Uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2019:4583

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Den Haag op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBDHA:2019:4583, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/09/540926 / HA ZA 17/1066


Bron: Rechtspraak

center
100
a92b34bb-9e48-4698-ba2a-f676aec82237
2
13
image/png

center
100
0bade7a2-2f86-43b7-b655-9bc772e6ca2c
2
523
image/png


RECHTBANK DEN HAAG
Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/540926 / HA ZA 17/1066

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2019

in de zaak van

[eiser]

advocaat: mr. A.P. Macro te Amsterdameiser,
tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag,gedaagde.
Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

ECLI:NL:RBDHA:2019:4583:DOC
nl

center
100
a92b34bb-9e48-4698-ba2a-f676aec82237
2
13
image/png

center
100
0bade7a2-2f86-43b7-b655-9bc772e6ca2c
2
523
image/png


RECHTBANK DEN HAAG
Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/540926 / HA ZA 17/1066

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2019

in de zaak van

[eiser]

advocaat: mr. A.P. Macro te Amsterdameiser,
tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag,gedaagde.
Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 4 oktober 2017, met producties;

de conclusie van antwoord, met producties;

het tussenvonnis van 28 maart 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

het proces-verbaal van comparitie van 28 maart 2019, met de daarin genoemde stukken.

1.2.
Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. De Staat heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 26 april 2019. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van deze brief gelezen.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2

2.1.
[eiser] is zelfstandig vastgoedondernemer.
2.2.
Vanaf 2006 is onder leiding van het functioneel parket te Amsterdam een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar grootschalige fraude in de vastgoedsector. Dit onderzoek stond bekend onder de codenaam ‘Klimop’. Naar aanleiding van de bevindingen uit dat onderzoek is [eiser] in een aanvangsproces-verbaal met dagtekening 7 juni 2007 als verdachte aangemerkt.
2.3.
Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 23 november 2018 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden wegens valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, en wegens feitelijk leiding geven aan witwassen, meermalen gepleegd (ECLI:NL:RBLIM:2018:11040, hierna: het strafvonnis). Daarnaast is [eiser] bij uitspraak van dezelfde rechtbank en van dezelfde datum veroordeeld tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.365.255,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (ECLI:NL:RBLIM:2018:11041, hierna: het ontnemingsvonnis).
2.4.
In de procedures die aan het strafvonnis en het ontnemingsvonnis zijn voorafgegaan, heeft [eiser] voor zover hier van belang het verweer gevoerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn door het lange tijdsverloop tussen het moment waarop hij als verdachte is aangemerkt en het moment waarop de zaak inhoudelijk door de rechtbank is beoordeeld.
2.5.
In het strafvonnis is dit redelijke termijn-verweer, kort samengevat, als volgt beoordeeld. De strafrechter heeft vastgesteld dat de zitting van de strafzaak van [eiser] , waarin de zaak inhoudelijk is behandeld, pas na bijna 10 jaar na het eerste verhoor van [eiser] heeft plaatsgevonden. Van deze 120 maanden waren naar het oordeel van de strafrechter 51 maanden aan [eiser] toe te rekenen, en dienden de overige 69 maanden te worden meegenomen in de beoordeling van de (overschrijding van de) redelijke termijn. Gelet op de aard en omvang van het strafdossier en de samenhang met een erg omvangrijk onderzoek met vele verdachten, heeft de strafrechter geoordeeld dat een termijn van 36 maanden binnen de redelijke termijn viel, waarmee de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak van [eiser] een periode van 2 jaar en 9 maanden bedroeg. De strafrechter heeft die overschrijding, na een afweging van alle omstandigheden, verdisconteerd in een vermindering van de geëiste gevangenisstraf met een periode van drie maanden. De in dit verband relevante rechtsoverwegingen uit het strafvonnis luiden als volgt:
“3 De voorvragen
3.1
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft onder verwijzing naar haar reeds op 21 juni 2018 gevoerde preliminaire

verweer haar standpunt herhaald en aangevuld en wederom de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. Kort en zakelijk weergegeven heeft de verdediging hiertoe aangevoerd dat niet-ontvankelijkheid dient te volgen wegens een fundamentele inbreuk die het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd in de kern aantast ( [X] -criterium), wegens schending van de redelijke termijn en wegens overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met overige schendingen en verwijtbaar handelen. De overschrijding van de redelijke termijn leidt er voorts toe dat de verdedigingsrechten zodanig worden beperkt dat er geen sprake meer is van een eerlijk proces nu niet kan worden aangenomen dat verdachte gelet op het tijdsverloop en de dientengevolge vervagende herinneringen nog in staat zal zijn een adequate verdediging te voeren.

De verdediging onderbouwt dit door te stellen dat er sprake is van een opeenstapeling van onzorgvuldigheden van het Openbaar Ministerie in de diverse artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)-procedures en de door het Openbaar Ministerie geschapen onduidelijkheid met betrekking tot de vraag welke rechtbank bevoegd zou zijn van een verzoek ex artikel 36 Sv kennis te nemen. Aanvullend stelt de verdediging dat de officier van justitie de rechtbank ter zitting van 21 juni 2018 verkeerd heeft voorgelicht met betrekking tot het telefoongesprek dat hij met de voormalig raadsman van verdachte, mr. J.H. Peek, heeft gevoerd. Voorts had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om de rechtercommissaris —ook na afsluiting van de onderzoekshandelingen ex artikel 181 Sv – te berichten dat getuige [getuige 1] – die eerder onder andere vanwege een verblijf in het buitenland niet gehoord had kunnen worden – inmiddels teruggekeerd was naar Nederland om daar zijn gevangenisstraf uit te zitten.

Bij de beoordeling van dit verweer betrekt de rechtbank de volgende tijdlijn. De rechtbank heeft hiervoor geput uit de stukken die deel uitmaken van het strafdossier in brede zin en de aan het strafdossier toegevoegde stukken uit de civiele procedure van verdachte tegen de staat (conclusie van eis van 4 oktober 2017 en conclusie van antwoord van 28 februari 2018 beide voorzien van producties). Deze selectie is niet uitputtend.

- 25 november 2008: mr. Peek stelt zich als raadsman en vraagt de op de zaak betrekking hebbende stukken op. Volgens zijn informatie zou het gaan om artikel 225 Sr met betrekking tot de “overeenkomsten van Universum” en artikel 328 Sr.

- 3 december 2008: in opdracht van de officier van justitie en ter voorbereiding van het verhoor van 10 (en mogelijk 11 en 12 ) december 2008 worden het aanvangsproces-verbaal van het onderzoek inclusief bijlagen (ordner 1 en 2) alsmede het proces-verbaal van ambtshandeling met betrekking het project Eurocenter inclusief bijlagen verstrekt.

- 10 en 11 december 2008: eerste verhoren verdachte.

- 6 januari 2010: de verdediging verzoekt te RC te Haarlem om te mogen aansluiten bij de verhoren van de getuigen betreffende de gang van zaken met betrekking tot het tappen van geheimhouder-gesprekken in andere Klimop zaken. Bij brief van 8 maart 2010 antwoordt de rechter-commissaris dat dit verzoek wordt afgewezen omdat deze getuigen inmiddels gehoord zijn.

