan hierin echter niet worden gevolgd.
4.6.
Daarvoor is allereerst van belang dat de Albanese autoriteiten slechts verwijzen naar één enkele uitspraak waarbij een tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde persoon ( [X] ) voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Dat brengt nog niet mee dat moet worden aangenomen dat in Albanië sprake is van een bestaande praktijk () met betrekking tot de beoordeling of levenslanggestraften in aanmerking komen voor (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Dat de rechtbank te Korçe verwijst naar maakt dat niet anders, nu die jurisprudentie niet nader wordt gespecificeerd/toegelicht en dus ook niet kan worden geverifieerd. Daar komt bij dat de uitspraak van de rechtbank te Korçe niet onherroepelijk is en de Albanese officier van justitie in beroep is gegaan tegen de voorwaardelijke invrijheidstelling van [X] . In diens appelmemorie (productie 31 van de Staat) stelt hij onder meer dat [X] niet meer dan vijfendertig jaar gevangenisstraf heeft uitgezeten, zodat alleen al om die reden het verzoek van [X] tot voorwaardelijke invrijheidstelling had moeten worden afgewezen. Gelet op het beroep van de Albanese officier van justitie tegen de uitspraak van de rechtbank te Korçe kan op dit moment niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van [X] stand zal houden. Als dat beroep doel treft, resteert geen enkel voorbeeld van het daadwerkelijke bestaan van een mechanisme zoals hiervoor bedoeld, waarmee de feitelijke grondslag aan de onder 3 vermelde reactie van de Albanese autoriteiten komt te ontvallen.
4.7.
Voorts beroept de Albanese officier van justitie zich in zijn appelmemorie klaarblijkelijk op de nieuwe versie van artikel 65 AWvSr, welke bepaling in flagrante strijd is met artikel 3 EVRM. Hij voert immers aan dat [X] reeds omdat hij nog geen vijfendertig jaar gevangenisstraf heeft uitgezeten niet in aanmerking had mogen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Op grond van de in verband met de uitlevering van [eiser] verstrekte verklaringen/garanties van de Albanese autoriteiten zou op [X] - gelet op de voorhanden zijnde feiten met betrekking tot diens strafzaak - ook artikel 65 AWvSr oud, waarvoor die 'vijfendertigjaar-eis' niet geldt, moeten worden toegepast.
4.8.
Verder is van belang dat [eiser] op de zitting van 8 mei 2019 gemotiveerd heeft aangevoerd dat de Minister van Justitie van Albanië recent - tijdens een persconferentie - heeft verklaard dat hij/zij zich schaart achter het standpunt van de Albanese officier van justitie. De Staat heeft daarop aangegeven bereid te zijn aan te nemen dat dit het geval is. Die stelling van [eiser] zal dan ook voor juist worden gehouden.
4.9.
Op grond van het voorgaande moet in het bestek van dit kort geding ervan worden uitgegaan dat het onder 4.1 sub (iii) vermelde argument van het Hof nog steeds actueel is. Bovendien kan - gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 en 4.8 is overwogen - niet met voldoende mate worden vertrouwd op de toezegging/garantie van de Albanese autoriteiten dat artikel 65 AWvSr oud zal worden toegepast op [eiser] . Te minder nu de onder 4.3 vermelde reactie van de Albanese autoriteiten van 27 februari 2019 is getekend door/namens de en deze zich niet verhoudt, althans lijkt te verhouden met de uitlatingen van de Minister op de onder 4.8 bedoelde persconferentie. Mede gelet daarop kan (in ieder geval ten aanzien van [eiser] ) de Staat niet worden gevolgd in zijn stelling dat de en de niet mogen/kunnen worden vereenzelvigd.
4.10.
Reeds op grond van het bovenstaande is de vordering van [eiser] toewijsbaar op de hieronder in het dictum vermelde wijze. Bij die stand van zaken behoeven de overige, door [eiser] aangevoerde, argumenten ter ondersteuning van zijn vordering geen verdere bespreking.
4.11.
De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. In dat kader is nog het navolgende van belang. [eiser] procedeert op basis van een toevoeging. Eisende partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande en nu verschotten zijn gesteld noch gebleken wordt de Staat slechts veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht en tot vergoeding van het - hierna in het dictum vast te stellen - salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
beslissing

5

De voorzieningenrechter:

5.1.
verbiedt de Staat [eiser] uit te leveren aan Albanië;
5.2.
veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1,061,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 81,-- aan griffierecht;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.

jvl