- 2010: als gevolg van de afwikkeling van het onderzoek Klimop is er niet onmiddellijk ruimte voor onderzoek naar verdachte en aan hem gelieerde ondernemingen. Vanaf medio 2010 wordt het onderzoek opgepakt onder de naam Clematis aan de hand van de bevindingen binnen het Klimop onderzoek. De zaak wordt ter afdoening overgedragen aan officier van justitie mr. [officier van justitie 1] van het functioneel Parket Den Bosch.

- 23 juni 2010 – 5 januari 2012: 22 vorderingen tot het verstrekken van gegevens

- 23 juni 2010 – begin 2012 destilleren gegevens uit het Klimop onderzoek en verwerken en analyseren van de gevorderde (financiële) informatie.

- 6 september 2010: telefoongesprek tussen mrs. Peek en [officier van justitie 1] over de afdoening van de gerezen verdenking jegens verdachte, dat per brief van 10 september 2010 door mr. Peek wordt bevestigd. Mr. Peek geeft hierin aan dat hij uit andere hoofde beschikt over meer recente stukken van het Klimop onderzoek, o.a. 4-OPV (opmerking rechtbank: dit betreft het onderzoek naar project Eurocenter).

- 15 oktober 2010: telefoongesprek tussen mrs. Peek en [officier van justitie 1] over hetzelfde onderwerp, dat per brief van dezelfde datum door mr. Peek wordt bevestigd.

- 26 januari 2011: mr. Peek verzoekt mr. [officier van justitie 1] om aan te geven bij welke rechtbank (Haarlem, Den Bosch of Amsterdam) hij namens cliënt een verzoek ex artikel 36 Sv kan indienen. Dit verzoek wordt op 18 februari 2011 herhaald.

- 13 mei 2011 indiening verzoek ex 36 Sv bij rechtbank Den Bosch.

- 15 juli 2011: brief waarin het Openbaar Ministerie aangeeft dat het zal overgaan tot vervolging.

- 27 januari 2012: behandeling verzoek ex 36 Sv door de rechtbank Den Bosch (standpunt Openbaar Ministerie: Den Bosch niet bevoegd)

- 31 januari 2012: telefoongesprek tussen mrs. Peek en [officier van justitie 1] over de vraag welke rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.

- 7 februari 2012: het Openbaar Ministerie geeft schriftelijk aan dat bij nader inzien de rechtbank Den Bosch wel bevoegd is, omdat Eindhoven een van de pleegplaatsen zou kunnen zijn.

- 9 maart 2012: Rechtbank Den Bosch acht zich bevoegd en verzoekt het Openbaar Ministerie om nadere informatie.

- 21 september 2012: nadere zitting.

- 19 oktober 2012: De rechtbank Den Bosch acht zich bij nader inzien alsnog onbevoegd nu er nog Klimop-zaken aanhangig zijn bij de rechtbank Haarlem. Zij verwijst de zaak naar de rechtbank Haarlem.

- 25 oktober 2012: cassatieberoep verdachte tegen deze beslissing van de rechtbank Den Bosch.

De rechtbank Haarlem houdt hangende cassatieberoep de behandeling van het door

de rechtbank Den Bosch verwezen verzoek ex artikel 36 Sv aan.

- 25 juni 2013: Hoge Raad oordeelt cassatieberoep niet ontvankelijk

- 4 oktober 2013: eindproces-verbaal Clematis toegezonden naar RC Limburg

- 19 november2013: indiening verzoek ex 36 Sv door mr. Peek bij rechtbank Limburg

- 21 november 2013: Aanvulling 1 op eindproces-verbaal ontvangen door RC

- 25 november 2013: de rechtbank Noord-Holland (voorheen Haarlem) heeft na de niet-ontvankelijk verklaring van het cassatieberoep het verzoek behandeld. Zij acht zich onbevoegd hiervan kennis te nemen (alle Klimopzaken zijn inmiddels afgehandeld).

- 2 december 2013: verzoek van het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris Limburg om onderzoek ex 181 Sv te openen en regiezitting te bepalen.

- 5 december 2013: brief mr. Peek aan rechter-commissaris Limburg met het verzoek om eerst de beslissing van de rechtbank Limburg op het verzoek ex artikel 36 Sv af te wachten, waarop de rechter-commissaris geen regiezitting heeft belegd.

- 13 maart 2014: behandeling van het verzoek door de rechtbank Limburg.

- 2 april 2014: afwijzing van dit verzoek door de rechtbank Limburg.

- 9 april 2014: brief OM aan RC om zo spoedig mogelijk regiezitting te plannen.

- 28 april 2014: Aanvulling 2 op eind-proces-verbaal Clematis wordt ontvangen door de rechter-commissaris.

- 29 april 2014: verdachte doet aangifte bij de hoofdofficier van justitie te Maastricht wegens schending ambtsgeheim door mrs. [1] en [2] , advocaten-generaal en mrs. [officier van justitie 1] en [officier van justitie 2] , officieren van justitie.

- 8 mei 2014: rechter-commissaris verleent machtiging tot leggen conservatoir beslag tot een maximum van € 1.326.000,--.

- 15 augustus 2014: opgave onderzoekswensen door verdediging.

- 15 augustus 2014: indiening beklag ex artikel 12 Sv tegen weigering vervolging van de hiervoor genoemde advocaten-generaal en officieren van justitie.

- 21 augustus 2014: regiebijeenkomst rechter-commissaris.

- 16 september 2014: beschikking rechter-commissaris naar aanleiding van regiebijeenkomst. Verzoek tot horen van vier bij het onderzoek Klimop betrokken zaaksofficieren wordt afgewezen.

- 1 oktober 2014: bezwaar 182/183 Sv ingediend door mr. Peek tegen deze afwijzing

- 7 november 2014: mr. G.G.J. Knoops neemt de zaak over van mr. Peek en verzoekt de rechtbank vanwege een in te dienen derde verzoek artikel 36 Sv de behandeling van het bezwaar aan te houden.

- 12 november 2014: mr. Knoops dient een nieuw verzoek ex artikel 36 Sv in, onderzoek rechter-commissaris komt stil te liggen.

- 20 november 2014 het door mr. Peek op 1 oktober 2014 ingediende bezwaarschrift wordt door mr. Knoops ingetrokken.

- 8 januari 2015: Brief Openbaar Ministerie aan rechter-commissaris met het verzoek om zodra de weg daartoe openstaat voortvarend de regietaak weer op te pakken

- 4 maart 2015: verzoek ex artikel 36 Sv afgewezen

- 20 maart 2015: verdediging laat weten aan de rechter-commissaris dat de bijstand zich tot dusverre heeft geconcentreerd op de derde artikel 36 Sv procedure en maar ten dele kennis heeft genomen van liet dossier en dus onvoldoende ingelezen om binnen de door de rechter-commissaris gegeven termijn onderzoekswensen te kunnen indienen. Verzoek nadere termijn door de rechter-commissaris afgewezen.

- 16 april 2015 verdediging dient enkele voorlopige onderzoekwensen in

- 23 april 2015: beschikking rechter-commissaris ex artikel 182 Sv: toewijzing verzoek horen getuigen [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 1] en [getuige 5] .

- 19 en 25 augustus, 23 september 2015: horen getuigen door rc.

- 4 september 2015: afwijzing klacht ex 12 Sv door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. (Verdachte werd gehoord als getuige in zaken van andere Klimop verdachten en had zich daar op zijn verschoningsrecht beroepen. Het hof oordeelt dat de door de betrokken advocaten-generaal en officieren van justitie uitgewisselde informatie over het verloop van de procedure ex artikel 36 Sv en over de omvang van de verdenking tegen verdachte op dat moment niet anders kan worden uitgelegd dan het functioneel geven van informatie ter beoordeling van het door verdachte gedane beroep op zijn verschoningsrecht.)

- 18 november 2015: nogmaals tevergeefs getracht [getuige 1] te horen.

- 12 februari 2016: verzoek verdediging 7 aanvullende getuigen te horen.

- 3 maart 2016: beschikking rechter-commissaris ex 182 Sv, toewijzing verzoek horen getuigen [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] , [getuige 11] en [getuige 1] .

- 17 en 18 mei 2016 en 2 juni 2016: getuigen (m.u.v. [getuige 1] ) gehoord door rechter-commissaris.

- 19 juli 2016: beschikking rechter-commissaris beëindiging onderzoek ex 237 Sv ( [getuige 1] kan niet binnen redelijke termijn worden gehoord).

- 23 mei 2017: correspondentie rechtbank in verband met planning regiezitting, deze zou september 2017 kunnen plaatsvinden.

- 31 mei 2017: bericht van de verdediging dat deze pas voorjaar 2018 tijd heeft.

- 8 juni 2017: mail Openbaar Ministerie waarin het Openbaar Ministerie bezwaar maakt tegen een planning van de zitting op een dergelijke termijn. Rechtbank plant gelet op verhinderdata verdediging regiezitting op 11 april 2018 en de inhoudelijke behandeling op […] met 9 november 2018.

- 2 maart 2018: mr. Knoops trekt zich terug als advocaat.

- 8 maart 2018: mr. M. ‘t Sas stelt zich als advocaat.

- 11 april 2018: regiezitting wordt aangehouden op verzoek verdediging (ziekte advocaat)

- 21 juni 2018: regiezitting. Verdediging voert preliminair verweer (Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk) en verzoekt subsidiair tot het horen van getuige [getuige 1] .

- 9 juli 2018: beslissing op preliminair verweer (Openbaar Ministerie ontvankelijk) en toewijzing horen getuige [getuige 1] .

- 5 tot en met 9 november 2018: inhoudelijke behandeling.

[X]

Met betrekking tot de artikel 36 Sv procedures overweegt de rechtbank dat er in dit verband een aantal procedures zijn gevoerd. Het eerste verzoek ex artikel 36 Sv is op 13 mei 2011 ingediend bij de toenmalige rechtbank Den Bosch. Deze rechtbank heeft zich op 12 oktober 2012 onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de toenmalige rechtbank Haarlem. Tegen deze beslissing heeft verdachte op 25 oktober 2012 cassatie in gesteld. Dit cassatieberoep is op 25 juni 2013 door de Hoge Raad niet ontvankelijk verklaard. Vervolgens is de behandeling van het verzoek voortgezet bij (inmiddels) de rechtbank Noord-Holland (voorheen Haarlem) die zich op 25 november 2013 eveneens onbevoegd verklaarde. Zowel op 19 november 2013 als op 12 november 2014 is een verzoek ingediend bij de rechtbank Limburg. De rechtbank Limburg achtte zich telkens bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en heeft het verzoek telkens afgewezen (respectievelijk bij uitspraken van 2 april 2014 en 5 maart 2015).

Door de verdediging is betoogd dat deze gang van zaken te wijten is aan de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen duidelijk standpunt heeft willen innemen met betrekking tot de vraag welke rechtbank bevoegd zou zijn om van een verzoek ex artikel 36 Sv kennis te nemen en voorts dat de mededeling van de officier van justitie ter zitting van 21juni 2018 gelogenstraft wordt door de schriftelijke stukken in het dossier, waaronder het proces-verbaal van 27 januari 2012 van de behandeling van het verzoekschrift ex artikel 36 Sv bij de rechtbank Den Bosch en de correspondentie van mr. Peek.

De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel niet aan de officier van justitie is om aan te geven welke rechtbank bevoegd zou kunnen zijn van een verzoek ex artikel 36 Sv kennis te nemen. De bevoegdheid van de rechtbank volgt uit de wet. De verdediging had destijds voldoende informatie over de aard en omvang van de mogelijke verdenking om zelf te kunnen inschatten welke rechtbanken bevoegd zouden kunnen zijn. Op 25 november 2008 was het mr. Peek kenbaar dat de verdenking te maken had met Universum. Namens liet Openbaar Ministerie zijn op 3 december 2008 aan mr. Peek stukken verstrekt ter voorbereiding van liet verhoor van verdachte van 10 december 2008. Verdachte is alstoen verhoord over zijn betrokkenheid bij en de gang van zaken binnen Universum Vastgoed BV. Uit de brief van mr. Peek van 10 september 2010 blijkt dat hij reeds uit anderen hoofde de beschikking had over liet dossier 4-OPV, zijnde liet Eurocenter dossier. Universum Vastgoed BV had haar statutaire zetel in het toenmalige arrondissement Roermond en ook het kantooradres van verdachte (en daarmede een mogelijke pleegplaats) was gelegen binnen het arrondissement Roet-mond, hetgeen aanknopingspunten waren voor de bevoegdheid van de rechtbank aldaar. De strafzaken van in het dossier Eurocenter genoemde medeverdachten zoals [getuige 5] , [getuige 2] en [getuige 3] liepen al in de rechtbank Haarlem, hetgeen wederom een aanknopingspunt was voor de bevoegdheid van de rechtbank aldaar.

Desondanks en om haar moverende redenen kiest de verdediging er voor het verzoek in te dienen bij de rechtbank Den Bosch. Pas een diepgaandere bestudering van de gang van zaken rond de gewraakte constructie en overeenkomsten binnen Eurocenter/Universum leert dat er mogelijk besprekingen zijn geweest op plaatsen gelegen in het arrondissement Den Bosch waaruit mogelijk een pleegplaats is af te leiden, maar voor de hand ligt dit niet. Dat de verdediging om haar moverende redenen voor Den Bosch heeft gekozen, komt voor rekening van de verdediging. Deze keuze is in elk geval niet te wijten aan onjuiste informatie of zwalkend gedrag zijdens het openbaar ministerie, zoals is aangevoerd door de verdediging.

In haar beslissing van 9 juli 2018 heeft de rechtbank overwogen dat zij geen reden had te twijfelen aan de door de officier van justitie gegeven toelichting dat hij in de aanloop naar het allereerste verzoek ex artikel 36 Sv aan de toenmalige raadsman van de verdachte heeft aangegeven dat in zijn ogen in elk geval de rechtbank Haarlem of de rechtbank Roermond bevoegd zouden zijn om van het verzoek kennis te nemen. De rechtbank heeft in haar overweging de verklaring van de officier kort weergegeven en geparafraseerd. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 21 juni 2008 heeft de officier het volgende verklaard:

“De raadsman schetst vandaag dat de het Openbaar Ministerie heeft gezwalkt, met name over de bevoegdheid van de rechtbank, hetgeen tot vertraging heeft geleid. Er is destijds door de verdediging een verzoek tot beëindiging van de strafzaak ingediend. Er heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de toenmalige raadsman en mij. Toen heb ik gezegd dat de rechtbank Den Bosch volgens mij niet bevoegd was en dat het Roermond of Haarlem moest zijn. (...) Dit is mijn herinnering aan die zaken. De rechtbank Roermond zou bevoegd zijn vanwege de woonplaats van verdachte en de rechtbank te Haarlem zou bevoegd zijn vanwege de samenhang met de zaken in het Klimop onderzoek. Ik heb van meet af aan gezegd: volgens mij zit je verkeerd. Ik heb tegen de toenmalige raadsman gezegd: u bent rechtsgeleerde, het is uw keuze. (...) “De gedachtengang van de toenmalige raadsman was dat er in Haarlem geen rechter te vinden zou zijn die niet besmet of onbevangen is in deze zaak. De Klimopzaak liep immers al jaren in die rechtbank. Voorts wilde hij ook niet kiezen voor Roermond, maar voor Den Bosch.”
Uit hernieuwde lezing van deze verklaring van de officier van justitie volgt dat de conclusie van de rechtbank zoals verwoord in haar beslissing van 9 juli 2018 onjuist was voor zover zij begrepen heeft dat dit telefoongesprek tussen de officier van justitie en mr. Peek heeft plaatsgevonden voordat het eerste verzoek ex artikel 36 Sv is ingediend. Uit de door mr. Peek (de toenmalige raadsman) ter terechtzitting van 7 november 2018 afgelegde getuigenverklaring in combinatie met de door hem geraadpleegde gespreksaantekeningen volgt dat er wel degelijk een telefoongesprek heeft plaatsgevonden zoals de officier van justitie zich dat herinnert en dat dat het gesprek van 31 januari 2012 is geweest, hangende de behandeling van liet verzoekschrift bij de rechtbank Den Bosch. De rechtbank stelt dan ook vast dat de officier van justitie de rechtbank niet verkeerd heeft voorgelicht.

De rechtbank herhaalt haar oordeel dat het niet aan de opstelling van het Openbaar Ministerie te wijten is dat de door de verdediging geëntameerde elkaar opvolgende artikel 36 Sv procedures een zo lange tijd in beslag hebben genomen. Uit de opstelling en de mededelingen van het Openbaar Ministerie in de eerste verzoekschriftprocedure blijkt dat het Openbaar Ministerie voornemens was de vervolging voort te zetten en dat daartoe ook concreet sinds medio 2010 het onderzoek weer was opgepakt en werd voortgezet. Het Openbaar Ministerie heeft deze intentie geformaliseerd in zijn brief van 15 juli 2011 waarin het Openbaar Ministerie aangeeft dat het zal overgaan tot vervolging. Dat het Openbaar Ministerie heeft gewacht met dagvaarden was gelegen in de omstandigheid dat er voor gekozen is om de uitkomst van de artikel 36 Sv procedures af te wachten. Het Openbaar Ministerie was hiertoe niet verplicht en had hangende een dergelijke procedure de dagvaarding uit kunnen brengen. Het gegeven dat het Openbaar Ministerie dit niet heeft gedaan, maakt echter niet dat de tijd die gemoeid is geweest met de diverse artikel 36 Sv procedures, te wijten is aan de opstelling van het Openbaar Ministerie. Overigens valt het door de verdediging in deze aan het Openbaar Ministerie gemaakte verwijt moeilijk te rijmen met de opstelling van de verdediging in een latere fase. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen hierboven is gerelateerd, in het bijzonder ten aanzien van de data 5 december 2013, 7 november 2014, 12 november 2014 en 20 maart 2015 (verzoeken uitstel). Daarbij komt dat het de verdediging Vrij had gestaan - indien zij het wenselijk hadden geacht dat gedurende de artikel 36 Sv procedure zou worden gedagvaard - daar bij het Openbaar Ministerie op aan te dringen, hetgeen niet is gebeurd.

De rechtbank herhaalt voorts haar oordeel dat het haar niet gebleken is dat het Openbaar Ministerie een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot de aard van het onderzoek. Uit het dossier komt naar voren dat het voor alle betrokken partijen van meet af aan duidelijk was dat Clematis een uitloper was van dan wel een vervolg op Klimop. De stelling van de verdediging dat het Openbaar Ministerie door het medio 2011 ‘omkatten’ van de naam van het onderzoek de reeds verlopen redelijke termijn heeft willen wegpoetsen wordt voldoende weerlegd door de toelichting van de officier van justitie mr. [officier van justitie 1] dat in de ogen van het Openbaar Ministerie gelet op de vaste jurisprudentie in dezen de redelijke termijn een aanvang neemt ter gelegenheid van het eerste verhoor van verdachte, zijnde in casu op 10 december 2008, en dat de in eerdere procedures genoemde datum van 15 juli 2011 de datum van de brief is waarin het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat het Openbaar Ministerie zal overgaan tot vervolging, hetgeen relevant was in het kader van de beoordeling van de artikel 36 Sv verzoeken. De rechtbank voegt hier aan toe dat zelfs als het Openbaar Ministerie een incorrect juridisch standpunt zou hebben ingenomen, dit tegen de achtergrond van de omstandigheden in deze zaak niet maakt dat er sprake is van enige schending van enig beginsel van het recht op een eerlijk proces.

Ditzelfde geldt voor het door de verdediging aan het Openbaar Ministerie gemaakte verwijt over de zoektocht naar getuige [getuige 1] . De rechter-commissaris heeft [getuige 1] als getuige opgeroepen voor 25 augustus 2015, 18 november 2015 en 2 juni 2016. Telkens heeft [getuige 1] via zijn raadsman laten weten dat hij niet in staat was om aan deze oproeping gevolg te geven. Voor de oproepingen in 2015 gold hiervoor dat de getuige (hoewel op een adres in Nederland ingeschreven) zich in de Verenigde Staten bevond en dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand niet in staat was om te vliegen. Voorts liet de getuige weten dat zijn eigen strafzaak nog niet onherroepelijk was en dat hij daarom voornemens was zich op zijn zwijgrecht te beroepen. In 2016 verwees de getuige enkel nog naar zijn gezondheidstoestand. Daarop - en nadat alle andere toegewezen onderzoekshandelingen

waren verricht - heeft de rechter-commissaris het onderzoek op 19 juli 2016 beëindigd. De

verdediging heeft haar verzoek om [getuige 1] als getuige te horen herhaald op de regiezitting van 21juni 2018. Inmiddels was duidelijk geworden dat [getuige 1] weer in Nederland was. Dit verzoek is toegewezen en [getuige 1] is op 9 augustus 2018 door de rechter-commissaris gehoord. De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat de verdediging het Openbaar Ministerie verwijt dat het na de sluiting van het onderzoek door de rechter commissaris niet actief is blijven monitoren of de getuige [getuige 1] weer was teruggekeerd naar Nederland en vervolgens ambtshalve de rechter-commissaris heeft verzocht het onderzoek te heropenen en de getuige te horen. Geen rechtsregel van geschreven of ongeschreven aard verplicht het Openbaar Ministerie tot het blijven monitoren of een getuige zich inmiddels in Nederland bevindt. Voorts is na de sluiting van het onderzoek door de rechter-commissaris de (regie)zitting het volgende moment waarop wederom onderzocht kan worden of het horen van een getuige mogelijk is. Hetgeen in deze zaak ook is geschied.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat -op grond van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht- niet gebleken is van een fundamentele inbreuk die het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd, in de kern aantast.

Redelijke termijn

In het overzichtsarrest van 17 juni 2008 (ECLI:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een niet ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De Hoge Raad heeft deze lijn nogmaals nadrukkelijk herhaald in zijn arrest van 17 april 2018 (ECLI:HR:2018:558). Gelet op deze vaste jurisprudentie kan de enkele overschrijding van de redelijke termijn niet leiden tot niet-ontvankelijkheid.

De verdediging heeft aangevoerd dat het tijdsverloop er toe geleid heeft dat de rechten van de verdediging beperkt zijn nu zij getuigen eerst jaren na dato heeft kunnen ondervragen en een aantal van deze getuigen heeft aangeven dat zij zich niet alles meer herinneren of niet meer kunnen aangeven of hun wetenschap dateert van destijds, of dat ze dat in het dossier hebben gelezen. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheid niet een dergelijke schending van de rechten van de verdediging oplevert, dat deze zou moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dit zou slechts anders zijn indien de procedure in zijn geheel niet zou voldoen aan de eisen die artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt in dit verband dat het door de verdediging gestelde nadeel conform de door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 29 januari 2013 (ECLI:NL:NR:2013:BX5539) uitgezette lijnen beoordeeld kan worden. Dit is niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en waardering van het bewijsmateriaal.

Nu de rechtbank, zoals hierboven reeds is weergegeven, voorts niet gebleken is van enige schending van het recht op een eerlijk proces, wordt het verweer verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

[...]


7

7.1
De vordering van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van een (1) jaar onvoorwaardelijk.

7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft uiterst subsidiair verzocht om bij veroordeling te komen tot een schuldigverklaring zonder strafoplegging ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7.3
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is actief betrokken geweest bij het tot stand komen van de overeenkomst tussen Philips Pensioenfonds en Bouwfonds, door te bemiddelen tussen [getuige 2] , directeur bij Philips Pensioenfonds, en [getuige 5] van Bouwfonds. Gebleken is dat [getuige 2] zich voor het tot stand komen van de overeenkomst onder voor Bouwfonds gunstige voorwaarden rijkelijk heeft laten belonen. Verdachte heeft dat gefaciliteerd middels het ter beschikking stellen van Universum Vastgoed BV, die zoals uit liet dossier kan worden afgeleid geen andere activiteiten heeft ontplooid dan het doorsluizen van gelden voor/vanuit het project Eurocenter naar [getuige 2] , zonder dat het als betaling aan [getuige 2] kenbaar was. Deze gelden zijn op de keper beschouwd aan te merken als middels omkoping onttrokken gelden aan Bouwfonds c.q. Philips Pensioenfonds. Verdachte is voor zijn bemoeienissen betaald in de vorm van een aandelenpakket van 25.5 % van de aandelen in Universum Vastgoed B.V., hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een liquidatie-uitkering van € 1.349.005,--. Dit terwijl verdachte in die tijd, zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, een winst in zijn

ondernemingen genereerde van zo’n 10 à 15 miljoen euro per jaar. Van enig moreel besef ten aanzien van het laakbare van de omkoping, het faciliteren daarvan en het voordeel

trekken daaruit is niet gebleken.

Verdachte wijst op wat het Openbaar Ministerie in zijn ogen niet goed heeft gedaan dan wel had moeten doen. Verdachte gaat zo doende volkomen voorbij aan zijn eigen rol en staat in het geheel niet stil bij degenen die de daadwerkelijke slachtoffers zijn in deze zaak, met name het Philips Pensioenfonds.

Er is over een langere periode overleg gevoerd over afdoening buiten de rechter om. Dat heeft niet tot een vergelijk geleid. De rechtbank overweegt in dat kader dat wat ook zij van de stelling van de verdachte dat het Openbaar Ministerie gebonden zou zijn aan het voorgestelde schikkingsbedrag, de rechtbank is daar in ieder geval niet aan gebonden.

Het is juist dat deze zaak lang heeft geduurd voordat die inhoudelijk door de rechtbank werd beoordeeld en uitspraak werd gedaan. Uit het relaas zoals hiervoor opgenomen tijdens de bespreking van het niet ontvankelijkheid-verweer komt genoegzaam naar voren dat het tijdsverloop deels aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend, maar ook voor een substantieel deel aan verdachte. De rechtbank rekent verdachte over de periode 15 juli 2011 (de datum van de brief waarin het Openbaar Ministerie aangeeft tot vervolging te zullen overgaan) tot 4 oktober 2013 (de datum van het eindproces-verbaal Clematis) zijnde ruim 26 maanden, de helft, derhalve 13 maanden, aan. Dit in het licht van de geëntameerde artikel 36 procedure. De helft komt op het conto van het Openbaar Ministerie nu de rechtbank van oordeel is dat ondanks de artikel 36 Sv procedure meer voortvarendheid betracht had kunnen worden ten aanzien van het eindproces-verbaal. Het tijdverloop van 4 oktober 2013 tot 19 juli 2016 (beschikking rechter-commissaris beëindiging onderzoek ex 237 Sv) is grotendeels toe te schrijven aan verdachte. De rechtbank rolstaat in dat kader met verwijzing naar het overzicht. De rechtbank zal over die periode echter zes maanden toerekenen aan het Openbaar Ministerie, gezien de tijd die de rechter-commissaris nodig heeft gehad alvorens de in eerste instantie opgegeven getuigen konden worden gehoord. De rechtbank rekent verdachte wel de tijd toe die nodig is geweest voor het horen van de zijdens de verdachte nader opgegeven getuigen, nu het later opgeven van deze getuigen gelegen is in omstandigheden aan de zijde van verdachte. De rechtbank rekent daarmee een periode van 26 maanden toe aan de verdachte. De rechtbank rekent de verdachte voorts ten dele toe de periode vanaf 23 mei 2017 (correspondentie rechtbank in verband met planning regiezitting september 2017) tot aan de uitspraak 23 november 2018. Van het tijdverloop in deze periode acht de rechtbank het juist om in het kader van de bepaling van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM 7 maanden toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie. Op conto van de verdachte komt daarmee een tijdverloop van 11 maanden.

Van het tijdverloop sedert het eerste verhoor van verdachte tot aan de datum van de uitspraak

van de rechtbank van 10 jaar, 120 maanden, zijn in ieder geval 51 maanden toe te rekenen aan de verdachte. De overige 69 maanden dienen te worden meegenomen in de afweging in hoeverre de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM is geschonden. Gezien de aard en omvang van het dossier en de samenhang met een erg omvangrijk onderzoek met vele verdachten is de rechtbank van oordeel dat zeker een termijn van 36 maanden daarvan valt binnen de redelijke termijn. De overschrijding van de redelijke termijn is daarmee te stellen op (maximaal) 33 maanden, dus 2 jaar en 9 maanden. De rechtbank zal met die overschrijding rekening houden bij de bepaling van de op te leggen straf.

De rechtbank betrekt ook in de strafmaat de leeftijd van de verdachte en de gevolgen die deze zaak al voor verdachte heeft gehad, zoals ook door verdachte ter zitting naar voren is gebracht en het gegeven dat de verdachte, met uitzondering van een snelheidsovertreding in 2003, niet eerder is veroordeeld.

Ondanks hetgeen hiervoor ten aanzien van de redelijke termijn, zijn leeftijd, het ontbreken van relevante justitiële documentatie en de gevolgen voor de verdachte is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet alleen niet volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, zoals door de verdediging is bepleit, maar ook niet met een hoge geldboete in lijn met de schikkingsbedragen die de revue zijn gepasseerd. De rechtbank acht daartoe de bewezenverklaarde feiten en de context waarin deze feiten hebben plaatsgevonden te ernstig. Verdachte heeft voor eigen gewin bijgedragen aan de zelfverrijking van mensen op sleutelposities. Daardoor zijn de rechten van velen, in het bijzonder de deelnemers aan het Philips Pensioenfonds te kort gedaan.

De oriëntatiepunten laten ten aanzien van fraude van een bedrag van € 1.000.000,- of meer een straf ter hoogte van een gevangenisstraf van 2 jaar zien. In dat licht bezien is de eis van het Openbaar Ministerie zeker niet onredelijk. De rechtbank houdt echter, anders dan het Openbaar Ministerie in de eis, rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van 2 jaar en 9 maanden.

Alles overwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden opleggen.”

2.6.
In het ontnemingsvonnis is het redelijke termijn-verweer van [eiser] als volgt beoordeeld:
“De rechtbank is van oordeel dat zij de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder het tijdverloop reeds voldoende heeft gecompenseerd in de strafmaat en ziet ook in de juridische kosten die [eiser] heeft gemaakt geen reden om matiging toe te passen in de op te leggen betalingsverplichting van het ontnemingsbedrag.”

2.7.
[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis en het ontnemingsvonnis. Deze procedures in hoger beroep zijn op dit moment aanhangig.
2.8.
Bij brief van 23 mei 2013 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. De Staat heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen.
3

3.1.
[eiser] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:a) een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] op 7 juni 2007 als verdachte aan te merken en niet te berechten binnen een redelijke termijn, althans dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door verwachtingen te creëren omtrent een spoedige afdoening van de zaak en deze niet na te komen;b) veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dan wel tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen schadevergoeding, met rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;c) veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
Aan zijn vorderingen legt [eiser] , samengevat, het volgende ten grondslag. De Staat heeft in twee opzichten onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser] . In de eerste plaats is in de strafzaak van [eiser] sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hij is in 2007 als verdachte aangemerkt en pas in 2018 – ruim elf jaar later – vervolgd en berecht. In de tweede plaats heeft de Staat toegezegd, althans het vertrouwen gewekt, dat de strafzaak voortvarend zou worden afgewikkeld en deze toezegging, althans het gewekte vertrouwen, niet waargemaakt. Als gevolg van dit onrechtmatige handelen van de Staat heeft [eiser] materiële en immateriële schade geleden. In de periode dat hij als verdachte werd aangemerkt kon hij geen nieuwe financiering voor zijn vastgoed bij banken krijgen, en heeft hij onder druk van banken een portefeuille van 1200 woningen in Nederland moeten verkopen in een slechte markt. Bovendien heeft de lange duur van de strafrechtelijke vervolging bij hem tot spanning en frustratie geleid en een grote impact op zijn leven gehad.
3.3.
Op de relevante stellingen en verweren van partijen wordt hierna nader ingegaan.
overwegingen

4

Inleiding

4.1.
In deze civiele procedure tegen de Staat vordert [eiser] schadevergoeding in verband met de duur van zijn – nog lopende – strafzaak. [eiser] werd in 2007 als verdachte aangemerkt. Eind 2018 is [eiser] in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden en tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. [eiser] heeft tegen die beslissingen hoger beroep ingesteld. De strafrechtelijke procedures in hoger beroep lopen op dit moment nog.
4.2.
Kern van het geschil in de onderhavige zaak is de beantwoording van de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] , omdat de redelijke termijn in de strafzaak tegen hem is overschreden, dan wel omdat namens de Staat gedane toezeggingen en/of gewekt vertrouwen over de duur van die strafzaak niet zijn waargemaakt.
4.3.
Voordat de rechtbank die inhoudelijke vraag kan beantwoorden, ligt het meest verstrekkende verweer van de Staat ter beoordeling voor. Dit verweer werpt namelijk de (voor)vraag op, of het de burgerlijke rechter vrijstaat om een schadevergoedingsvordering tegen de Staat op grond van een overschrijding van de redelijke termijn in een strafzaak te beoordelen, indien tegelijkertijd een strafrechtelijke procedure aanhangig is waarin op diezelfde grond een beroep is gedaan en de strafrechter daarover nog niet onherroepelijk heeft beslist.
Standpunten van partijen

4.4.
De Staat stelt zich op het standpunt dat er voor de burgerlijke rechter in deze zaak (nog) geen taak is weggelegd. Een oordeel over (een overschrijding van) de redelijke termijn in een nog lopende strafzaak is volgens de Staat aan de strafrechter voorbehouden, die daarvoor ook het best is toegerust omdat hij over het volledige strafdossier beschikt. Dit betekent, zo vervolgt de Staat, dat de vorderingen van [eiser] nu al dienen te worden afgewezen, en anders dat deze civiele procedure moet worden aangehouden totdat in de strafrechtelijke procedure onherroepelijk over (een overschrijding van) de redelijke termijn is beslist.
4.5.
In reactie op dit verweer voert [eiser] aan dat de burgerlijke rechter wel degelijk in staat is om een oordeel te vellen over zijn vorderingen. Volgens [eiser] is de overschrijding van de redelijke termijn in zijn strafzaak zó evident, dat het oordeel van de strafrechter niet hoeft te worden afgewacht. Bovendien leidt de opvatting van de Staat, zo vervolgt [eiser] , tot de onaanvaardbare situatie dat hij pas na afloop van de strafrechtelijke procedure – die in totaal mogelijk langer dan zestien jaar zou kunnen duren, hoger beroep en cassatie daarbij inbegrepen – de Staat civielrechtelijk kan aanspreken. [eiser] meent dat het oordeel van de strafrechter een rol zou kunnen spelen bij de toerekening van een overschrijding van de redelijke termijn, maar niet eraan in de weg staat dat de burgerlijke rechter een op die overschrijding gebaseerde aanspraak tot schadevergoeding beoordeelt.
Het oordeel van de rechtbank

4.6.
De rechtbank stelt voorop dat berechting binnen een redelijke termijn een fundamenteel rechtsbeginsel is. De overheid is onder meer op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verplicht om ervoor te zorgen dat de rechten en plichten van betrokkenen in procedures voor de rechter binnen een redelijke termijn worden vastgesteld. Een dragende gedachte achter dit rechtsbeginsel is dat (juridische) procedures belastend zijn omdat ze gepaard gaan met onzekerheid en kosten, en om die reden niet onredelijk lang mogen duren. Daarnaast beschermt dit rechtsbeginsel het vertrouwen van burgers in de rechter en in de rechtspraak als geheel. Verder geldt dat de overheid onder meer op grond van artikel 13 EVRM verplicht is om een “” beschikbaar te stellen om schendingen van dit rechtsbeginsel aan de orde te stellen en te herstellen/compenseren.
4.7.
Een strafrechtelijk beoordelingskader voor de vaststelling van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn, en van de eventuele rechtsgevolgen die aan een dergelijke inbreuk moeten worden verbonden, is te vinden in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Uit dat arrest blijkt dat de beoordeling of een termijn nog redelijk is onder meer afhangt van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Tot de omstandigheden die in dat verband verder van belang zijn rekent de Hoge Raad: de omvang van het verrichte (voor)onderzoek, de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten, het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak, en de mate van voortvarendheid die is betracht in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting (zie rechtsoverweging 3.13.1 van het arrest van 17 juni 2008).
4.8.
Wat betreft de rechtsgevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn, volgt uit het voornoemde arrest dat overschrijding van de redelijke termijn in beginsel leidt tot vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag, en dat de omvang van de vermindering afhangt van de mate van de overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het de rechter vrijstaat om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM (rechtsoverwegingen 3.22 en 3.23 van voormeld arrest).
4.9.
Dit strafrechtelijke beoordelingskader komt erop neer, dat in zaken die zijn geëindigd met de oplegging van een betrekkelijk geringe straf wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, terwijl in overige gevallen de schending in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of taakstraf, dan wel de hoogte van de opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel. De vraag hoe moet worden omgegaan met gevallen waarin dit stelsel slecht of geheel niet toepasbaar is – bijvoorbeeld wanneer de als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade niet kan worden verdisconteerd in de opgelegde sanctie – laat zich beantwoorden aan de hand van het arrest van de strafkamer van de Hoge Raad van 17 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:558). Voor zover nu van belang is in dat arrest het volgende overwogen:
“2.4. Dit thema vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten en regels die waar mogelijk tot een uniforme rechtstoepassing leiden. Bij de formulering daarvan is een zekere ruwheid onontkoombaar. Onvermijdelijk zijn er ook gevallen waarin zij slecht of geheel niet toepasbaar zijn, zoals bij sancties die zich naar hun aard niet lenen voor strafvermindering, bijvoorbeeld de levenslange gevangenisstraf en vrijheidsbenemende maatregelen. Ook in die gevallen pleegt te worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Dat geldt ook indien een benadeelde partij zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd en de strafrechter desverzocht heeft vastgesteld dat vanwege de duur van de strafprocedure jegens haar inbreuk is gemaakt op genoemd verdragsvoorschrift. Geen rechtsregel verzet zich evenwel ertegen dat in zulke gevallen de betrokkene zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak met een op die door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn gebaseerde, tegen de Staat gerichte vordering tot schadevergoeding wendt tot de civiele rechter (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525).”

4.10.
Het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 28 maart 2014 waarnaar wordt verwezen in het slot van de zojuist aangehaalde rechtsoverweging, bevat een beoordelingskader voor de vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn in civiele zaken. De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over art. 6 EVRM het uitgangspunt is dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, en dat dit ook onder nationaal recht een grond vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. Over de vraag of een daarop gebaseerde schadevergoedingsvordering binnen de desbetreffende civiele procedure aanhangig kan worden gemaakt of alléén in een afzonderlijke civiele procedure, overwoog de Hoge Raad onder meer het volgende:
“3.13 De hoogste Nederlandse bestuursrechters hebben een stelsel ontwikkeld dat de mogelijkheid biedt om de Staat in bestuursrechtelijke procedures te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe wordt, nadat een beroep op een zodanige overschrijding is gedaan, de Minister van Veiligheid en Justitie in het geding opgeroepen. Dit stelsel is in bestuursrechtelijke geschillen inmiddels vergaand geüniformeerd (vgl. laatstelijk ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Nu aangenomen moet worden dat niet binnen afzienbare tijd wetgevingsinitiatieven voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures zijn te verwachten (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder nrs. 4.39 en 4.40), rijst de vraag of een gelijksoortige voorziening dient te worden opengesteld binnen procedures voor de burgerlijke rechter – waaronder de onderhavige procedure –, in de plaats van of naast de reeds thans bestaande mogelijkheid om in een afzonderlijke procedure tegen de Staat schadevergoeding uit onrechtmatige daad te vorderen.

3.14
Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het nationale recht in verband met art. 13 EVRM moet voorzien in een effectieve mogelijkheid voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. onder meer EHRM 26 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AD5181, NJ 2001/594 () en EHRM 8 juni 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5760 ()). Een op grond van onrechtmatige daad in te stellen afzonderlijke procedure tegen de Staat kan een voldoende effectief rechtsmiddel bieden tot verkrijging van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, vgl. EHRM 11 september 2002, nr. 57220/00 () en EHRM 15 mei 2007, nr. 2115/04 (). In bestuursrechtelijke procedures bestaan goede redenen om de beoordeling van een overschrijding van de redelijke termijn te laten plaatsvinden binnen de lopende procedure, met name de reden dat de bestuursrechter zelf beter toegerust is om de redelijkheid van de lengte van die procedure, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, te beoordelen dan de civiele rechter die dit zou moeten doen in een afzonderlijke procedure tegen de Staat. Indien de gestelde termijnoverschrijding echter plaatsvindt in een civiele procedure, is voor een beoordeling daarvan door de civiele rechter niet nodig dat deze in de lopende procedure plaatsvindt. [...]
3.15
Gelet op het vorenstaande moet in geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure, een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen de Staat. ”
4.11.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt in het hiervoor onder 4.9 aangehaalde arrest van de strafkamer van Hoge Raad van 17 april 2018 de rechtsregel besloten, dat degene die als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn in een strafzaak immateriële schade heeft geleden die niet verdisconteerd kan worden in de opgelegde sanctie (bijvoorbeeld omdat de betrokkene wordt vrijgesproken), zich alléén na het onherroepelijk worden van de strafrechtelijke uitspraak tot de burgerlijke rechter kan wenden met een vordering tegen de Staat tot schadevergoeding op grond van een door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. Steun voor deze lezing van het arrest van 17 april 2018 vindt de rechtbank in de verwijzing naar het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 28 maart 2014, waarin de gedachte tot uitdrukking komt dat de rechter die werkzaam is in een specifieke ‘kolom’ van de rechterlijke organisatie beter is toegerust om de redelijkheid te beoordelen van de duur van een procedure die zich binnen die kolom afspeelt vergeleken met de rechter die dit vanuit een andere kolom zou moeten doen, omdat de eerstgenoemde rechter in het relevante werkgebied is gespecialiseerd, over het gehele dossier beschikt en de zaak inhoudelijk heeft behandeld.
4.12.
In de voorliggende zaak geldt dat de strafrechter in de nu tegen [eiser] lopende straf- en ontnemingsprocedures beter is toegerust om te beoordelen óf sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, in hoeverre deze aan de Staat moet worden toegerekend, en om daar eventueel rechtsgevolgen aan te verbinden. De strafrechter beschikt namelijk niet alleen over de gegevens om inzicht te verkrijgen in de omstandigheden die volgens het hiervoor onder 4.7 tot en met 4.9 samengevatte beoordelingskader van belang zijn – zoals de omvang van het (voor)onderzoek, eventuele parallelle zaken tegen medeverdachten en de rol die de verdediging en het Openbaar Ministerie hebben gespeeld in de vertraging in de afdoening van de zaak – maar ook over specialistische kennis om aan deze omstandigheden het juiste gewicht te verbinden. Mede gelet op de waarborgen van het Nederlands strafproces, levert een en ander goede redenen op om de beoordeling van een overschrijding van de redelijke termijn primair en vooreerst te laten plaatsvinden binnen de lopende strafrechtelijke procedure. Dat geldt te meer, gelet op het risico van verschillende of zelfs tegenstrijdige uitkomsten dat ontstaat wanneer er voor zowel de strafrechter als de burgerlijke rechter tegelijkertijd procedures over hetzelfde onderwerp worden gevoerd.
4.13.
De tegenwerpingen die [eiser] in dit verband naar voren heeft gebracht, doen niet af aan het voorgaande.
4.13.1.
[eiser] meent dat de overschrijding van de redelijke termijn in zijn strafzaak zó evident is dat de burgerlijke rechter daarvan kan uitgaan. Dit argument ziet over het hoofd dat voor de beoordeling van een schadevergoedingsvordering vooral van belang is welk deel van die overschrijding aan de Staat valt toe te rekenen – een kwestie die nu in de strafrechtelijke procedures in hoger beroep voorligt.
4.13.2.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat een procedure die al de redelijke termijn heeft overschreden nóg langer wordt als het hoger beroep en een eventueel cassatieberoep moet worden afgewacht. De rechtbank begrijpt dit verweer als het standpunt dat de mogelijk lange(re) duur van deze civiele procedure – in vergelijking met de situatie waarin de uitkomst van de strafrechtelijke procedure niet wordt afgewacht – een schending oplevert van het recht op berechting binnen een redelijke termijn (artikel 6 EVRM) en op een ‘’ (artikel 13 EVRM). De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat het onwenselijk is dat iemand die (mogelijk) al te lang op (de uitkomst van) een strafzaak heeft moeten wachten en daaraan spanningen en frustraties heeft overgehouden, pas schadevergoeding van de Staat kan vorderen als die strafzaak is uitgeprocedeerd. Tegelijkertijd ziet de rechtbank zich geconfronteerd met het gegeven dat iedere vervroeging van het moment waarop de civiele rechter zich buigt over een schadevergoedingsvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn ten opzichte van het moment waarop het relevante oordeel van de strafrechter onherroepelijk wordt, een doorkruising oplevert van de oordeelsvorming door de strafrechter die, om de hiervoor genoemde redenen, juist voorrang dient te krijgen. Tegen de achtergrond van dit laatste is de mogelijk lange(re) duur van deze civiele procedure onvermijdelijk en in ieder geval op inhoudelijke gronden te verantwoorden. Daarbij komt dat [eiser] mogelijk in de strafrechtelijk procedure wordt gecompenseerd voor de door hem als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade. Op grond van deze bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval ziet de rechtbank in het afwachten van de uitkomst van de strafzaak van [eiser] geen grond om een (dreigende) schending van het EVRM aan te nemen.
4.13.3.
Ter zitting heeft [eiser] nog betoogd dat de strafrechtelijke procedure ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure nog niet (inhoudelijk) aanhangig was en het zonder de onderhavige civiele procedure mogelijk niet tot een inhoudelijke behandeling van de strafzaak was gekomen. Volgens [eiser] is het voor het Openbaar Ministerie mogelijk geweest om zijn strafzaak langdurig af te houden of om op andere wijze te belemmeren dat daaraan een einde kwam. Voor deze stellingen ziet de rechtbank geen grond. In een dergelijke situatie staan de verdachte verschillende mogelijkheden ten dienste. Het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bevat diverse bepalingen die toezien op de adequate voortgang van het onderzoek. Zo waakt de rechter-commissaris op grond van artikel 181 Sv tegen nodeloze vertraging van het opsporingsonderzoek, en kan hij op verzoek van de verdachte of diens raadsman de voortgang van het opsporingsonderzoek beoordelen en zelfs een termijn stellen voor beëindiging daarvan. Daarnaast kan de strafrechter op grond van artikel 36 Sv naar aanleiding van een verzoek van de verdachte zelf of op voordracht van de rechter-commissaris een reeds aangevangen vervolging beëindigen. Zoals blijkt uit het hiervoor onder 2.5 aangehaalde strafvonnis, heeft [eiser] driemaal van de artikel 36 Sv-procedure gebruik gemaakt, maar heeft de strafrechter geen aanleiding gezien de reeds aangevangen vervolging te beëindigen.
4.14.
Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de burgerlijke rechter in dit geval meebrengt dat het de burgerlijke rechter niet vrijstaat om de vorderingen van [eiser] tegen de Staat nader inhoudelijk te beoordelen, zolang in de nu aanhangige strafrechtelijke procedures nog niet onherroepelijk is beslist over (een overschrijding van) de redelijke termijn en de daaraan eventueel te verbinden gevolgen. Dat geldt ook ten aanzien van de tweede grondslag van [eiser] vorderingen, namelijk de door hem gestelde toezegging / het gewekte vertrouwen dat de strafzaak spoedig zou worden afgedaan. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] aangegeven dat hij niet meer wist of deze grondslag in de strafrechtelijke procedure in hoger beroep aan de orde is gesteld. Daarmee valt niet uit te sluiten dat de strafrechter ook over deze kwestie een oordeel zal geven, dan wel de desbetreffende stellingen in zijn oordeel over de (overschrijding van de) redelijke termijn zal betrekken.
4.15.
De Staat heeft in dit verband nog aangevoerd dat het oordeel van de strafrechter niet hoeft te worden afgewacht omdat een causaal verband tussen de door [eiser] gestelde schade en de duur van zijn strafzaak op voorha